Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bovenbaas - (iemand die het voor het zeggen heeft)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bobaas s.nw.
Iemand wat ander ver oortref.
Samestelling van bo en baas, so genoem omdat iemand wat ander ver oortref se vermoë bo daardie persone s'n is en hy of sy gevolglik hulle meerdere, of baas, is. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die bet. 'hoof, baas, prinsipaal'.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

breinbaas [uitdrukking] (1949). Op 31 december 1949 verschijnt ‘Tom Poes en Kweetal, de breinbaas’, een verhaal uit de Bommelsaga van stripauteur Marten Toonder (1912-2005). Breinbaas wordt opgenomen in de Nederlandse taal met als betekenis ‘zeer knappe man’ (schertsend). Marten Toonder heeft veel woorden gemunt in de stripverhalen over Ollie B. Bommel en Tom Poes, en vaak zijn deze woorden doorgedrongen in het dagelijks taalgebruik. Voorbeelden zijn: schicht ‘oude auto’ (Bommel verplaatst zich in een ‘Oude Schicht’), denkraam ‘denkvermogen’ (1950), dorknoper ‘saaie, strenge ambtenaar’ (1951), bovenbaas ‘iemand die het voor het zeggen heeft’ (1963), minkukel ‘dom persoon’ (1963), en grofstoffelijk ‘ruw, onbehouwen’ (1975). Naar J. Grootgrut, handelaar in comestibles, die vanaf 1953 optreedt, is grootgrutter als benaming voor de winkelketen Albert Heijn opgekomen. Grutter bestond al voor een winkelier in gort, meel, bonen en erwten, maar de naam Grootgrut is een vondst van Toonder. In netelige situaties hoor je nogal eens de uitroep ‘Tom Poes, verzin een list!’, en ook het relativerende ‘Hm, zei Tom Poes’ wordt regelmatig gebruikt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bovenbaas* iemand die het voor het zeggen heeft 1963 [Heer Bommel en de bovenbazen]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bovenbaas, informele benaming voor degene die in een bepaalde tak, een bepaald bedrijf de touwtjes in handen heeft. Term van striptekenaar Marten Toonder; zijn boek De bovenbazen verscheen voor het eerst in 1963.

Er is zo een team ontstaan, het ‘monobilinguaal beleidsteam’, de bovenbazen in de lexicografie. (Het Parool, 23/08/86)
Ik heb later de beelden teruggezien en ik zag er niets bijzonders aan af, maar in Hilversum, bij de bovenbazen, rinkelden op dat moment alle bellen. (Mart Smeets: Stoempen, snot en sterven, 1991)
En wat ook niet meevalt, is de hiërarchie in de bedrijven. De bazen en de bovenbazen op de werkvloer. (De Volkskrant, 25/10/91)
Je hebt dus bazen en bovenbazen en vooral ook veel voetvolk. (Nieuwe Revu, 20/02/92)
Deze verkwisting is nog niet genoeg, vonden de politieke bovenbazen. (Algemeen Dagblad, 30/10/93)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut