Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boven - (op een hoger gelegen plaats); (hoger dan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boven bw. ‘op een hoger gelegen plaats’; vz. ‘hoger dan’
Mnl. bouen [1220-40; CG II, Aiol].
Gevormd met het Proto-Germaanse voorvoegsel *bi- (zie → be-, en zo ook in bijv.beneden) bij *ōven ‘boven’, een vorm die nog voorkomt in onl. ouene [ca. 1100; Will.].
Met voorvoegsel komt dit woord alleen in de Noordzee-Germaanse dialecten voor: os. bi-oban (mnd. boven, baven; nnd. boven); Midden-Duits boben(e); ofri. bova (nfri. boppe); oe. be-ufan, bufan (me. bove; ne. above). Zonder voorvoegsel: os. oban, obana; ohd. obana (nhd. oben); ofri. ova; oe. ufanl on. ofan (nzw. ovan ‘boven’); < pgm. *ufana- ‘(van) boven’, dat is afgeleid uit *uf- ‘boven’ (> ohd. oba (mhd. obe, ob; nhd. ob); oe. ufe-; on. of; got. uf) en het achtervoegsel *-ana, dat oorspr. een richting aangaf. Met een andere uitgang is → over gevormd, zie aldaar voor niet-Germaanse cognaten.

EWN: boven bw. 'op een hoger gelegen plaats'; vz. 'hoger dan' (1220-40)
ANTEDATERING: onl. bovan 'boven' (vz.) in: bouon ther burg porten 'bovenop de stadspoort' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boven* [hoger] {1220-1240} van middelnederlands bi-, be- + oven [boven] (oostelijk middelnl., vgl. hoogduits oben); de vorming is een parallel van binnen, buiten, beneden en middelnederlands bachten. De uitdrukking te boven komen is ontleend aan het zeilen, men zei bv. ‘een hoek te boven komen’, dat is ‘zodanig varen dat de hoek aan lij blijft, bezeild is’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boven voorz. bijw., mnl. bōven, mnd. bōven, bāven, mhd. boben, ofri. bova, oe. bufan (ne. above) ‘boven’. Het os. bioƀan wijst op een samenstelling van het voorvoegsel bi (zie: be-) en mnl. ōven, os. oƀan, oƀana, ohd. obana, ofri. ova voorz. bijw. en oe. ufan, on. ofan bijw. ‘boven’. Het is dus gevormd evenals binnen en buiten; voor het grondwoord zie: over.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boven voorz. en bijw., mnl. bōven. = mhd. (vooral md.) boben(e) bijw. voorz., os. bi-oƀan bijw., mnd bōven, bāven bijw. voorz., ofri. bova, ags. bufan bijw. voorz. “boven” (eng. a-bove). Uit bi (be-) + mnl. (hap.leg.) ōven voorz., Teuth. oeven, ohd. obana (nhd. oben), os. oƀan, oƀana bijw., ofri. ova voorz. bijw., ags. ufan, on. ofan bijw. “boven”, in sommige talen ook in de oudere beteekenis “van boven”. Zie verder bij den formantischen variant over en voor de formatie van boven vgl. binnen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bachten bijw., met praef. be- en suff. -en uit achter gelijk boven en beneden uit over en neder; vergel. ook binnen en buiten uit in en uit. Die vormen bestonden reeds in de oudere Germ. talen; vergel. nog Ags. bútan, Eng. but = buiten, uitgenomen, maar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bove (vz.) boven; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) boven, Vreugmiddelnederlands bouen <1220-1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boven, (ook:) 1. (bw.), op een stroomopwaarts gelegen plaats. () dat Cofi die boven met zyn volg en daet hy gehoort haede daet die andre volg by joelui gekomen waeren om vegten zeer quawd waes () (Coffy en Accara 1763, cit. volgens Lichtveld & V. 1980: 81; oudste vindpl.). - 2. (zn.; de), bovenverdieping. Het huis, dat ze met moeder en zuster* bewoonde, was aanzienlijk groter dan de rest. Het had een gadri, een botri* (gaanderij, bottelarie*) en een boven (Dobru 1967: 23). - Zie i.v.m. 1 ook de samenst. en beneden* met samenst.
— : naar boven bw. uitdr., (ook:) in stroomopwaartse richting. Vertrek van gouddelvers na genoten Kerst- en Nieuwjaarsvacantie naar ‘boven’, de rivier op, naar de ‘placers’* zoals de goudplaatsen genoemd worden (Waller 100). - Etym.: Zie boven* (1). Oudste vindpl. van 1684 {nae boven; S&dS 136). In AN voorkomend, maar zeer weinig gebr. Vgl. S tapsé = bovenkant; S go tapsé = stroomopwaarts gaan. - Zie ook: bovenwaarts*, opwaarts*, beneden* met samenst.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bo: – bowe(n)/boon- (bv. bokant, bowetoon, bowenal, boonop) – , “beter, hoër, meer”, ens.; Ndl. boven, soos Ndl. en Afr. binne(n), buite(n), ens., met voorv. be- afg. v. ’n wd. wat ons nog in Mnl. kry as oven, in Hd. oben en met a- vooraan in Eng. (a)bove, verw. aan Afr. oor/ower, Ndl. over, Eng. over, Hd. ober/über.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boven ‘hoger, op, omhoog, aan de bovenkant’ -> Deens boven-, bovenboven ‘(scheepvaart) verlengingen van masten, stangen, zeilen e.d.’; Noors boven- ‘(maritiem) hoog, aan de top’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch bofen ‘hoger, op, omhoog’; Ambons-Maleis boven ‘omhoog’; Javindo bofen ‘hoger’; Negerhollands boven, bovo, bobo, bu, bo ‘op, bovenop’; Berbice-Nederlands bofu ‘hoger; bovenkant’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) above ‘oost (nautische term)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boven* voorzetsel 1220-1240 [CG II1 Aiol]

boven* bijwoord van plaats 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

334. Er boven op komen.

Een elliptische uitdrukking, waarbij een znw. is weggelaten, dat als bekend ondersteld en door het onbep. vnw. er vervangen wordt. Boven geeft den toestand van den persoon te kennen, die zich boven de eene of andere moeilijkheid verheft. Zoo beteekent de geheele uitdrukking: uit den druk van ziekte of armoede, vernedering of ellende, tot gezondheid, welvaart, aanzien, geluk raken. Vandaar dat iemand er boven op helpen (hd. einem aufhelfen), syn. van dial. iemand op den bok helpen, gebruikt wordt in den zin van maken, dat hij er boven op komt; is dit gelukt, heeft hij geen moeilijkheden meer te vreezen, is hij uit den nood, heeft hij, wat hij verlangt, dan is hij er boven op, dan is hij haalover ('t Daghet XI, 35); vgl. Sart. III, 6, 98: Nu ben ick weder daer boven op, de iis qui in extremas redacti calamitates, ab iisdem denuo in pristinam felicitatem restituuntur. In Zuid-Nederland ook gebruikt ter aanduiding der gemoedsstemming, die het gevolg is van voorspoed en welvaart. Zie Ndl. Wdb. III, 849; XI, 312; De Bo, 176; Antw. Idiot. 288; Teirl. 204; Schuermans, Bijv. 50, en onze uitdr. het er boven op halen; vgl. fr. prendre le dessus; hd. obenauf sein; wieder obenauf kommen.

335. Te boven komen.

Een uitdrukking aan het zeewezen ontleend, waarin men zegt: een schip, een hoek, een kaap, een klip, enz. te boven zeilen, halen, komen, loopen, d.w.z. te loefwaart (aan die zijde waar wind of stroom vandaan komt) een schip, een hoek, eene kaap, een klip enz. voorbijzeilen; bepaaldelijk gebezigd, wanneer dit met moeite of gevaar verbonden is. Vandaar bij overdracht toegepast op rampen, bezwaren en hinderpalen, waarmede men te kampen heeft, ze overwinnen, zich er doorheen slaan. Heeft men de moeilijkheden overwonnen, en dus achter den rug, dan is men ze te boven, vandaar dat te boven als praedicatieve bepaling gebezigd wordt in den zin van: (zich) boven iets verheven (hebbende), onaantastbaar voor -, buiten bereik van hetgeen er in het voorgaande genoemd is. Zie voor dit alles het Ndl. Wdb. III, 847 en 850-851; de volledige uitdrukking dateert uit de 17de eeuw.

2525. Boven water zijn,

d.w.z. uit den nood, uit de moeilijkheid zijn; eig. gezegd van iemand, die in het water is gevallen en het hoofd weer boven weet te krijgen; vgl. ook het hoofd boven (water) houdenVgl. Poirters, Hof v. Theod. 34: Op dat de verdruckte Christenen eens mochten verquicken, en het hooft boven krygen; Pers, 535 a; 911 a: het hoofd boven houden; De Brune, Bank. I, 395; II, 52: de kin boven water houden; Ndl. Wdb. III, 813; Harreb. I, 327; De Telegraaf, 2 Dec. 1914 (avondbl.) p. 9 k. 2: Cor Ruys, die zijn kop boven water weet te houden, tegen al de beroerdigheid in; Handelsblad 2 Maart 1915 (avondbl.) p. 9 k. 3: Steeds had zij, zeide ze, gesloofd en geploeterd om het hoofd boven water te houden; De Arbeid, 27 Maart 1915 p. 1 k. 3: Hebben in normale tijden de arbeiders moeite om het hoofd boven water te houden, in dezen tijd is het met den stoffelijken nood der arbeiders meer dan treurig gesteld; Het Volk, 9 Aug. 1915 p. 6. k. 2; hd. sich überm Wasser halten; eng. to keep (or hold) one's head above water., zich weten staande te houden; het fr. revenir sur l'eau, échapper à la ruine; hd. wieder über Wasser kommen; eng. to be above water. Zie Winschooten, 348: Booven Water syn, geen vrees hebben voor schaade; Halma, 768: Boven water zijn, behouden zijn, niet te vreezen hebben, être en sureté, n'avoir rien à craindre; Sewel, 138: Boven water zyn, to be save, out of the scrape; Ten Doornk. Koolm. III, 521 a: wër bafen water kamen od. wesen, wieder über Wasser kommen, nicht mehr in Gefahr sein. De uitdr. (weer) boven water zijn (of komen) wordt ook gebezigd van iemand, die een tijd onder water (weg, ziek of aan het zwieren) is geweest en weer te voorschijn komt; zie no. 2526; vgl. Sjof. 217: Die knul was altijd ziek of onderweg en als ze dan om vijf uur 's morgens beginnen mosten, lag die jongen op z'n nest. En as-t-ie eindelijk boven water kwam, was-t-ie nog te lam om een poot uit te steken; bl. 219: Na twee dagen kwam-d-ie boven water, met één gulden en tien cente in zijn zak; Persl. 97: 't Is ook 'n manier van die zwabber in drie dagen niet boven water te komen zonder 'n woord te zeggen of te schrijven; fri. boppe wetter wêze.

1012. Boven Jan zijn,

d.w.z. de moeilijkheden te boven zijn; in Vlaanderen ook: tot welstand gekomen zijn (Schuermans, Bijv. 50 a). In bijna gelijken zin aldaar: Piet boven Jan zijn, weer frisch en gezond zijn als te voren (Schuerm. 447 a). In het land van Waas: Jan uit zijn, in 't kaartspel, slagen genoeg hebben om te winnen, en Jan uit zijn, gewonnen hebben, uit den nood zijn (vgl. Waasch Idiot. 312 b); in Kl. Brab. uit Jan zijn. Hij is Jan boven op, hij is er boven op, hij is boven alles, hij zegepraalt (Schuerm. Bijv. 139 b); in het Antw. Idiot. 288: boven Jan zijn, wanen dat men boven een ander is; elders in Zuid-Nederland uit Jan zijn, boven de vijftig jaar zijn (Volkskunde XI, 160) of uit de Jan zijn (Teirl. II, 93). Ook in Oost-Friesland: hê is bold wër bâven Jan (Ten Doornk. Koolm. I, 139 a), gauw weer klaar, alles te boven; in de Rijn-provincie den is bôven Jan (Eckart, 234). In de 18de eeuw is de uitdr. vrij gewoon; zie o.a. Sara Burgerhart, 143 (ed. Stellwagen); C. Wildsch. III, 212 (ik ben boven Jan); Abr. Blank. I, 228 (beneden Jan zijn); Halma, 234: Iemand jan maaken, faire quelqu'un un jean au jeu, gagner double, dat hij wederom vertaalt door Jan maaken, Jan speelen, dubbeld winnen. Tevens deelt hij mede, dat men in het Fransch onder Jean verstaat een term, de grand triquetrac, comme on le joue en France. On se sert de ce mot quand on a six casesEen case is twee schijven op een en dezelfde vlam, een band. dans l'une ou l'autre des deux tables; si c'est dans la première on l'appelle petit Jean; et si c'est dans la seconde, on l'appelle grand Jean. VolbandVgl. Hatzfeld, 1343, die eveneens mededeelt dat een Jan in het trictracspel is ‘un coup par lequel un joueur perd des points, ou en fait perdre à l'autre’, en vooral Navorscher XI, 182, alwaar eene uitvoerige beschrijving van dit spel te vinden is.. Hieruit blijkt dat Jan zijn, enz. een term is, die gebruikt wordt in het een of ander spel, hetgeen bij ons inderdaad het geval is o.a. bij het jassen, waar boven Jan zijn beteekent, dat men een zeker aantal punten, gewoonlijk vijftig, heeft behaald en niet double of triple verliest (hd. aus dem Schneider sein). Heeft men minder punten behaald, dan is men onder of beneden Jan (vgl. het Zaansch: hij is kien (ontleend aan het kienspel), hij is binnen, buiten gevaarBoekenoogen, 425.. Verloor iemand dubbel, dan zal men hem een Jan genoemd hebben (in het hd. Schneider of Schuster), een stumperd, een sukkel, een ongelukkige (vgl. een Jangat, Janhen, een Hannes; fr. Jean cocu (ook alleen un Jean), Jean Fesse, Jean Farine; hd. ein Dummerjan; Liederjan), zoodat iemand Jan maken zou kunnen beteekenen: iemand een stumperd, het kind van de rekening maken, bepaaldelijk hem doen verliezen, en wel dubbel doen verliezenTuinman I, 265 zoekt de verklaring ook in die richting: Hy is beest gemaakt, dat zegt men ook, Hy is Jan, en 't drukt uit, hy heeft niet eens in 't spel gewonnen. Wil dat Jan zeggen Jan kan niet? Bij Harreb. III, V staat vermeld Hij is Kaatje, hij heeft geen enkel punt in 't biljartspel gemaakt (vgl. het is gedaan met Kaatje).. Zie ook Ndl. Wdb. VII, 192-193.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal