Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braam - (oneffen kant aan mes, baard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

braam 2 zn. ‘oneffen rand’
Vnnl. breme, bremel ‘rand, zoom’ [1599; Kil.]; nnl. breme, brame, braam ‘oneffen rand’, bijv. in Als men er met de Reischaaf over loopt, om den braam van de gaten weg te neemen [1804; WNT], het mes vertoont braam [1860-61; WNT], braam ‘spoor van slijpen op mes of schaar’ [1872; Dale].
Mhd. brem ‘rand, boord’ (nhd. Bräme, Bräm); nfri. braam; me. brimme [ca. 1205] (ne. brim ‘bovenste rand’); < pgm. *brem- ‘rand’.
Over de etymologie bestaat onzekerheid. ODEE denkt aan pgm. *berm-, *barm- ‘opstaande rand’ als grondvorm, die dan behoort bij de wortel pie. *bher- ‘dragen’. Zo zou het dan verwant zijn met → berm. Het Middelhoogduits kent echter nauwelijks metathese, zodat de anlaut br- oorspr. lijkt. De stelling dat het om hetzelfde woord gaat als → braam 1 lijkt daarom waarschijnlijker, als tenminste uitgegaan wordt van een betekenis ‘uitstekende rand, doorn’.

EWN: braam 2 zn. 'oneffen rand'; de vorm braam (1804)
ANTEDATERING: de braam met een plat Graveerijzer afschrappen [1778; Chomel 5, 2720a]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braam1* [oneffen kant aan mes, baard] {breme [rand, boord] 1599} zal behoren bij brem2, middelnederlands brem(me), breme en braam2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braam 2 znw. v. ‘rand, draad van een mes’, naast breme bij Kiliaen, vgl. mhd. brem ‘omlijsting, rand’ en me. brimme (ne. brim) ‘rand’. — Hetzelfde woord als braam 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braam II (rand, draad van een mes en dgl.). Opvallende nnl. vorm naast Kil. breme. Zie berm en braam I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braam 1 v. (spoor van het slijpen), Kil. breme; vergel. Westvl. brandsnee, zoodat men het kan brengen tot On. brimi = vuur, Eng. brimstone + Skr. bhramati = dwarrelen: van denz. wortel als brems en brommen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

braam II: “oneffe rand of riffie aan snywerktuig”, ook bek. as baard; Ndl. braam (by Kil breme) hou verb. m. Eng. brim, “rand” en misk. verb. m. braam I, asook m. Ndl. berm, “rand”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

braam ‘oneffenheid aan mes; ruige, oneffen rand’ -> Deens † bræmme ‘kant, rand (vaak van kleding)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brem ‘rand van hoed’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bräm ‘zoom; kraag, rand; garneersel’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments bram ‘ruige, oneffen rand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braam* oneffenheid aan mes 1799-1811 [Weiland, Nederduitsch taalkundig wrdb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut