Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brand - (vuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brand zn. ‘vuur’
Mnl. brand, brant ‘vuur(gloed)’ [1240; Bern.], ‘brandend stuk hout, brandmerk’ [1285; CG I, 1017], ‘zwaard’ (eigenlijk ‘het flikkerende, glinsterende wapen, schitterend als vuur’) in Doe taste hi om sinen brant an sine side ‘toen greep hij naar zijn zijde, naar zijn zwaard’ [ca. 1350; MNW].
Het woord is met een dentaalachtervoegsel afgeleid van de ablautsvorm met -a- bij de wortel pgm. *brinn- ‘branden’, zoals ook de causatiefvorm *brannjan- ‘verbranden’, zie → branden.
Os. brand ‘brand’; ohd. brant ‘brand, brandend stuk hout’ (nhd. Brand ‘id.’); ofri. brand, brond ‘brand, zwaard’; (nfri. brân ‘brand, slagzwaard’); oe. brand, brond (ne. brand ‘brandend stuk hout, (brand)merk’); on. brandr ‘brand, zwaard’ (nzw. brand ‘brand, brandend stuk hout’); < pgm. *branda ‘vuur’.
De betekenis ‘brandend stuk hout’ komt na de Middelnederlandse periode niet meer voor. De betekenis ‘zwaard’ is wrsch. al Oudnederlands: -branda- komt veel in persoonsnamen voor, bijv. Lisbrandus [1047], Thiadbrand [eind 11e eeuw], Thidbrand [eind 12e eeuw; Gysseling 1964], en is ook nu nog terug te vinden in namen als IJsbrand (met → ijzer) en Gerbrand (met → geer). In deze betekenis is het woord ook in de Romaanse talen terechtgekomen: Oudfrans brand ‘zwaard’ [1080; Rey] (waaruit Nieuwfrans brandir ‘dreigend zwaaien’, en ook Engels brandish ‘id.’), Italiaans brando ‘kling’. Daarnaast kent het Frans ook brandon ‘fakkel’ [1140; Rey].
brandschoon bn. ‘blinkend schoon’. Nnl. brandschoon ‘id.’ [1733; WNT]. Samenstelling van brand in de oude betekenis ‘kling van een zwaard’, en → schoon, dus letterlijk ‘zo schoon als een brand’.
Lit.: M. Gysseling (1964) Proeve van een Oudnederlandse grammatica (2e deel), Studia Germanica Gandensia 6, Gent (herdruk in: R. Bremmer/A. Quak (ed.) Zur Phonologie und Morphologie des Altniederländischen, Odense 1992)

EWN: brand zn. 'vuur' (1240)
ANTEDATERING: onl. brant 'door brand kaal geworden land' als plaatsnaam in: (Latijn) de Branda 'm.b.t. Brand' [1001-50; ONW]
EWN: ♦ brandschoon bn. 'blinkend schoon' (1733)
ANTEDATERING: brandschoon 'heel schoon' [1718; Argus 7/9]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brand* [vuur] {1201-1250 in de betekenis ‘vuur, brandend stuk hout, zwaard’} oudhoogduits brant [brandend stuk hout, vuur], oudfries brond, oudengels brand, oudnoors brandr [brandend stuk hout]; oudeng. en oudnoors hebben tevens de betekenis ‘zwaard’ (als het schitterende, vlammende) → branden. De uitdrukking zo schoon als een brand wil zeggen ‘blinkend als het staal van het zwaard’, vgl. middelnederlands brant [het flikkerende wapen, het zwaard], oudnoors brimir [zwaard] en brimi [vuur].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brand znw. m., mnl. brant ‘vuur, gloed, brandend stuk hout, brandmerk, zwaard’, o. brand ‘brandend stuk hout’, ohd. brant ‘ brandend stuk hout, vuur, gloed’, ofri. brond ‘brandend stuk hout, brandwond, brandstichting’, oe. brond ‘brandend stuk hout, vlam, zwaard’, on. brandr ‘brandend stuk hout, zwaard’. — Zie: branden.

De betekenis ‘zwaard’ die in de ME zeer verbreid was, is te verklaren uit het glinsteren van het lemmet; zo ook on. brimir ‘zwaard’ naast brimi ‘vuur’. Overgenomen als ital. brando, terwijl fra. brandon ‘fakkel’ betekent. — Het is echter de vraag, of men niet een ander woord brand in de betekenis ‘stok, plank’ (vgl. bramzeil) daar van te scheiden heeft (daaruit zou zich de betekenis ‘zwaard’ ook ontwikkeld kunnen hebben). Dit woord brand behoort dan tot de idg. wt. *bher (zie: boren); vgl. verder AEW 53-54. — Overdrachtelijk heeft het de bet. ‘zwamziekte van het koren, waardoor de korrel uitwendig zwart wordt’; dit werd overgenomen in ne. brand (sedert 1639; althans waarsch. vgl. Bense 24).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brand znw., mnl. brant(d) m. “vuur, gloed, brandend stuk hout, fakkel, brandwond, brandmerk, zwaard”. = ohd. brant m. “brandend stuk hout, vuur, gloed” (nhd. brand), os. brand m. “brandend stuk hout”, ofri. brond m. o. “het (ver)branden, brandstichting, brandend stuk hout, brandwond”, ags. brond m. “brandend stuk hout, vlam, vuur, zwaard” (eng. brand), on. brandr m. “brandend stuk hout, zwaardkling” (in de bet. “stok, post” ook hierbij?). Een afleiding van de germ. basis ƀren(n)-, ƀran(n)-; zie branden. De bet. “zwaard” laat zich uit die van “glinsterend voorwerp” verklaren; vgl. on. brimir m. “zwaard”: brimi m. “vuur”. Wellicht was *ƀranða- ”zwaard” ospr. een dichterlijke term. Het woord is ook in ʼt Rom. overgegaan: fr. brandon “fakkel”. Op rom. gebied ook de bet. “zwaard”: it. brando “zwaard”. Anderen houden *ƀranđa- “zwaard” zoowel als on. brandr m. “stok, plank” voor een ander woord, met n-infix van de basis bherědh-: zie boord. Met ʼt oog op lett. brůds “nok van ʼt dak”, dat evenals germ. *ƀranða- idg. *bhrondho- kan zijn, is die hypothese aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brand 2 m. (zwaard), hetzelfde woord als brand 1., ook in 't Ohd., Ags. en On., omdat het glinstert als een brand; van hier het Fr. brand en brandir.

brand 1 m. (brandend stuk hout, vuur), Mnl. brant, Os. brand + Ohd. brant (Nhd. brand), Ags. brond (Eng. brand), Ofri. brond, On. brandr (Zw. en De. brand), met suff. -d van denz. stam als 't enk. imp. van bernen (z. barnen); uit dit Germ. woord het Fr. brandon. Van brand is branden het denom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

brand s.nw.
1. Huidontsteking, uitslag. 2. Siekte by sekere gewasse wat deur brandswamme veroorsaak word.
Uit Ndl. brand.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

brand ‘merk’ (Engels brand)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brand ‘vuur; gloeien van lichaamsdeel; iets wat verbrand of brandkleurig is’ -> Zuid-Afrikaans-Engels brand ‘vuur; verbrand stuk grond’ ; Negerhollands bran ‘vuur’; Papiaments brant ‘(donkere) zeegrondel, slijmvis’; Sranantongo branti ‘vuur; huiduitslag’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) bran ‘vuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brand* vuur 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

342. In den brand zitten,

d.w.z. in moeilijkheden, vooral in geldelijke, in de knel, in verlegenheid zitten, in de bernis zitten (Volkskunde XII, 167). In de 16de eeuw reeds vrij gewoon. Zie Tijdschrift XXI, 103 (inden brant sijn); Trou m. Bl. 22:

 Ghans doot, ick sal van lachen slijten;lees: splijten?
 Mijn heere die blijfter inden brant.

De uitdrukking uit den brand helpen, redden of zijn schijnt het eerst in onzen tijd voor te komen (zie o.a. P.K. 157). Zie het Ndl. Wdb. II, 1035-1036; Nest 52; Nkr. VI, 15 Juni, p. 3; VII, 30 Aug. 4 (in den brand zitten); Nkr. VII, 15 Febr. p. 6; 1 Maart p. 2 (uit den brand helpen of redden); Nkr. VII, 31 Mei p. 6 (in den brand laten) en vgl. het fri. yn 'e brân sitte en yn 'e broei sitte; Zaansch: in den broei zitten. In Zuid-Nederland evenals bij ons in den brand laten, achterlaten bij een overhaaste vlucht; ook in den steek laten; zie De Bo, 179 b; Antw. Idiot. 292; Waasch Idiot. 143 a; Schuermans, 76 a; bij Rutten, 36: in bordel laten (vgl. Ndl. Wdb. III, 530).

343. Zoo helder (schoon, zuiver) als een (de) brand,

d.w.z. zeer, buitengewoon helder; eig. zoo helder, blinkend als de kling van het zwaard, in welke bet. brand (eng. brand; to brandish) vroeger zeer gewoon was. Ook in de 17de eeuw: zoo bruin als een brand (V. Moerk. 225; Tijdschrift XVI, 288). Vgl. ook brandhelder, brandrein (in Kalv. I, 27), brandschoon en verder het Ndl. Wdb. III, 1051; Mnl. Wdb. I, 1419; Noord en Zuid XX, 130; Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 47: Overigens was zij 'n ‘brandje’ van zindelijkheid; Haagsche Post, 10 Juli 1915 p. 5. k. 1: Branie en brandnetjes heel zoo'n gezin bij het uitrukken vóór dag en dauw; Vragen v.d. Dag, 1913 p. 632: Een meid als een brand; Gallée, 6: 't Züt er ût as de brand, brandhelder; Goeree en Overflakkee: zij is as een brandje (zie N. Taalgids XIV, 255); friesch: sa sindlik of sa skien as de brân. In het Nederduitsch bestaan allerlei samenstellingen met brand (= zeer); vgl. brandfûl (zeer lui), branddür, brandbitter, brandsalt (ook salzig wie ein brand), enz.Korrespbl. XXVII, 5 en vgl. Paul, Wtb.: brennend neu, -mager, -fleiszig.

1051. Hij is kachel,

ook hij is kachelig, hij is dronken; hij is half kachel, (wat) aangeschoten. Zie Köster Henke, 29: kachel, stomdronken; bl. 68: Het was een toffe gooser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zagje hem gooit; Sjof. 80: Als de kerels naar d'r werk gingen, dan bleven ze soms hier of daar plakken, kwamme drie kwart kachel an de fabriek; bl. 127: Ja Sien, je ben sikker, je ben kachel; Van Ginneken, Handb. I, 513: kachel, dronken; Ndl. Wdb, VII, 835.

De verklaring dezer zegswijze is onzeker. Misschien moeten we uitgaan van synonieme zegsw. hij is gepoetst (o.a. in Sjof. 9: De meester, die sterk aan den draad trok (dronk), was 's avonds nog al eens gepoetst), waarin ‘gepoetst’ beteekent (glad, glimmend), dronken, dus synoniem van vet en in de olie, die beide voor ‘dronken’ gebruikt worden, naast zoo vet zijn als olie (in Maasgouw, 1914, bl. 8). Het volt. deelw. gepoetst glimmend, glad kon doen denken aan een kachel; vandaar dat dial. voorkomt nog al kachel in den zin van nog al glad, nog al duidelijk, wiedes (V. Schothorst, 148Vgl. voor een dergelijk verschijnsel het hoogd. barg. käse stehen, butter stehen naar aanleiding van schmiere stehen (zie Smeris) en dreckig lachen ontstaan op het voorbeeld van schmutzig lachen (Zeitschr. f. D. Wortf. XIII, 169).). Zoo kon ook kachel gebruikt worden van iemand die glom, en ontstond de uitdr. hij is kachel, hij is gepoetst, vet, in de olie, dronken. Waarschijnlijker is het echter wel, dat niet zoo zeer op het glimmend als wel op het roode gezicht van een beschonkene gelet is. Aanleiding tot deze onderstelling geeft het synonieme hij heb de brand, hij is dronken (Köster Henke, 11; Jord. II, 519) en de kachel aanhebben, dat voorkomt in Het Volk, 5 Mei 1914, p. 5 k. 3: Een glunderend kastelein achter de toonbank en er vóór een die de ‘kachel’ aan heeft en tot zich zelf wat te zeggen heeft.

1550. Moord en brand schreeuwen (of roepen),

d.w.z. luid schreeuwen, erg te keer gaan; zich hevig beklagen (over een onrecht, enz.). Eertijds had deze uitdr. de beteekenis van dreigen met moord en brandstichtingVgl. mnl. mortbrant, moortbrant, heimelijke, verraderlijke, ook nachtelijke brandstichting; ook die met de bedoeling om daarbij menschen te doen omkomen; Mnl. Wdb. IV, 1961 en Stallaert II, 218., nagenoeg hetzelfde als het vroegere ten brande en ten zwaarde dreigen, - eischen, opeischen onder bedreiging met moord en brandstichting. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 184:

 Wat heeft men gift en gal gebraeckt en brant en moort
 Getiert en 't gansche jaer gescholden en gekreeten.

Zie verder Vondel's Maeghden, vs. 1690; het Ndl. Wdb. III, 1033; IX, 1107; Joos, 61; Antw. Idiot. 1093; 1906; Waasch Idiot. 444 b; en vgl. Halma, 360: Moord en brand roepen, crier au meurtre et au feu; zy schreeuwde moord en brand, elle crioit comme si on eût voulu l'égorger. In het Friesch: hy skreaut moart en brân; in Gron. moard over hoalstok schreeuwen (Moiema, 270 a); Villiers, 82; in Zuid-Nederland en in Limb. kent men in denzelfden zin: pen en inkt roepen, wat volgens het Waasch Idiot. 514 en Ndl. Wdb. VI, 1747 gezegd wordt van jankende honden, doch eigenlijk van een marskramer, die deze artikelen luide vent (zie Volkskunde XXIII, 165); hd. Mord und Brand schreien; eng. to cry murder.

1551. Hij weet van den moord,

d.w.z. de zaak (of het geheim) is hem bekend; hij weet er van; hetzelfde als: hij weet van den brand (ook in Waasch Idiot. 143). De uitdrukking komt sedert de 17de eeuw voor; zie o.a. Kluchtspel II, 176; Vondel, Bat. Gebr. vs. 1301; en vgl. Asselijn, 300: O, dat wijf het 'et al weg, se weet wis van de moort; Rusting, 592; C. Wildsch. IV, 194: Hij vreesde dat wij hem verdacht hielden dat hij van den moord geweten had; Sewel, 450: Hy kent de leus, hy weet van de moord, he understands the cant, he knows of the matter; 498: Hy weet van de moord, hij weet van de zaak; fri. nou kaem de moart ut, het geheim lekte uit, het ware van de zaak kwam aan den dag; Afrik. hy het van die heele moord niks geweet nie; vgl. het eng. the murder is out. Met Van Dale en Van LennepOok bij V. Effen I, 53 en Brieven van B. Wolff, 117: Ik weet nog zoo wat van de moord van Parijs; zie Ndl. Wdb. IX, 1106. te denken aan de Parijsche bloedbruiloft is niet noodig. Het znw. moord heeft uit zijne eerste beteekenis, die van bloedig feit, verschrikkelijke gebeurtenis, eene zaak in het algemeen ontwikkeld, evenals brand in de uitdr. hij weet van den brand en gearmd naar den brandNdl. Wdb. III, 1033-1034..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut