Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bouw - (veldmaat op Java, ca. 7100 m², zoveel grond als een Javaan met zijn gezin kan bewerken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bouw [veldmaat op Java, ca. 7100 m², zoveel grond als een Javaan met zijn gezin kan bewerken] {1886} < maleis, javaans baü, uit het oudindisch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam

bouw1 [veldmaat]. Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende, verhollandste vorm van het Javaanse bahoe, synoniem met het ons minder bekende karjô. Bahoe betekent oorspronkelijk: zoveel akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij begonnen zijn ons met de grond van de Javanen te bemoeien, hebben wij ons ook hun landmaat min of meer toegeëigend en niet alleen haar naam vernederlandst, maar ons ook veroorloofd haar waarde nauwkeuriger te bepalen. Een bouw wordt thans in alle gouvernementsstukken gerekend op 500 vierkante Rijnlandse roeden. Het is zeer nodig op de Javaanse oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlands woord, in de zin van een stuk ‘bebouwde’ grond, aan te zien.

Een moeilijker vraag is het, hoe het woord bahoe, dat eigenlijk ‘arm, bovenarm, schouder’ betekent, en die betekenis in het Maleis steeds behoudt, in het Javaans in die van een grote landmaat is kunnen overgaan. Misschien is men aan het woord de betekenis van ‘de kracht van een arm’, ‘de kracht van een man’ gaan hechten, en vandaar vervolgens die van een stuk land, waarvoor, als er werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, de kracht van één man, dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de herendienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit van de grond verbonden was. [V]

bouw2 [veldmaat]. Javaans bahoe, oorspronkelijk zoveel akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan. Het woord bahoe is eigenlijk (dit is in het Sanskriet) bâhoe: arm, bovenarm (vergelijk Veth).17 [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bouw ‘veldmaat’ (Maleis baoe)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bouw ‘lichaamsgestalte’ -> Petjoh bouw ‘lichaamsgestalte’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1201. Hij is in zijn knollentuin

of in zijn knollen (o.a. in Boefje, 11; 196; 218; Landl. 246), d.w.z. hij heeft het recht naar zijn zin, is in zijn schik; oorspr. zeker van een haas gezegd, die zich te goed kan doen aan het lof van knollen, die in zijn ‘knolleland’ zit. De uitdr. is aangetroffen in de 17de eeuw in de Tien Vermakelikheden des Houwelyks, anno 1678, bl. 138: Niemant vergeet u toe te wenschen dat gy toekomende jaar een dochter by uw zoon, of een zoon by uw dochter moogt hebben, meynende dat het spul dan volmaakt, en gy geweldig in uw knoltuyn zijn zoudt; zie ook Gew. Weeuw. III, 69; Harreb. I, 421; Nkr. I, 23 Juni p. 2; III, 13 Juni p. 2; VI, 24 Febr. p. 2; 21 Dec. p. 2. In de Br. v. Abr. Bl. I, 44; 64; 128; C. Wildsch. II, 155; III, 25; VI, 97, enz. komt voor in zijn tuin zijn. Te vergelijken zijn uitdrukkingen als: hij is nu recht op syn koeweyde (Campen, 122; Coornhert, Van den thien Maeghden, fol. 471); Sart. II, 6, 33: hier is hy in gras-duynen; hier is hy in zyn schick, in syn koewey, oorspr. natuurlijk van eene koe gezegd; in zijn veld zijn (Tuinman I, 241); op de deune zijn (Twente); in zijn hof zijn (Harreb. I, 313); op zijn dreef zijn (zie no. 489); op zijn oude doft (= roeibank) zijn; hij is in zijn bouw; fri.: hy is yn syn bou (bouwland) of yn syn kouwefinnen (veeweiden); uit zijn loef (eig. dol van een roeiriem) zijn, niet in zijn schik zijn (Schuerm. Bijv. 188); hij is in zijn klavergers (De Bo, 527; Schuerm. 247 b); in zijn weêre zijn (De Bo, 1375); op z'n kantoor zijn (Onze Volkstaal I, 37; Sart. I, 7, 57 en vgl. C. Wildschut I, 47: op zijn comptoir zijn) en het Zaansche op zijn raap zijn, in zijn polder zijn en weer op de klaver zijn (Boekenoogen, 804 en 441), hersteld zijn na eene ziekte; op zijn akkertje zijn (in Jord. 307); in zijn folion zijn (S. en S. 31); vgl. het eng. to be or live in clover, in gelukkige omstandigheden verkeeren, in weelde leven. In het Latijn zeide men in arena sua esse (vgl. o.a. Sart. III, 7, 40).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut