Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braak - (het breken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

braak 1 zn. ‘het openbreken’
Mnl. braek ‘verbreking’ [1254; CG I, 56], brake bijv. in de samenstelling vredebrake ‘vredebreuk’ [15e eeuw; MNW], brake ‘stuk, brok’ [1300-50; MNHWS], brake ‘werktuig om iets te breken, meestal vlas’; nnl. braak ‘het verbreken, het openbreken (van een afsluiting)’ [1800-50; WNT].
Ablautvorm behorende bij de wortel van het werkwoord → breken.
Mnd. brake ‘werktuig om vlas te breken’; nfri. braak; me. (wrsch. < mnl. of mnd.), brake ‘werktuig om (vlas enz.) te braken of te kneden’ [1450].
Braak komt ook voor in samenstellingen als → inbraak, doorbraak ‘het doorbréken, het dóórbreken’ [1764-75; WNT], uitbraak ‘ontsnapping’ [1810; Weiland] en verouderd huisbraak ‘inbraak’ [1630; WNT]. Verwant met braak zijn het Middelnederlandse zn. brake, ‘braakland’ (met daarbij het bn.braak 2 ‘onbebouwd’) en het werkwoord braken ‘radbraken’ [1300-50; MNW] ook ‘land braken, vlas braken, nachtbraken, overgeven’, zie hierbij de moderne woorden → braken, → nachtbraken, → radbraken.

EWN: braak 1 zn. 'het openbreken' (1254*)
ANTEDATERING: Onl. eerst braka 'kreupelhout' in het toponiem Brakela 'Brakel' [736, kopie 941; ONW]
{In de lijst met attestaties in het EWN moeten de volgende wijzigingen worden aangebracht. De eerste attestatie schrappen omdat break hier een vorm van breken is. Bij de tweede attestatie moet de datering als volgt gewijzigd worden: [1309; iMNW]. De vierde attestatie moet als volgt gewijzigd worden: vnnl. braecke 'het breken, werktuig om vlas te breken' [1599; iWNT]. De laatste attestatie kan beter vervangen worden door: nnl. braak 'inbraak' [1717; Marin].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braak1* [het breken] {brake 1451-1500} afgeleid van breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braak 1 znw. v., vooral in samenstelling als afbraak, inbraak, mnl. brāke ‘verbreken, gemis, braakland, werktuig voor vlasbreken’, os. mūrbraka ‘stormram’, ohd. brahha ‘eerste ploeging’, mnd. brāke ‘braakland, werktuig voor vlasbraken’. — Gevormd van het ww. breken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braak I znw., in de alg. taal vooral in samenst.: afbraak, inbraak. Mnl. brake v. beteekent o.a. “het verbreken, gemis, braakland, werktuig voor (vlas)breken”. = laat-ohd. brâhha v. “aratio prima” (nhd. brache), os. mûrbraka v. “stormram”, mnd. brake v. “werktuig voor vlasbreken, braakland” (e.a. bett.). Wgerm. *brâkô- : breken = spraak : spreken. Hiernaast *brakô-: NB. achterh. brāke “werktuig voor vlasbraken, bouwvallig huis”: braoke “gebroken land”, òfbraok “afbraak”, westf. brāke “werktuig voor vlasbraken, takjes”: bnw. bräk “braak”. Zie braken. Wsch. is voor ndl. braak ook een dubbele grondvorm, met ă (mnl. ā) en â, aan te nemen. Onwsch. is ’t, dat kymr. braenar, bret. breinar “braakland” met idg. *bhragn- hierbij hooren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

braak I znw. Eng. brake (reeds meng.) ‘werktuig om te braken of te kneden’ is van het vasteland ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braak 1 v. (breking, inbraak, werktuig), van denz. stam als 't meerv. imp. van breken; z. braak.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

braak ‘houten toestel voor de vlasbraak’ -> Engels brake ‘houten toestel voor de vlasbraak; kneedmachine; houten molen; zware eg; gereedschap om te ontschorsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braak* inbraak, huisbraak 1843 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut