Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braken - (voedsel overgeven; vlas bewerken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

braken ww. ‘voedsel overgeven; vlas bewerken’
Mnl. braken ‘radbraken’ [1350; MNW], ‘nachtbraken’ [1400-50; MNW]; vnnl. Braken ter kelen wt ‘overgeven’ [1546; Naembouck], vlas braken [1589; Mellema].
Wrsch. een afleiding van → braak 1. Hiermee wrsch. verwant is ohd. brāhhōn ‘voor de eerste keer ploegen; de akker openbreken’, zie → braak 2. Bij het gebruik in combinatie met vlas moet men denken aan het breken van het houtige deel van de stengels. In de betekenis ‘overgeven’ staat braken mogelijk naast vormen als Gronings breken; Oost-Fries sük bräken; Duits (sich er)brechen; in dat geval gaat het om een uitbreiding van de betekenis ‘(uit)breken’. Eventueel kan men het vergelijken met os. brakon ‘herrie maken’ en on. braka ‘kraken, herrie maken’; het zou dan betrekking hebben op de geluiden die bij het braken worden geproduceerd.
Mnd. braken; mhd. brachen.

EWN: braken ww. 'voedsel overgeven; vlas bewerken' (1350)
ANTEDATERING: braken 'radbraken (?), kraken' [1317-25; iMNW]
Later: braken '(uit)braken' [1400-50; MNHWS] (EWN: 1546)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braken* [breken (van vlas), overgeven] {1350 als ‘breken’; de betekenis ‘overgeven’ 1573} vgl. hoogduits sich erbrechen; nevenvorm van breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braken ww. 1. ‘overgeven’, vgl. gron. brēken, nhd. sich erbrechen, — 2. ‘vlasbraken’, vgl. mnl. brāken, westf. brāken, — 3. ‘land ploegen’, vgl. ohd. brāhhon, os. gibrākon. — Zie: braak en breken.

Uit het nl. of het nnd. is overgenomen ne. brake ‘vlasbraken’ (sedert 1398, vgl. Bense 23).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braken ww. Behoort in zijn verschillende bett. bij breken en braak. Voor de bet. “vomere” vgl. gron. breken, hd. sich erbrechen “id.”. Mnl. bett.: “radbraken, vlas braken, land ploegen om ʼt dan ongebruikt te laten, een bres maken, woeden, nachtbraken, misdoen, vomeeren”. Blijkens achterh. westf. brāken “vlas breken”: westf. bråken “den akker braken” moeten we twee ww., brāken en brâken, aannemen (zie braak I). Het 2de is reeds ohd.: brâhhôn “scindere (humum)”, - en os.: gi-brâkon “id.”. Vgl. nog met ă: os. brakon “kraken”, ags. gebræc, on. brak o. “gekraak, lawaai”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

braken. Eng. to brake (reeds meng.) ‘(vlas) braken’ is van het vasteland ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braken ono.w. (overgeven), + Hgd. ausbrechen; denom. van braak 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

braken: gaan braken (ging braken, is gaan braken), (gebr. vrnl. door jonge mensen) het zeer moeilijk krijgen. - Etym.: In AN veroud. b. = zich inspannen, sloven, tobben, zwoegen (WNT). Of betekent SN b. ‘gebraakt (= geradbraakt) worden’? Analoge constructies komen in het SN bij een aantal ww. voor: zie Essed (134).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

braak II: ww., “vomeer”; “uitskiet” (bv. ’n vulkaan); Ndl. braken (al 16e eeu) naas breken, ook nog dial., Hd. (sich er)brechen, hou misk. ook verb. m. braak I (vgl. “winde opbreek”).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

braken ‘overgeven’ -> Negerhollands brak ‘overgeven’; Sranantongo brâk ‘overgeven; verraden’; Saramakkaans baláki ‘overgeven’.

braken ‘vlas breken’ -> Deens † brage ‘vlas breken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bråke ‘vlas breken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bråka ‘vlas breken’ (uit Nederlands of Nederduits).

braken ‘omploegen maar niet inzaaien’ -> Zuid-Afrikaans-Engels braak ‘omploegen maar niet inzaaien’ .

braken ‘nachtbraken, brassen en slempen’ -> Noors bråke ‘lawaai maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bråka ‘drukte maken, herrie schoppen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braken* vlas breken 1350 [MNW]

braken* overgeven 1546 [Naembouck]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut