Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braam - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

braam 1 zn. ‘vrucht van het geslacht Rubus
Misschien in de plaatsnaam onl. Bremith (onbekende ligging in Noord-Brabant) [1173-eind 13e eeuw; Künzel 98] (met umlaut uit onl. *brām ‘braamstruik’ en met het achtervoegsel -ithi); mnl. brame ‘braamstruik’ [1240; Bern.].
Os. brāmio ‘doornstruik’ (mnd. bram(ber); nnd. braam); ohd. brāma, brāmo ‘doornstruik’ (mhd. brame; nhd. Brombeere ‘braambes’, Bram ‘brem, braambes’); oe. brōm ‘brem’ (ne. broom ‘brem; takkenbezem’); < pgm. *brēm- ‘doornige struik’.
Dialectische varianten op -el (wrsch. verkleinwoorden) komen ook voor: Limburgs braomel, brommel, brummel, West-Vlaams bramel, bramer; ook Fries brommel (brommer, brommelbei, toarnbei). Al mnl. is brummel ‘bremstruik’ [MNHW]. Deze vormen komen overeen met: os. brāmal- in brāmalbusc ‘braamstruik’ (mnd. bramel); oe. brēmel, brǣmel ‘braam, braamstruik’ (ne. bramble); zie ook → framboos.
Pgm. *brēm- wordt meestal verbonden met pie. *bhrem- ‘spits uitstekend; punt, doorn’ (IEW 142) (dat zelf misschien bij pie. *bher- ‘uitsteken’ hoort), zie ook → brem. Deze etymologie is echter zeer onzeker. Eerder gaat het om een substraatwoord *mrēmo-, mogelijk verwant met het eerste woorddeel van → moerbei.

EWN: braam 1 zn. 'vrucht van het geslacht Rubus' (1173-eind 13e eeuw)
ANTEDATERING: onl. brāma 'braam' in: Bramhese 'Braamhese (onbekende plaats bij Xanten)' [1051-1100; ONW]
Later: braem [1469; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braam2* [vrucht] {brame, braem [braamstruik, de vrucht] 1201-1250} ablautend bij brem2; de grondbetekenis is ‘doornige plant’ → braam1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braam 1 znw. v. ‘braamstruik, -bes’, mnl. brāme ‘braamstruik, doren’, os. brāmio, ohd. brāma v. en brāmo m. ‘doornstruik’, mnd. brām, oe. brōm (ne. broom) ‘brem’. Daarnaast staan vormen met zeer verschillende klinker, allereerst brem, maar verder dial. breim (Aalst), breem (Brabant), met uml. vgl. os. brāmio?; in oostelijke dialecten: braomel (Limburg), brommel, brömmel, brummel, waar aan beantwoorden os. bramal (bramalbusc), oe. bremel (ne. bramble) ‘braambes, struik’ (vgl. ook plaatsnamen als Brommelen, Brummel, Brummen). — idg. wt. *bhrem, *bhrom, met m gevormd van *bher (zie: boren), met een betekenis ‘spits uitstekend, punt, doorn’. — Zie ook: berm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braam I (braamstruik, -bes), mnl. brâme v. (m.?). = ohd. brâma v., waarnaast brâmo m., os. brâmio (in samenst.) m. “doornstruik”. De bet. “brem”, die oudnnl. en nog in saks. diall. voorkomt, hebben ook mnd. brâm, ags. brôm m. (eng. broom, ook “bezem”). Vgl. nog noorw. dial. brôm “varen”. De vorm braam is de westelijk-ndl. “rubus”-naam, Aalstsch breim, brab. breem hebben wellicht umlaut van â (vgl. os. brâmio). De oost. diall. hebben gew. braomel (limb.), bräomel (achterh.) of met vocaalkorting voor m (zie bloem) brommel, brömmel (mnl. reeds zelden brummel m.), = os. (ohd.?) brâmal in brâmalbusc m. “braamstruik” (westf. brummelte, -ke “braambes”), ags. brêmel m. “id., struik” (eng. bramble). In ’t Fri. geheel andere namen. Vgl. brem en framboos. Wsch. verwant met braam II, dat bij een wortel voor “snijden” (“steken, scherp zijn”) behoort.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

braam I (-struik, -bes). Bij mnd. brâm, ags. brôm sluit zich aan owvla. (herb.) brâm ‘brem’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braam 2 v. (bezie), Mnl. brame, Os. brâmio + Ohd. brâma (Mhd. brâme, Nhd. brombeere), Ags. brémel (Eng. bramble): oorspr. onbek., echter verwant met brem 2. Uit Ndl. braambezie komt Fr. framboise, met dissim.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

braam I: pln. (spp. Rubus, fam. Rosaceae); Ndl. braam (Mnl. brame, Ndl. dial. breem/breim en brommel/brummel e.a.), hou verb. m. Eng. broom en bramble en Hd. brombeere, asook m. Ndl. brem en via Fr. m. framboos (q.v.).

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Braam (gewone), Rubus fruticosus
Rubus: is verwant aan het Latijnse ruber of rood. Nu zijn bramen zoals wij ze kennen zwart, maar ze starten als rode onrijpe vruchten.
Fruticosus: de plant lijkt op een Heester.
Bosbraam: braam betekent eenvoudigweg stekel zoals dat ook het geval is met de braam aan een mes of ander scherp voorwerp. Gewoon als voorvoegsel slaat op haar algemen voorkomen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braam* vrucht 1240 [Bern.]

braambes* bes van de braamstruik 1160 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut