Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braak - (onbebouwd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

braak 2 bn. ‘niet bebouwd’
Mnl. braec stic ‘braakliggend stuk’ [1281; CG I, 571], als zn. die brake [1296; Flou II, 615] of in de samenstelling braeccouter ‘braakland’ [wrsch. 1200-50; MNW]; vnnl. in landt datmen braeck heeft laten liggen [1562; Kil.].
Ablautende vorm behorend bij de wortel van het werkwoord → breken; zie ook → braak 1.
Mnd. brak ‘braak’; nhd. brach; nfri. braak. Verwant zijn verder de zn. mnd. brake ‘braakland’; ohd. brāhha ‘eerste ploeging’ (nhd. Brache ‘onbebouwde grond’) en oe. brǣc ‘ongeploegd land’.
Het gebruik van de term heeft te maken met het drieslagstelsel, dat sinds de 9e eeuw bestaat. Omdat mest schaars was en daarom alleen werd gebruikt voor de grond die dicht bij de huizen lag, ontstond het systeem waarbij de grond een jaar bebouwd werd met winterkoren, een jaar met zomerkoren en een jaar braak bleef liggen. Daardoor kreeg de grond rust. Het braakliggend terrein werd dan wel gebruikt voor het vee. Als zn. betekende *braak dus oorspr. ‘het omwerken van grond zodat hij bemest en weer vruchtbaar kan worden’.
De uitdrukking braak liggen betekent zoveel als ‘het onbebouwd blijven liggen van een stuk grond’. Ook in andere Germaanse talen komt de uitdrukking voor: Duits brachliegen (< mhd. in brache ligen); Fries braak lizze (litte) ‘braak (laten) liggen’.
Lit.: R. Bautier/R. Auty (1981) Lexikon des Mittelalters II, München/Zürich, 536-537

EWN: braak 2 bn. 'niet bebouwd' (1281)
ANTEDATERING: eerst brake zn. 'braak land' [1269; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braak2* [onbebouwd] {braeck 1562, vgl. brake [braakland] 1269} oudiers branar [braakland], van braak1, denk aan land openbreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braak 2 in uitdrukkingen als braakliggen is evenals west. bråk, nhd. brach, fri. braek hetzelfde als braak 1, wel geabstraheerd uit samenstellingen als braakland, vgl. braeccouter. Braakland betekent dus het land, dat onbebouwd gelaten is en dan weer voor de eerste maal met de ploegschaar opengebroken wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braak II bijw., in de uitdr. braak liggen. Sedert Kil. Evenzoo nhd. brach, westf. bräk, fri. braek, de. brak (uit ’t Ndd.). Ontstaan uit braak I. Bij ’t opkomen van ’t bnw. (bijw.) zijn samenstt. als braak1and, mnl. braeccouter “id.” van invloed geweest, waaruit een bnw. braak geabstraheerd werd. Vgl. verder ook uitdr. als school liggen, zonder prepositie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braak 2 bijv.(onbebouwd), ontstaan uit de uitdrukking in de braak liggen, of uit samenst. als braakland, Mnl. braeccouter, waarin braak hetzelfde w. als braak 1 en bet. het losbreken van den grond na den oogst; Mnl. brake + Ohd. brâhha (Mhd. brâche, Nhd. brache, brach).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

braak 'diepgeploegd, gebroken land, akkerland ontgonnen in heidegrond'
Oude afleiding van het werkwoord breken, mnl. brake, breke 'diepgeploegd, gebroken land, akkerland ontgonnen in heidegrond', naar het breken van de harde bovengrond door diep te ploegen, ohd. brâhha 'eerste ploeging'. Het was oorspronkelijk een aanduiding voor nieuw ontgonnen land, het eerste stadium na de rooiing (vergelijk: anno 1295 lant dat wi brake van wilderde (bij Waalwijk)1, braec-acker, bij Kiliaan (1599) o.a. 'novale' (nieuw ontgonnen grond), braaktiend 'tiende geheven op nieuwland' en veldnamen met nieuw als Niebraek en Nijbraeck. Secundair was het jaarlijkse omploegen van het bouwland, waaraan het woord braecmaent voor de maand juni herinnert, en tertiair de betekenis 'niet gebruikt, braakliggend', ter aanduiding van een van de fases in het drieslagstelsel (gangbaar vanaf de 9e eeuw), waarbij een derde van de grond werd bebouwd met zomergraan, een derde met wintergraan en het laatste derde braak lag, om uitputting van de grond te voorkomen. Toponiemen met braak ontlenen hun naam zelden aan dit stelsel: ieder perceel lag immers eens in de drie jaar braak en een aan deze situatie refererend toponiem was niet onderscheidend.
Lit. 1Corpus Gysseling I 2186.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Braak liggen, vroeger en ook nu nog dialectisch : brake liggen, gedurende een tijd niet bezaaid worden, om als ’t ware weer op kracht te komen voor een nieuwe bebouwing, om uitputting te voorkomen. Waarschijnlijk is deze uitdrukking ontstaan uit te brake liggen, waarvan een enkel oud voorbeeld voorkomt, b.v. bij De Bruyn, Reizen I, 70 b: “Aldus leggen deze Eilanden, zo vruchtbaar als bekoorlijk, bijna gantsch en al te braak”, en waarin braak het abstract is van breken in den zin van omwerken van den grond vóór ’t zaaien, verg. [te] pal staan. Mogelijk is ’t ook, dat deze uitdrukking in eens naar analogie gevormd is van uitdrukkingen, waarin de t is verdwenen uit phonetische oorzaak.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Braak (liggen), afl. van breken; oorspr. den akker breken (= omwerken, ploegen) en bemesten. Braak liggen was dus: de akker gebroken laten liggen, niet bebouwen, en wel een jaar lang, om uitputting te voorkomen. – Ook braken (vomeeren) is hiermee verwant in de bet. van uitbreken, uitbraken, uitwerpen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

braak ‘onbebouwd’ -> Noors brakk ‘onbebouwde akker; onbebouwd’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels braak ‘onbebouwd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braak* onbebouwd 1562 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

340. Braak liggen,

d.w.z. gedurende eenigen tijd onbebouwd blijven liggen. Onder het znw. braak verstaat men oorspronkelijk ‘het omwerken en gedurende zekeren tijd onbezaaid laten van den grond (meestal gepaard met bemesting), hetgeen, telkens na zeker aantal jaren herhaald, aan het uitgeputte bouwland weder nieuwe kracht en vruchtbaarheid geeft’. Thans wordt braak gewoonlijk in passieven zin opgevat als ‘het onbebouwd blijven liggen van den grond’. ‘Braak liggen’ staat dan hoogstwaarschijnlijk voor te brake liggen, dat ook een enkele maal is aangetroffen; vgl. zoek raken voor te zoek raken; schrap staan voor te schrape staan; pal staan voor te palle staan, enz. De uitdrukking is opgeteekend in de 17de eeuw, en is eveneens bekend in het nd. brak liggen; in het hd. brach liegen, in der Brache liegen; fr. rester en friche, laisser en friche, rester en jachère; laisser en jachère; fri. braak lizze. Zie het Ndl. Wdb. III, 953 en 957.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut