Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bouwen - (het land bewerken, een huis optrekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bouwen ww. ‘construeren’
Onl. buuuan /boewan/ ‘wonen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bouwen ‘bewonen’ [1377; MNW], buwen ‘construeren’ [14e eeuw; MNW], bouwen ‘verbouwen, bewerken’ [1475; MNW].
Een wijdverbreid Indo-Europees erfwoord, waarmee ook de presensvormen ben en bent van het werkwoord → zijn 1 verwant zijn, evenals de Engelse infinitief be ‘zijn’. Uit de oorspr. betekenis ‘zijn’ heeft zich die van ‘op één bepaalde plek zijn’ en daardoor ‘wonen’ kunnen ontwikkelen, en nog later de huidige betekenis ‘construeren’.
Os. būan, ohd. būan ‘(be)wonen, verbouwen’ (mhd. buwen ‘wonen, bebouwen’; nhd. bauen ‘bouwen’); ofri. būwa, bōwa ‘bewonen, bouwen’ (nfri. bouwe ‘bouwen’); oe. būan ‘(be)wonen’; on. búa ‘(be)wonen, inrichten, in orde maken’ (nzw. bo ‘wonen’); got. bauan (met andere ablaut) ‘(be)wonen’; < pgm. *bū(w)an- ‘ontstaan, worden, zijn’.
Hiermee zijn verwant: Latijn fui (perf.) ‘ik ben geweest’; Grieks phúein ‘verwekken’, phúesthai ‘worden’; Sanskrit bhávati ‘hij is, wordt’; Perzisch būdan ‘zijn, worden, bestaan’; Litouws búti ‘zijn’; Oudkerkslavisch byti ‘zijn’ (Russisch byt', Tsjechisch být); Oudiers ro-boi ‘hij was’, buith ‘zijn’; Albanees buj ‘ik woon, huur’. De bijbehorende wortel is pie. *bheuH- ‘groeien, worden, zijn, wonen’ (IEW 146).

EWN: bouwen ww. 'construeren'; de vorm bouwen (1377)
ANTEDATERING: bouwen 'bewonen' en 'bebouwen' [1300-25; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bouwen1* [het land bewerken, een huis optrekken] {oudnederlands buon [wonen] 901-1000, middelnederlands bouwen [bouwen, bewonen, zich bevinden]} oudsaksisch, oudhoogduits buan, oudfries buwa, oudengels buan, oudnoors búa, gotisch bauan; buiten het germ. latijn fui [(ik) was], grieks phuō [ik doe groeien, ik laat ontstaan], litouws būti [zijn], oudkerkslavisch byti [idem], oudindisch bhāvuyati [laten worden, scheppen] (een causatief).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bouwen ww., mnl. bouwen, būwen ‘bewonen, bearbeiden, bouwen’, os. būan ‘wonen’, ohd. būan ‘bewonen, bebouwen’, ofri. būwa, bōwa ‘bewonen, bouwen’, oe. būan ‘wonen, bewonen’, on. būa ‘wonen, bewonen, in orde maken’, got. bauan ‘wonen, bewonen’. — lat. fui ‘was’, gr. phúō ‘verwekken’, phúomai ‘worden’, oi. bhavati ‘is, wordt’, osl. byti ‘groeien, zijn’, lit. buti ‘zijn’, oiers ro-bōi ‘was’ (IEW 147-150). — Zie: boer, buur, boedel en ben 1.

Pokorny geeft als betekenissen van de idg. wt. op ‘groeien, gedijen’ (misschien = ‘zwellen’) > ‘ontstaan, worden, zijn’ > ‘ergens zijn, wonen’. Dit is een zuiver verstandelijke constructie; het is mogelijk dat de betekenissen zich uit een gemeenschappelijk centraal begrip ontwikkeld hebben, die in elk geval met het boerenleven samenhing. Het is opmerkelijk, dat reeds zo vroeg in het idg. de abstrakte betekenis ‘worden, zijn’ voor de dag treedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bouwen ww., mnl. bouwen, bûwen “bewonen, bearbeiden, bouwen” (e.a. overdracht. bett.). = ohd. bûan “(be-)wonen, bebouwen” (nhd. bauen), os. bûan “wonen”, ofri. bûwa, bowa “bewonen, bouwen”, ags. bûan “(be)wonen”, on. bûa “(be)wonen, in orde maken”, got. baûan “(be)wonen”, germ. *ƀû-anan “wonen, bewonen”. Verwant met ier. buith “zijn”, lat. fuî “ik ben geweest”, gr. phúō “ik verwek”, phúomai “ik word, groei”, obg. byti, lit. búti “zijn”, alb. bųj “ik woon, huur”, oi. bhávati “hij is, bestaat, wordt, ʼt gebeurt”. Zie nog boer, buur, boedel en ben I. De oudste bet. van den wortel bhû-, bhewâ-, bhewê- was wsch. “groeien”. Deze heeft wellicht nog in ʼt oudste Germ. bestaan, blijkens boom (ook bies?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bouwen 2 o.w., in boter, kalk bouwen, is 1. bouwen = bewerken; in zee bouwen, is 1. bouwen = verblijf houden.

bouwen 1 o.w. (oprichten), Mnl. bouwen, buwen, Os. bûan + Ohd. bûan (Mhd. bûwen, Nhd. bauen), Ags. búan, Ofri. búwa, On. búa (Zw. bo, De. bo), Go. bauan: z. ben 2. De bet. zijn: 1. bestaan, d.i. zich bevinden, van daar wonen, bewonen, bebouwen, en 2. doen ontstaan, d.i. stichten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bouwen, ww.: ploegen. Mnl. bouwen ‘bouwen, kweken, bearbeiden, zaaien, bewonen’. Ohd. bûwan, bûwen ‘(be)wonen, aan akkerbouw doen’, Os. bûan, bûwan ‘wonen’, Oe. bûan, bû(w)ian, Ofri. bûwa ‘bewonen, bouwen’, Got. bauan ‘bewonen’. Er wordt verband gezien met Lat. fui ‘ik ben geweest’, Gr. phuein ‘doen groeien’, phúsis ‘natuur’, Oind. bhávati ‘hij is, wordt’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bouwen ww.: (boter) kneden; (spijzen) mengen, fijn prakken. Betekenisuitbreiding van bouwen ‘wonen, een gebouw optrekken’, vandaar ‘het land bebouwen, bewerken’, dus ‘klaarmaken’. Vgl. On. búa ‘wonen, behandelen, hanteren, gereedmaken, toebereiden’, Oe. bywan ‘opmaken’. Afl. bouwer ‘nap voor het kneden van boter’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bouwen ploegen (Noordoost-Nederland tot ongeveer Roermond en de Betuwe). = Mnl. bouwen ‘bewonen, bouwen, bearbeiden’. ~ lat. fui ‘ik was’, gr. phúsis ‘natuurlijke groei’, oind. bhavati ‘is’. Het reeds Oerindo-europese woord moet, ook gezien het gr. woord, reeds vroeg in de sfeer van de landbouw in gebruik zijn geweest en in het algemeen ‘land bewerken’ hebben betekend.
Van Sterkenburg krt. 19, NEW 82.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bouwen ‘aanleggen’ (Duits bauen)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

-bouw, bouwen

a. Het gebruik van bouw m.b.t. wegen, toestellen en machines wordt door bijna alle puristen afgekeurd. Ze beschouwen dan ook machinebouw, orgelbouw en wegenbouw als ontoelaatbare germanismen (D. ‘Maschinenbau, Ofgelbau, Wegebau’).

De woordenboeken zijn het daarmee echter niet helemaal eens: weliswaar maken ook Van Dale en Koenen bezwaar tegen bovengenoemd gebruik van bouw maar de samenstellingen zelf vermelden de woordenboeken meestal zonder verdere aantekening. Zo wordt wegenbouw (behalve door Jansonius, die naar ‘wegenaanleg’ verwijst) algemeen goedgekeurd: er bestaat immers een studievak ‘weg- en waterbouwkunde’. Nochtans zal men niet licht van ‘de bouw van wegen’ spreken. Dit blijkt ook uit de volgende voorbeelden:

‘Ook de wegenbouw voornaam discussiepunt in bespreking begroting Openbare Werken’ (Volksgazet, 13.10.72, p. 6)
‘De aanleg van de Tamzamspoorlijn...’ (NRC, 13.10.72, p. 1)

Naast wegenbouw vindt men ook wegenbouwer:

‘De h. Van Broekhoven, wegenbouwer uit Balen.’ (Het Laatste Nieuws, 9.10.72, p. 6)

Machinebouw en orgelbouw, die men nochtans slechts door een omschrijving vervangen kan (‘constructie van machines, van orgels’) vindt men slechts in Van Dale. Daarentegen wordt orgelbouwer bijna overal als correct Nederlands vermeld.

Wegenbouw is dus ingeburgerd; het heeft ‘wegenaanleg’ echter nog niet verdrongen, misschien omdat men altijd ‘de aanleg van een weg’ zegt en niet ‘de bouw van een weg’.

Machinebouw en orgelbouw worden nog niet door iedereen aanvaard, de technische woordenboeken maken er echter geen bezwaar tegen. Ze zijn trouwens moeilijk te vervangen. Als men wegenbouw aanvaardt, zou men natuurlijk ook machinebouw en orgelbouw moeten aanvaarden want die zijn van hetzelfde type; maar ja, taal en logica congrueren nu eenmaal niet altijd.

b. Ook het gebruik van het werkwoord bouwen i.v.m. wegen, orgels, machines wordt als een germanisme afgekeurd.

Nu zou men kunnen denken dat het werkwoord op het substantief zou kunnen steunen en dat men dus ‘wegen bouwen’ zou mogen zeggen, aangezien wegenbouw ingeburgerd is. Dit is echter niet zo: men zegt steeds dat ‘een weg wordt aangelegd’.

In de woordenboeken heeft het gebruik van bouwen in deze betekenis niet veel succes gehad: Van Dale noemt het uitdrukkelijk een germanisme; Jansonius vermeldt het slechts m.b.t. machines; de andere woordenboeken hebben het helemaal niet opgenomen.

‘Wegen, machines, orgels bouwen’ is dus niet ingeburgerd. Nochtans vindt men het soms in de kranten:

‘Hij bouwde orgels voor kerken.’ (Elseviers Magazine, 30.9.72, p. 17)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bouwen, van den Idg. wt. bhu = zijn, bestaan, zich bevinden (vgl. ik ben) en bij verdere uitbreiding: wonen, bewonen, het land bewoonbaar of vruchtbaar maken. Zie Boer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bouwen ‘een huis optrekken’ -> Negerhollands bou, bau, bow ‘een huis optrekken’; Papiaments † bouw ‘een huis optrekken’; Sranantongo bow ‘een huis optrekken’; Surinaams-Javaans ngebau ‘opbouwen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bouwen* een huis optrekken 0901-1000 [WPs]

bouwen* het land bewerken 1375 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

68. Aken en Keulen zijn niet op éen dag gebouwd,

d.w.z. ‘groote ondernemingen worden niet in korten tijd volbracht; een groot werk eischt tijd en geduld. Waarschuwing om zich in eene zaak van grooten omvang niet te overhaasten, of wel, om niet te veel op eens te wenschen’; Ndl. Wdb. II, 12. Vgl. Goedthals, 41: Colen en Aken en waren op eenen dach niet ghemaeckt. Rome ne fut pas faicte en un iour. Item. Bon oeuvre quiert du temps la longitude. Later is Aken weggelaten en is alleen sprake van Keulen of soms ook alleen van Rome, zooals in de Prov. Comm. 152: Coelen en wart nyet gemaect op eenen dach, met het latijn: sancta die nulla fuit ipsa colonia facta; non fuit in sola bona luce colonia facta en daaronder de variant: Deventher en wart niet ghemact op eenen dach. Bij Campen, 37, luidt zij: Collen wordt op enen dach niet gesticht; ook vindt men aldaar Romen wordt op een Jaer niet ghebout, evenals bij Bebel 463: Roma non fuit una die condita. Bij Brederoo, III, 329: Keulen en Aken sijn op gheen dach volbracht. Idinau, 156: Ceulen en Aken en waren op eenen dagh niet gemaeckt, met het onderschrift:

 Men seght in t'ghemeyn: Geulen en Aken
 En waren op eenen dagh niet ghemaeckt;
 So hoopt-men eens ten eynde te gheraken,
 Behoudens men t' werck niet te vroegh en staeckt.
 Alle beste werck naer patientie smaeckt.

In de Adagia, bl. 9 vinden wij eveneens: Ceulen en Aken, sijn op een dagh niet gebauwt, alta die sola non est exstructa Corinthus. In Braband en Limburg zegt men: Gent en Brugge zijn op eenen dag niet gebouwd (zie Schuermans, 74); in het Land v. Waas: Brugge of Brussel en Gent zijn op eenen dag niet gebouwd (Joos, 176), wat men in de 16de eeuw ook uitdrukte door: Men bout niet op enen dach huysen en kercken.Zie het Tafelspel v. Meester Kackadoris, anno 1596. Vgl. verder Suringar op Bebel, bl. 508; Harrebomée III, 106 en Taalgids VII, 209, waar nog wordt medegedeeld, dat men in Groningen ook zegt: Hij zou Keulen en Aken verzetten, om zijn doel te bereiken, d.i. alle mogelijke, uiterste pogingen, bijna het bovenmenschelijke daartoe aanwenden (evenzoo in Friesland). Hiernaast Keulen en Aken beloven (in C. Wildsch. III, 345); Keulen en Aken wijsmaken (in C. Wildsch. IV, 192). Ook in het Friesch: Aken en Keulen binne net yn ien dei boud. In het Fransch zegt men: Paris ou Rome ne fut pas fait(e) en un jour; hd. Rom ist nicht in einem Tage erbaut worden; eng. Rome (or Holy-Rood) was not built in a day. Zie verder Wander I, 695; III, 245.

987. Huizen op iemand bouwen,

d.i. vast vertrouwen in iemand stellen; ook met betrekking tot zijn lichaamsgestel. Vroeger een kerk, een stad, torens of tabernakelen op iemand (kunnen) bouwen. Vgl. Sart. II, 6, 57: Men soude een Kerck op hem bouwen; Gijsbr. v. Aemst. 615: Een krijgsman, op wiens woort men wel een kerk magh bouwen; Brederoo, Sp. Brab. 1906: Voer der lestent niet ien banckerot, daermen een kerck op miende te bouwen? Coster, 509: Een man, rijck, machtich, op wie men sou een stat bouwen; Rodenburg, Poeëtens Borstw. 427: Ick swoer dat in een vrouw de trouwe zelfs bestondt en dat men tabernak'len op heur mocht bouwen; Tuinman I, 160: Gezonde en sterke menschen, op welke men een kerk zoude bouwen; Harrebomée I, 344; Ndl. Wdb. III, 783; VI, 1229; Rutten, 37; Antw. Idiot. 287.

2224. Ergens geen tabernakelen bouwen,

d.w.z. op de eene of andere plaats niet voor geruimen tijd blijven. ‘De spreekwijze is ontleend aan het verhaal der verheerlijking op den berg; zie Matth. 17; Mark. 9 en Luc. 9. Volgens dat verhaal waren Jakobus, Johannes en Petrus op den berg der verheerlijking en zagen daar Christus in verheerlijkte gedaante en Mozes en Elia met hem sprekende. Petrus sprak toen tot Jezus: Heer! 't is goed dat wij hier zijn, laat ons hier drie tabernakelen bouwen, voor u éen, en voor Mozes en Elia éen’. Zie Zeeman, 456 en vgl. Huygens, Hofw. 1327: My docht hare (ziel) lusten spraken van Tabernakelen om hoogh te mogen maken; soo wèl was 't daerse was; Sewel, 772; Halma, 627: Ik zal daar geen tabernakelen bouwen, je ne ferai pas-là un long séjour. Vgl. ook het wkw. tabernakelen, ergens langen tijd vertoeven, verblijf houden; Schuermans, 707 b: tabernakelen, schilderen, lang blijven wachten; de uitdr. ergens zijne tenten opslaan (Harreb. II, 328 a; Villiers, 126; De Telegraaf, 14 Dec. 1914 (avondbl.), p. 7 k. 3: De smaakvol ingerichte lunchroom waar wij dezen avond onze tenten zouden opslaan; 16 Jan. 1915 (avondbl.), p. 1 k. 5: Alle individuen, die daar hun tenten opgeslagen hadden; 19 Jan. 1915 (avondbl.), p. 1 k. 4: De villa waar hij zijn tenten heeft opgeslagen; fr. fixer ses tabernacles; dresser, planter sa tente ou son clou; het Zuidndl. ergens geen huizeke bouwen, er niet lang blijven; 17de eeuw: ergens zijn paviljoen oprichten (Ndl. Wdb. XII, 858).

2627. Op zand (of op een zandgrond) bouwen,

d.w.z. ‘op lossen grondslag iets ondernemen, een plan vormen, eene verwachting koesteren’; ontleend aan Matth. VII, vs. 26: End een yegelick die dese mijne woorden hoort, ende deselve niet en doet, die sal by eenen dwasen man vergeleken worden, die sijn huys op 't zant gebouwt heeft. Zie Zeeman, 483; J.v.d. Veen, Zinnebeelden, XXXII: Soo een stijfkop gink vertrouwen tegen raet van al de lien op de strant te willen bouwen, ieder sal te vooren sien wat het eynde wesen sal, en voorseggen sijnen val; Sewel, 978; Halma, 800; Ndl. Wdb. III, 783 en vgl. de aldaar aangehaalde synonieme verouderde uitdr. op het (ook een) ijs bouwen; mhd. ûf wolken, ûf regenbogen buwen, zimbern; vgl. ook het lat. fundamenta tamquam in aqua ponere; fr. bâtir sur le sable, la boue; hd. auf Sand bauen; eng. to build on sand.

2670. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen

Deze lof op de zuinigheid, die groote bezittingen doet verwerven, vindt men ook in het Latijn: magnum vectigal est parsimonia, zuinigheid is een groot inkomen (Cic. parad. 6, 3, 49; Senec. monit. 22). Het gezegde trof ik het eerst aan bij Harreb. I, 345; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hij weet dat men slechts met zuinigheid en vlijt een huis bouwt zoo duurzaam als een kasteel; Joos, 187: Spaarzaamheid met vlijt bouwt huizen gelijk paleizen. Sparen is een goede rent. Sparen leert vergaren; enz. Wander IV, 662: Sparsamkeit und Fleiss machen kleine Häuser gross. Sparsamkeit ist ein groszer Zoll. Sparen bringt Haben. (Aanv.) Somtijds wordt hier aan toegevoegd: en luizen als kameelen..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheu-, bheu̯ǝ- (bhu̯ā-, bhu̯ē-) : bhō̆u- : bhū- ursprünglich ‘wachsen, gedeihen’, (wohl = ‘schwellen’), vgl. ai. prábhūta-ḥ mit ai. bhūri-ḥ usw. unter *b(e)u-, bh(e)u- ‘aufblasen, schwellen’, woraus ‘entstehen, werden, sein’, weiters ‘gewohnheitsmäßig wo sein, wohnen’; i̯o/ī-Präsens bhu̯-ii̯ō, bhu̯-ii̯e-si, bhu̯-ī-si usw. als Verbum ‘sein’ suppliert oft das Paradigma von es- ‘sein’; erweiterte Wz. bheu̯ī-, bhu̯ēi-, zahlreiche Nominalbildungen mit den Bed. ‘das Sein, Wesen, Wohnen.. Wohnsitz’, wie bhū̆to-, bhū̆tā, bhū̆ti-, bhū̆tlo-, bhūmen-, bhūlo-, bhūro- usw.

Ai. bhávati ‘ist, ist da, geschieht, gedeiht, wird’ = av. bavaiti ‘wird, entsteht; geschieht; wird sein’, apers. bavatiy ‘wird’; Fut. ai. bhavišyáti, av. būšyeiti Partiz. būšyant- ‘der ins Dasein treten wird’ (letztere = lit. bū́siu, ksl. byšęšteje ‘τὸ μέλλον’, vgl. gr. φύ̄σω); Aor. ai. ábhūt (= gr. ἔφῡ) und bhúvat, Perf. babhū́va, Partiz. Perf. Akt. babhūvā́n, f. babhūvúšī (: gr. πεφυώς, πεφυυῖα, lit. bùvo, aksl. byvati), Inf. bhávitum, Absol. bhūtvā́ (vgl. lit. bū́tų Supinum ‘zu sein’, apr. būton Inf.);
ai. bhūtá-ḥ, av. būta- ‘geworden, seiend, ai. bhūtá-m ‘Wesen’ (: lit. búta ‘gewesen’, aisl. būð f. ‘Wohnung’, russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’; mit gr. φυτόν, air. -both ‘man war’, both f. ‘Hütte’, lit. bùtas ‘Haus’); prá-bhūta-ḥ ‘reichlich, zahlreich’, npers. Inf. būdan ‘sein’;
ai. bhū́ti-ḥ, bhūtí-ḥ f. ‘Sein, Wohlsein, guter Zustand, Gedeihen’ (av. būti- m. ‘Name eines daēva’? = aksl. za-, po-, prě-bytь, russ. bytь, Inf. aksl. byti, lit. bū́ti; mit gr. φύσις).
Pass. ai. bhūyate; kaus. bhāvayati ‘bringt ins Dasein; hegt und pflegt, erfrischt’, Partiz. bhāvita-ḥ auch ‘angenehm erregt, gut gestimmt’ (= aksl. iz-baviti ‘befreien, erlösen’), mit ders. Dehnstufe bhāvá-ḥ ‘Sein, Werden, Zuneigung’ (: russ. za-báva f. ‘Unterhaltung’) neben bhavá-ḥ ‘Entstehung, Wohlfahrt, Heil’;
bhavítram ‘Welt’ (ablaut. mit gr. φύτλᾱ ‘Natur, Geschlecht’ und lit. būklà ‘Wohnung’ usw., und mit germ. *buþla- und *bōþla-, woneben mit Formans -dhlo- čech. bydlo); bhavana-m ‘das Werden; Wohnstätte, Haus (: alb. bane, aber mir. būan ‘standhaft’ aus *bhou-no-), ablaut. bhúvana-m ‘Wesen’;
ai. bhū́- f. ‘Erde, Welt’, bhū́mī, bhū́miḥ-, av. ap. būmī-, npers. būm ‘Erde’, ai. bhū́man- n. ‘Erde, Welt, Sein’ (= gr. φῦμα), bhūmán- m. ‘Fülle, Menge, Reichtum’; pra-bhú-ḥ ‘mächtig, hervorragend’;
s-St. bhaviṣ-ṇu-ḥ ‘werdend, gedeihend’, bhū́ṣati ‘macht gedeihen, stärkt’, bhūṣayati ‘schmückt’, bhūṣana-m ‘Amulett, Schmuck’.
Die ī-Basis *bh(e)u̯ī-, wie es scheint, im ai. bṓbhavīti Intens. und bhávī-tva-ḥ ‘zukünftig’; über iran. bī-Formen s. unten.
Arm. bois, Gen. busoy ‘Schößling, Kraut, Pflanze’, busanim ‘sprieße auf’, ferner vielleicht boin, Gen. bunoi ‘Nest’ (*bheu-no-), schwundstufig bun, Gen. bnoi ‘Stamm’.
Thrak. ON Κασί-βουνον.
Gr. φύω (lesb. φυίω wie osk. fuia, s. unten), ‘zeuge’ (Aor. ἔφυσα), φύομαι ‘werde, wachse’ (vgl. Schwyzer Gr. Gr. I, 686), wohl Neubildungen zum Aor. ἔφῡν ‘wurde’, daneben (Neubildung?) ἐφύην; φυτόν ‘Gewächs, Pflanze, Kind, Geschwür’, φυή ‘Wuchs; Natur, Charakter’, φῦμα n. ‘Gewächs, Geschwür’, φύσις ‘Natur’, φῦλον n. ‘Stamm, Geschlecht, Art’, φῡλή ‘Gemeinde und von ihr gestellte Heeresabteilung’ (: aksl. bylъ, l-Partiz. bylьje); dehnstufiges *bhō[u]lo- vielleicht in φωλεός, φωλειός ‘Schlupfwinkel, Lager wilder Tiere’, φωλεύω ‘schlafe in einer Höhle’, φωλίς ‘ein Seefisch, der sich im Schlamm verbirgt’; aber aisl. bōl n. ‘Lager für Tiere und Menschen’, ist kein von bōl (wohl aus *bōþla) ‘Wohnstätte’ verschiedenes Wort; dazu schwundstufig schwed. mdartl. bylja, bölja ‘kleines Nest’ aus *bulja.
Als 2. Kompos.-glied in ὑπερφυής, ὑπερ-φ[*ϝ]ίαλος. Über φῖτυ s. unten.
Illyr. VN Buni, ON Bοῦννος (: alb. bunë).
Messap. βύριον· οἴκημα, βαυρία· οἰκία Hes. (:ahd. būr);
alb. buj, bûj (*bunjō) ‘wohne, übernachte’, burr, burrë (*buro-) ‘Mann, Ehemann’, banë ‘Wohnung, Aufenthalt, halb verfallenes Haus’ (*bhou̯onā: ai. bhavanam), banoj ‘wohne’; bun(ë) ‘Sennhütte’ (*bhunā); vielleicht auch bōtë ‘Erde, Boden, Welt, Leute’ (*bhu̯ā-tā oder *bhu̯ē-tā).
Lat. fuī (alat. fūī) ‘bin gewesen’ aus *fū-ai, Umgestaltung des alten Aor. *fūm (= gr. ἔ-φῡν, ai. á-bhūt ‘er war’), fu-tūrus ‘künftig’, forem ‘wäre’, fore ‘sein werden’, alat. Konj. fuam, fuat ‘sei’ (*bhuu̯ām; vgl. lit. bùvo ‘war’ aus *bhu-u̯āt), daneben -bam (*bhu̯ām : osk. fu-fans ‘erant’, air. -bā ‘ich war’) in legē-bam usw., vgl. lat.-fal. -bō (aus *bhu̯ō) in amā-bō, alat. venī-bō, fal. pipafþ usw. mit dem ir. b-Futurum (do-rīmiub ‘ich werde aufzählen’ aus *to-rīm-ī-bu̯ō), Intensiv futāvit ‘fuit’;
osk. fu-fans ‘erant’, fu-fens ‘fuērunt’, fusíd = lat. foret, fust (= umbr. fust) ‘erit’ und ‘fuerit’, fuid Konj.-Perf. ‘fuerit’; aber über futír ‘Tochter’ s. Vetter Gl. 29, 235, 242 ff. gegen WH. I 557, 867;
umbr. fust ‘erit’, furent ‘erunt’ (*fuset, *fusent), fefure ‘fuerint’, futu ‘esto’ (fuu̯etōd oder fu-tōd).
Ein i̯o/ī-Präs. zur Wz. *bhū̆- : *bhu̯-ii̯ō liegt vor in lat. fīō, fī̆erī ‘werden, entstehen, erzeugt werden’, das ī statt von fīs, fīt (*bhu̯-ī-si, *bhu̯-ī-ti) bezogen; osk. fiiet (*bhu̯ii̯ent) ‘fiunt’, umbr. fito ‘facta, bona?’, fuia ‘fīat’, fuiest ‘fīet’ (*bhu-i̯ō neben *bhu̯ii̯ō wie in lesb. φυίω, s. oben);
lat. Nominalbildungen nur in dubius ‘zweifelnd, unsicher’ (*du-bhu̯-ii̯o-s ‘doppelgestaltig’, vgl. umbr. di-fue ‘bifidum’ < *du̯i-bhui̯om), probus ‘gut gedeihend, redlich’ (*pro-bhu̯os : ai. pra-bhú-ḥ ‘hervorragend’), osk. am-prufid ‘improbē’, prúfatted ‘probāvit’, umbr. prufe ‘probē’; lat. super-bus ‘hochmütig’.
Über lat. moribundus s. Niedermann Mél. Meillet 104, Benveniste MSL. 34, 189.
Air. baë ‘Nutzen’ (*bhu̯ǝ-i̯om), būan ‘standhaft, gut’ (*bhouno-, dazu cymr. bun ‘Königin, Frau’); mir. baile ‘Heim, Ort’ (*bhu̯ǝ-lii̯o-);
air. buith ‘sein’ (ursprgl. Dat. des ā-St. both < *bhutā = cymr. bod, corn. bos, bret. bout = air. both f. ‘Hütte’, cymr. bod f. ‘Wohnung’: lit. bùtas ‘Haus’; hierzu auch mir. for-baid ‘Grabtuch, Bahre’), Fut. -bīa ‘wird sein’ (= lat. fiat), Prät. 1. Sg. (*bhu̯ām), 3. Sg. boī (*bhōu̯e), Pass. Prät. -both ‘man war’ (*bhu-to-); das Paradigma des Verbum Subst. und der Kopula besteht aus Formen von es- und bheu-, z. B. hat die 1. Sg. Präs. Konj. air. bēu (*bh-esō) den Anlaut von bheu- bezogen;
air. -bīu ‘ich pflege zu sein’, mcymr. bydaf, corn. bethaf, mbret. bezaff ds. (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, daneben *bhu̯ī- in air. bīth, mcymr. bit ‘estō’ = lat. fīt);
gall. PN Vindo-bios (*-bhu̯ii̯os), vgl. cymr. gwyn-fyd ‘Glück’ (‘weiße Welt’, byd), air. su-b(a)e ‘Freude’ (*su-bhu̯ii̯o-), du-b(a)e (du = gr. δυς-) ‘Trauer’;
got. bauan ‘wohnen, bewohnen’, ald bauan ‘ein Leben führen’, gabauan ‘Wohnung aufschlagen’ (*bhōu̯ō, Vokalismus wie in ai. bhāvayati, bhāva-ḥ, slav. baviti), aisl. būa (bjō, būinn) ‘wohnen, instand bringen, ausrüsten’, ags. būan und buw(i)an (būde, gebūen) ‘wohnen, bebauen’ (daneben ags. bōgian, afries. bōgia ‘wohnen’, lautlicher Typus von got. stōja aus *stōwijō und ō als ursprünglichen Vokal stützend), ahd. būan (būta, gibūan) ‘wohnen, bebauen’, nhd. bauen; aisl. byggja ‘an einem Orte wohnen, bebauen, bevölkern’, später ‘erbauen, bauen’ (aus *buwwjan?*bewwjan?); aisl. n. ‘Wohnort, Wirtschaft, Haushalt’, ags. n. ‘Wohnung’ (Pl. by n. vom i-St. *būwi- = aisl. bȳr m. ‘Wohnstätte, Hof’; ähnlich lit. būvis ‘bleibender Aufenthalt’), ahd. , mhd. , Gen. būwes m., selten n. ‘Bestellung des Feldes, Wohnung, Gebäude’, nhd. Bau;
aisl. būð f. ‘Wohnung, Zelt, Hütte’; aschwed. bōþ, mnd. bōde, mhd. buode und būde ‘Hütte, Gezelt’, nhd. Bude (*bhō[u]-tā); mnd. bōdel ‘Vermögen’, bōl ‘Landgut’, ags. bold und botl n. ‘Wohnung, Haus’, *byldan, engl. to build ‘bauen’, afries. bold und bōdel ‘Haus, Hausgerät, Eigentum’ (*bōþla- aus idg. *bhō[u]tlo- und *buþla-, vgl. lit. būklà und westsl. bydlo), ebenso aisl. bōl n. ‘Wohnstätte’ (s. oben auch zu bōl ‘Lager’);
aisl. būr n. ‘Vorratshaus, Frauengemach’, ags. būr m. ‘Hütte, Zimmer’, ahd. būr m. ‘Haus, Käfig’, nhd. (Vogel-)Bauer, wovon ahd. nāhgibūr, ags. nēahgebūr, nhd. Nachbar, engl. neighbour und ahd. gibūr(o), mhd. gebūr(e), dann būr, nhd. Bauer ‘rusticus’;
ags. bēo ‘ich bin’ (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, air. -bīu), daneben bēom, ahd. bim usw. nach *im von *es- ‘sein’, wie ahd. bis(t), ags. bis nach is.
Vielleicht got. bagms, ahd. bōum, ags. bēam ‘Baum’ aus *bhou̯(ǝ)mo- ‘φυτόν’ und aisl. bygg n. ‘Gerste’, as. Gen. PL bewō ‘Saat, Ertrag’, ags. bēow n. ‘Gerste’ (*bewwa-) als ‘Angebautes’.
Lit. bū́ti (lett. bût, apr. boūt) ‘sein’, bū́tų Supin. ‘zu sein’ (apr. būton Inf.), Partiz.bū́tas ‘gewesen’, Fut. bū́siu (lett. bûšu), Prät. bùvo ‘er war’ (vgl. auch buvó-ju, -ti ‘zu sein pflegen’ und aksl. Iter. byvati); Opt. apr. bousai ‘er sei’, Prät. bēi, be ‘er war’ (von einer mit -ēi- erweiterten Basis);
lit. bū̃vis m. ‘Sein, Leben’, buvinė́ti ‘hie und da ein Weilchen bleiben’, apr. buwinait ‘wohnet!’;
lett. bûšana ‘Sein, Wesen, Zustand’, apr. bousennis ‘Stand’; lit. bùtas, apr. (Akk.) buttan ‘Haus’;
lit. būklas (*būtla-) ‘cubile, latebrae ferarum’, pabū̃klas ‘Instrument, Gerät; Erscheinung, Gespenst’, būklà, būklė̃ ‘praesentia, Wohnung’, ostlit. búklė ds. (s. oben; dazu buklùs ‘weise, schlau’);
aksl. byti ‘werden, sein’, lo- Partiz. bylъ ‘gewesen’ (davon bylьje ‘Kraut; Heilkraut’, vgl. zur Bed. φυτόν), Aor. bě ‘war’ (*bhu̯ē-t); Imperf. běaše, Fut. Partiz. ksl. byšęšteje, byšąšteje ‘τὸ μέλλον’, Kondiz. 3. Pl. bǫ (*bhu̯ā-nt), Partiz. za-bъvenъ ‘vergessen’, neben sonstigem Partiz. *byt z. B. in russ. zabýtyj ‘vergessen’, vgl. dazu auch Subst. russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’ u. dgl., apoln. byto ‘Nahrung’, aksl. iz-bytъkъ ‘Überfluß, Rest’ u. dgl., bytьje ‘das Dasein’;
aksl. zabytь ‘Vergessen’, pobytь ‘Sieg’, prěbytь ‘Aufenthalt’, russ. bytь ‘Wesen, Geschöpf; Tatbestand’;
Präs. aksl. bǫdǫ ‘werde, γίγνομαι’, als Fut.: ‘werde sein’ (ob zu lat. Adj. auf -bundus?); Kaus. aksl. izbaviti ‘befreien, erlösen’ u. dgl. (: ai. bhāva-yati, vgl. zum Vokalismus auch got. bauan und aksl. zabava ‘Verweilen, Beschäftigung, Zeitvertreib’); čech. bydlo ‘Aufenthaltsort, Wohnung’, poln. bydło ‘Vieh’ (aus *’Stand, Wohlstand, Habe’).
Vielleicht hierher (Pedersen Toch. 2281) toch. В pyautk-, A pyotk-, AB pyutk- ‘zustande kommen’, med. ‘zustande bringen’.
Von der Basis bh(e)u̯ī-:
npers. Imp. bī-d ‘seid!’; apers. Opt. bī-yāh setzt Wackernagel KZ. 46, 270 = ai. bhū-yā́-ḥ, -t;
gr. φῖτυ n. ‘Keim, Sproß’ = φίτῡμα, φῑτύω ‘erzeuge, säe, pflanze’;
lit. alt. bit(i) ‘ег war’, auch Kondit. 1. Pl. (sùktum-) bime; lett. biju, bija ‘ich, er war’ (lett. bijā- erweitert aus athemat. *bhu̯ī-); ablaut. apr. bēi, s. oben;
aksl. Kondit. 2. 3. Sg. bi ‘wärst, wäre’ (*bhu̯ī-s, *bhu̯ī-t), wozu sekundär 1. Sg. bi-mь mit Primärendung.

WP. II 140 f., WH. I 375 f., 504 f., 557 f., 865, 867, EM. 812 f., 1004 f., Trautmann 40 f., Feist 83 f.
Specht will (KZ. 59, 58 f.) unter Heranziehung von gr. φάος ‘Licht, Heil’ = ai. bhava- ‘Segen, Heil’, φαε-σί-μβροτος usw. unsere Wz. als *bhau̯ǝ-, nicht als *bheu̯ǝ- ansetzen. S. auch oben S. 91.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal