Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bouwvallig - (vervallen; op het punt van instorten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bouwvallig bn. ‘vervallen; op het punt van instorten’
Mnl. die huyse eensdeels bouvellich sijndt ‘de huizen, voor een deel bouwvallig zijnde’ [1450-1500; MNW]; Bouw-vallighen muer ‘vervallen muur’ [1599; Kil.].
Samenstelling van het zn. bouw ‘gebouw’, zie → bouwen, → gebouw, en het bn. vallich ‘neiging tot vallen hebbend’, dat een afleiding is van het werkwoord → vallen: vnnl. vallich, valachtich [1573; Thes.]. De oudste attestatie bouvellich komt uit Overijssel en vertoont Oostnederlandse umlaut van de -a-. Wrsch. heeft Duitse invloed meegespeeld bij het ontstaan van het Nederlandse woord.
Mnd. buw(e)vellich ‘bouwvallig, gebrekkig’; mhd. buvellec ‘bouwvallig’ (nhd. baufällig); nfri. bou-, bukfallich.
bouwval zn. ‘ruïne’ [begin 17e eeuw; WNT]. Afleiding van het bn., mogelijk ontstaan onder invloed van Duits Baufall.

EWN: ♦ bouwval zn. 'ruïne' (begin 17e eeuw)
ANTEDATERING: bouwval [1642; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bouwvallig [vervallen] {bouvellich 1451-1500} middelnederduits buwevellich < hoogduits baufällig, vermoedelijk < baufallende, o.i.v. de samenstellingen op -fällig, (fußfällig e.d.). Van bouw + vallen. Het zn. bouwval is gevormd bij bouwvalligbouwen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bouwvallig bnw., mnl. bouvellich (laat en oostelijk), mnd. būwevellich (laat), nhd. baufällig (sedert de 16de eeuw) is met het -ig suffix gevormd van bouw en vallen. Men beschouwt het duitse woord als veranderd uit een deelw. baufallende onder de invloed van de talrijke duitse samenstellingen met -fällig (vgl. schwerfällig, fuszfällig). Wellicht is het nl. woord onder invloed van het duits opgekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bouwvallig bnw., mnl. (laat, oostelijk) bouvellich; dit bestaat evenals hd. baufällig (1400 pauvellig “im bau verwahrlost”), laat-mnd. bûwevellich “bouwvallig” uit bouw, den stam van vallen + -ig. Wsch. in Nederland onder du. invloed opgekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bouwvallig bijv., afgel. van bouwval = ruïne; met umlaut Mnl. bouvellich + Hgd. baufällig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bouvallig b.nw.
Vervalle, reg om in te stort.
Uit Ndl. bouwvallig (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm boufallig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bouwvallig (Duits baufällig)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bouwvallig vervallen 1451-1500 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut