Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bracelet - (armband)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bracelet [armband] {braccletten 1555} < frans bracelet, van bras [arm] + de tweevoudige verkleiningsuitgang -elet < oudfrans brace, brasse [de armen] < latijn brac(c)hia, enk. brac(c)hium [onderarm, vervolgens arm] < grieks brachiōn [bovenarm], van brachus [kort]; de gedachtegang was dat de bovenarm korter is dan de onderarm → bras1, brassière.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brazzelèt (zn.) armband; < Frans bracelet.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

branzjelet, -lee, brazzelet, brazjelet, banselet, zn.: armband; handboeien. Ook Vlaams branzelee. Met n-epenthesis uit Fr. bracelet, dim. met dubbel suffix -el-et van bras ‘arm’ < Lat. bracchium.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

branzelee (E, L), zn. m.: armband. Met n-epenthesis uit Fr. bracelet, dim. met dubbel suffix -el-et van bras 'arm' < Lat. bracchium.

bruzeletten, brizeletten (G, L), zn. mv.: handboeien. Met voortonig gewijzigde klinker uit Fr. bracelet 'armband', dim. met dubbel suffix -el-et van bras 'arm' < Lat. bracchium. Vgl. Roeselaars branzjelette 'handboei'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

branzelee, branz(j)eljee, zn. m.: armband (D, I, K, O, P, D), handboei (B). In Roeselare evenwel betekent branzjelette ‘handboei’. Het is uiteraard het Franse woord bracelet ‘armband’ met n-epenthesis (vgl. pampier < papier, Duboncage < Dubocage). De betekenisverschuiving vanwege de gelijkenis. Bracelet is een dim. met dubbel suffix -el-et van bras ‘arm’ uit Lat. bracchium.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bracelet’ (de, -ten), schakelarmband. Pech had de straatrover die een gouden bracelet op de arm van een vrouw aan de Jodenbreestraat rukte (WS 20-11-1982). - Etym.: F (uitspr. aldus) en veroud. AN b. = armband i.h.a. - Zie ook: boei*.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1469. Iemand de manchetten aandoen,

d.w.z. iemand de handboeien aandoen; vgl. Woordenschat, 688: manchetten (mil.), handboeien; Dievenp. 170: Om 'm op zijn verhaal te laten komen lieten we 'm nog even uitstoomen vóór ie de manchetten aan kreeg; Slop, 66: 't Liefst deed hij (de politie) hem dadelijk de handmanchetjes aan; bl. 84: Zonder dat hij er nog aan dacht, lagen de boeien, de lieve, aardige ijzeren manchetten, al om zijn handen. Vgl. Rabben, die Gaunersprache, 88: Manschetten, Handschellen; daher Manschetten haben, in angst zitten (vgl. Kluge, Studentenspr. 106). Syn. van manchetten is paternosters (vgl. reeds Kiliaen, 853: pater nosters, duym-ijsers, manicae: nodi et vincula quibus manus constringuntur; Halma, 499: paternosters, handboeijen; Sewel, 633: paternoster, handboei; hy was gepaternosterd, he was manacled. Dit ww. komt eveneens voor in Amst. 95. Ook braceletten wordt, evenals het fr. bracelet, in dezen zin gebezigd; Köster Henke, 11; Nkr. II, 26 Jan. p. 2; 3; Nierstrasz, 44: Ga nu maar netjes meê, dan mag je los loopen, anders doen we je de braceletjes aan, dat weet je wel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut