Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brak - (zilt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brak 2 bn. ‘zoutachtig (van water)’
Mnl. brac ‘zout, bitter’ [1477; Teuth.]; vnnl. brac ‘onbruikbaar’ [1528; MNW], brack ‘zout, zilt’ [1599; Kil.].
Mnd. brack ‘zoutachtig’; nfri. brak; < pgm. *brakka- ‘brak, zilt’.
De herkomst is hoogst onzeker. Brak water vindt men waar zoet rivierwater aan de monding vermengd raakt met zout zeewater, het is dus half zoet, half zout; vanwege de vieze smaak van het water heeft men verband willen zoeken met de wortel pie. *bherH- ‘met iets scherps bewerken, snijden’ (IEW 133), zie → boren; de smaak zou dan als het ware in de keel ‘snijden’. De verbinding met → brijn via pie. *mr-ogh-no ‘zee’ is weinig waarschijnlijk. Gezien de beperkte verbreiding en het betekenisveld is dit hoogstwrsch. een substraatwoord. Zie ook → broek 2.
Het Nederlands lag aan de basis van de Duitse samenstelling Brackwasser ‘brak water’ [17e eeuw] en het bn. brackig ‘brak’, evenals van het Engelse bn. brack, brackish ‘zoutachtig’ [1513]. Daarnaast is het ook terug te vinden in het Franse zn. brak ‘half gezouten haring’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brak1* [zilt] {brac 1477} etymologie onbekend; mogelijk verwant met breken omdat brak water half zout en half zoet is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brak 2 bnw. ‘zoutachtig’, mnl. brac. — Waarschijnlijk heet het brakwater naar zijn onaangename smaak en dan kan men het woord terugvoeren op idg. *bhrogos, een afl. van de idg. wt. *bher ‘snijden’ (waarvoor zie: boren), evenals brijn (Kluge-Mitzka 95). — > nhd. brackwasser (sedert 17de eeuw); > ne. brack (sedert 1513, vgl. Bense 23), brackish; > fra. brak ‘half gezouten haring’ (Valkhoff 74).

Een andere afleiding leidt het woord terug op idg. *mr-ogh-no, dat een afl. zou zijn van meer 1 (FW 89). Het is bedenkelijk voor een woord op zo een beperkt gebied voorkomend, uit te gaan van een idg. wt. — Men kan ook uitgaan van breken; dan dus gebroken, d.i. half zout, half zoet water’?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brak II (zoutachtig), mnl. brac. = mnd. brack. Vgl. nog eng. brack “brakheid” (uit ʼt Ndl.?), brackish “brak”. Kil. “wrack. Fland. j. brack. Acidus: et Salsus” kan geen oude anlautvariant zijn. Deze bet. van wrak is misschien opgekomen, doordat in andere bett. brak en wrak dicht bij elkaar stonden (Kil. “wrack, wraeck, brack. Improbus, reiiculus, vilis: dicitur de mercibus quibusdam minus probis”) en als wisselvormen van één woord werden gevoeld. Wsch. < idg. *mr-ogh-no (of met g, ĝ?), verwant met meer I: vgl. gr. brúx(kh) “afgrond van de zee”. Zie nog broek II en brijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brak II bnw. (zoutachtig). Wat betreft de idg. grondvorm, die germ. -kk- < idg. -ghn- (-gn-, -ĝn-) veronderstelt, zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brak 3 bijv.(zoutachtig), Mnl. brac, Ndd. brak, ook Eng. en Hgd. brack: met br uit mr, verwant met meer 1.; z. ook brijn en broek 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brak ‘zilt’ -> Engels brack ‘zout, zilt’; Schots † brack, brak ‘zilt, zout’; Duits brack; Brack ‘zilt; slecht; troebel; uitschot’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens brak ‘mengsel van vers en zout water’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brakk ‘zilt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels brak ‘zilt; alkalisch; brakheid, brakke grond’ ; Zuid-Afrikaans-Engels brak ‘zilt; ziltheid, brakke grond’; Papiaments brak ‘zilt’; Sranantongo brak ‘troebel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brak* zilt 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut