Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braai - (kuit van het been)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braai* [kuit van het been] {brade, braye, bra [kuit, spier, vezel] 1351} oudhoogduits brat, brato, oudengels braede, oudnoors brāð [het vlees van het lichaam], niet verwant met braden, maar mogelijk met murw. In de betekenis ‘gebraden vlees’ hebben wij te maken met invloed van braden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braai v., Mnl. brade = kuit, week deel van het been, spier, Os. brâdo + Ohd. brât en brâto (Mhd. brât en brâte, Nhd. braten), Ags. bræ'de, On. brát = het vleesch, de weeke deelen van het lichaam, niet verwant met braden, maar, indien br uit mr, met murw. De bet. gebraden vleesch is aan invloed van braden te wijten; z. ook wildbraad.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

braai, zn.: plak (vlees); kuit van het been. Brabants ook ‘kuit van het been; achterwerk, zitvlak, kont’. Hetzelfde woord - maar met glijder - als Wvl. bra, door d-syncope uit Mnl. brade, bra ‘kuit, spier’, Vnnl. bra van den beene ‘le mol et gros ou souriz de la jambe’ (Lambrecht), braede, braeye, kuyte des beens ‘kuit’ (Kiliaan). Os. brâdo ‘ham, kuit’, Oe. bræ^de ‘vlees’, On. brâð ‘vlees van jachtdieren’, Ohd., Mhd. brât ‘vlees, zachte delen van het lichaam’, D. Brät ‘worstvlees’, naast Ohd. brâto, Mhd. brâte, D. Braten, Mnd., Mnl. brade ‘braadstuk’. De oorspr. bet. schuilt nog in wildbraad, D. Wildbret ‘vlees van geschoten wild’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

braaike, zn.: kleine hoeveelheid bakvis. Dim. van braai < brade < braden. Dus een hoeveeheid vis die in één keer gebraden kan worden. Vgl. Wvl. zootje vis ‘hoeveelheid die in één keer gezoden, gekookt kan worden’.

brade, braai, zn.: plak ham of spek; ribbetje, kotelet. Hetzelfde woord als braai 1.

braai 1, broe, brooi, brui, brauw, bree, zn.: kuit van het been; achterwerk, zitvlak, kont. Hetzelfde woord - maar met glijder - als Wvl. bra, door d-syncope uit Mnl. brade, bra ‘kuit, spier’, Vnnl. bra van den beene ‘le mol et gros ou souriz de la jambe’ (Lambrecht), braede, braeye, kuyte des beens ‘kuit’ (Kiliaan). Os. brâdo ‘ham, kuit’, Oe. bræ^de ‘vlees’, On. brâð ‘vlees van jachtdieren’, Ohd., Mhd. brât ‘vlees, zachte delen van het lichaam’, D. Brät ‘worstvlees’, naast Ohd. brâto, Mhd. brâte, D. Braten, Mnd., Mnl. brade ‘braadstuk’. De oorspr. bet. schuilt nog in wildbraad, D. Wildbret ‘vlees van geschoten wild’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

braai (Al, B, G, W), zn. v.: kuit van het been. Hetzelfde woord - maar met glijder - als Wvl. bra, door d-syncope uit Mnl. brade, bra 'kuit, spier', Vnnl. bra van den beene 'le mol et gros ou souriz de la jambe' (Lambrecht), braede, braeye, kuyte des beens 'kuit' (Kiliaan). Os. brâdo 'ham, kuit', Oe. bræ^de 'vlees', On. brâð 'vlees van jachtdieren', Ohd., Mhd. brât 'vlees, zachte delen van het lichaam', D. Brät 'worstvlees', naast Ohd. brâto, Mhd. brâte, D. Braten, Mnd., Mnl. brade 'braadstuk'. De oorspr. bet. schuilt nog in wildbraad, D. Wildbret 'vlees van geschoten wild'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

braai kuit (Zuid-Nederland). = os. brado ‘id.’ = hgd. braten znw. = ono. brað ‘vlees’. ≠ ww. braden. Misschien ~ murw. Vgl. voor de vorm ambrozijn ‘spijs van de onsterfelijke goden’ naast lat. morior ‘ik sterf’.
TNZN IV 8, Kluge 96.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bra (DB, FV), zn. v.: kuit (van het been). Mnl. brade, bra ‘kuit, spier’, Vroegnnl. bra van den beene ‘le mol et gros ou souriz de Ia jambe’ (Lambrecht), braede, braeye, kuyte des beens ‘sura, gastrocnemium, venter cruris’ (Kiliaan). Os. brâdo ‘ham, kuit’, Oe. bræde ‘vlees’, On. braö ‘vlees van jachtdieren’, Ohd., Mhd. brat ‘vlees, zachte delen van het lichaam’, D. Brät ‘worstvlees’, naast Ohd. brâto, Mhd. brâte, D. Braten, Mnd., Mnl. brade ‘braadstuk’. De oorspr. bet. schuilt nog in wlldbraad, D. Wildbret ‘vlees van geschoten wild’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut