Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bout - (metalen staaf; poot van een dier; kak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bout zn. ‘metalen staaf; poot van een dier’
Mnl. bout(e) ‘pijl’ [ca. 1330; Jacobs 1928], boute ‘ijzeren staaf’ [1343-45; MNW perse], boute ‘poot van een dier’ [1390-1410; MNW-R].
Mnd. bolte(n) ‘korte dikke staaf’; ohd. bolz (nhd. Bolz(en)); oe. bolt ‘dikke pijl’ (ne. bolt ‘(onder andere) grendel’) < pgm. *bulta- (nde. bolt en nzw. bult ‘korte dikke staaf’ zijn wrsch. aan het mnd. ontleend).
Buiten het Germaans uitsluitend verwant met Litouws bélsti, bildëti ‘kloppen, pochen’. Zowel de West-Germaanse als de Baltische vormen zouden kunnen horen bij pie. *bheld- ‘kloppen, slaan’ (IEW 124), dat misschien een d-afleiding is bij pie. *bhel- ‘klinken, kraken’. Maar gezien het beperkte verspreidingsgebied en het betekenisveld moet eerder gedacht worden aan een substraatwoord.
In het Nederlands heeft zich de combinatie -ol- > -ou- vóór d of t ontwikkeld zoals ook in → oud.
De betekenis ‘poot van een (geslacht) dier’ heeft zich wrsch. ontwikkeld naar aanleiding van de korte, dikke vorm.
strijkbout zn. ‘strijkijzer’ [1902; WNT]. Oorspr. was een strijkbout een ijzeren staafje dat verhit werd en dan in het strijkijzer werd gelegd; door betekenisuitbreiding werd later het gehele strijkijzer zo genoemd.

EWN: bout zn. 'metalen staaf; poot van een dier' (ca. 1330)
ANTEDATERING: onl. in Latijnse context in: partes que appellantur bouten 'de delen die "bouten" (schenkels) genoemd worden' [1176-1200, kopie 1201-50; ONW] (1390-1410)
Later ook: bouten 'houten of metalen planken van een damwand' [1293; VMNW]
{De tweede attestatie in het EWN moet luiden: boute en bout 'ijzeren staaf' [1343-46; MNW perse].}
EWN: ♦ strijkbout zn. 'strijkijzer' (1902)
ANTEDATERING: Kopere Strijkbouten met Schroeven [1824; Opregte Haarlemsche courant (KB) 2/12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bout* [metalen staaf] {1376-1400 in de betekenis ‘ijzeren of houten bout, schenkel van een dier’} middelnederduits bolte(n), oudhoogduits bolz, oudengels, deens bolt, zweeds bult [dikke, korte staaf]; buiten het germ. litouws beldu [ik klop], baldas [paal om te stoten]; het woord is beperkt tot germ. en baltisch. In de uitdrukking je kunt me de bout hachelen betekent bout ‘kak’ en hachelen ‘gulzig eten’. In nl. dialecten betekent bout [beer, mestwater], vgl. zaans boutkistje voor wc. Het woord is afgeleid van bouwen [land bewerken]. In deze uitdrukking is dan tevens een associatie opgetreden met schapen-, eendenbout, etc.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bout znw. m., mnl. bout, boute ‘ijzeren of houten bout, pijl, dierenschenkel’, mnd. bolte, bolten, m. ohd. bolz m. (nhd. bolzen), oe. bolt m., de. bolt, zw. bult ‘korte dikke staaf’. — lit. beldù, beldéti ‘slaan, kloppen’, lett. bełzt ‘slaan’; idg. wt. *bheld (IEW 124). — Zie: aanbeeld.

Er bestaat een mogelijkheid, dat deze wortel een d-afl. van *bhel ‘slaan’ is, niet van de ‘Schallwurzel’ zoals IEW 124 aanneemt, maar van de wt. *bhel ‘balk, plank’ (zie daarvoor balk). Het is echter bedenkelijk dat het woord alleen westgerm. bekend is en daarbuiten alleen in de baltische talen; misschien uit een voorgerm. taal in de Noordduitse laagvlakte (het hunebeddenvolk?).

bout [Aanvullingen en verbeteringen]: het hunebeddenvolk? eerder onbekende idg. taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bout znw., mnl. bout, boute m. (v.?) “bout van ijzer of hout, pijl, schenkel van een dier”. = ohd. bolz m. (nhd. bolz, bolzen m), mnd. bolte, -en m., ags. bolt m. (eng. bolt), de. bolt, zw. bult “korte dikke staaf” (in verschillende speciale bett., ags. alleen “pijl”). Niet uit lat. catapulta “werpmachine”, veeleer van den wortel bhel- “zwellen”: zie bal I en bult. Ook een andere combinatie, met ier. buille “slag”, lit. beldu, beldėti “kloppen”, is semasiologisch mogelijk, voor deze woorden kunnen we echter met evenveel recht van bheldh-, bholdh-uitgaan (vgl. bulderen) als van bheld-, bhold-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bout. Ier. buille ‘slag’ hoort waarsch. niet bij de wortel *bheld(h)-. Vgl. WP. II, 184.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bout 1 m. (staaf, nagel, klos), Mnl. bout, boute + Ohd. bolz (Mhd. en Nhd. id. en bolzen), Ags. bolt (Eng. id.), On. bolti (Zw. bult, De. bolt), van Ug. *beltan = slaan + Oier. buille = slag, Lit. beldû = slaan; z. aambeeld

bout 2 m. (schapenbout), zelfde woord als bout 1: zoo genoemd wegens den vorm; vergel. Hgd. hammelkeule = schapenknods.

bout 3 m. (vogel), zelfde woord als bout 2., zoo genoemd wegens den vorm der stuit; vergel. Hgd. keuIer, afgel. van keule = knods.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bout (de, -en), (ook:) 1. dij. Meisje! Haar twee grote bouten gingen uit elkaar. Haar bovenlijf omhoog (Cairo 1978b: 72). - 2. syn. van kippebout* in de uitdr. borsten* en bouten (z.a.). - 3. kort voor deurbout* (z.a.). - Etym.: (1, 2) In veroud. AN: armen en benen van mensen, i.h.b. van vrouwen en kinderen (WNT 1902). Vgl. S bowtoe = o.m. dij. (3) In AN veroud. - Samenst. van 1: anansibout*, kippebout*.
— : je bouten wassen (waste, heeft gewassen), (niet alg.) een pak slaag geven. Ik heb je iets gevraagd en als je me niet antwoordt, ga ik je bouten wassen, en niet voor twee cent*... (Helman 1954a: 16). - Etym.: S ‘wasjoebowtoe’ - id. Vgl. AN ‘de oren wassen’ - id.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boud I: “bep. deel v. mens of dier”; nie in dié vorm en bet. in Ndl. nie, wel as bout en dan veral “deel v. dier, eend, hoender of voël”, d.w.s. “die skenkel of skinkel”, wsk. verb. m. bal, bil en bult, v. ook bout, asook Scho (TWK/NR 7, 1, p. 33).

bout: “bep. soort staaf met skroefdraad” (bv. moerbout, skroefbout) en “soldeerstaaf” (soldeerbout); Ndl. bout (Mnl. bout/boute/bolt/bult, by Kil bolt/bout), Eng. bolt, Hd. bolz(en); misk. verb. met boud (q.v.) en dan ook m. bal, bil, bult, maar in hierdie geval herk. en verb. blb. onsekerder.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bout: (Bargoens, verouderd) politieagent. Naar de koperen bout op de helm.

D’r is ’n bout bij! merkte zijn kameraad op. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)
De volgende dag had ie ’n dofgajes en twee bouten bij ’m op visite en moest ie mee. (Het Vaderland, 31/07/1927)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bout (van Latijn catapulta)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bout ‘poot van een geslacht dier’ -> Berbice-Nederlands bauta ‘been, dij’; Sranantongo boutu ‘poot van een geslacht dier; dij’.

bout ‘metalen staaf’ -> Deens bolt ‘metalen staaf’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bolt ‘metalen staaf’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bult ‘kleine metalen staaf met schroefdraad voor constructies’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins pultti ‘kleine metalen staaf met schroefdraad voor constructies’ ; Frans dialect ‘metalen staaf’; Russisch bolt, baút ‘metalen staaf, dikke ijzeren nagel’; Oekraïens bolt ‘metalen staaf, dikke ijzeren nagel’ ; Wit-Russisch bolt ‘metalen staaf, ijzeren nagel’ ; Shona bhaudi ‘metalen staaf’ ; Indonesisch baut, terbut ‘metalen staaf, pen, schroef; sterke man’; Boeginees bâú ‘metalen staaf’; Gimán bot ‘metalen staaf’; Jakartaans-Maleis baut ‘metalen staaf’; Javaans bahut ‘metalen staaf’; Madoerees baut ‘grote schroef’; Menadonees bout ‘metalen staaf’; Minangkabaus bauik ‘metalen staaf’; Japans † bōtō ‘metalen staaf’; Papiaments bout ‘metalen staaf’; Sranantongo bowtu ‘moer’; Sarnami bowtu ‘metalen staaf’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bout* poot van een geslacht dier 1101-1200 [Tavernier]

bout metalen staaf 1330 [Jacobs 12] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

333. Je kunt me de bout hachelen,

een verwensching, die zooveel wil zeggen als stik, steek de moord, je kunt voor mijn part verrekken, loop naar den duivel; vgl. Harreb. III, XLIV a: Hij (zij) kan voor mijn part den bout hachelen; Kmz. 206: Je kunt mij de bout haggelen; Lvl. 195: Hij kan me z'n bout haggelen, is de vent bedonderd. - D.H.L. 2: De Kapitein kon hun den bout hachelen; Maastrichtsch: de kins miech gebouthacheld weurde, je kunt me gestolen worden (N. Taalgids XIV, 196). Ook met weglating van bout in Slop, 190: Die kon hem ook hachelen! (die kon voor zijn part ook stikken). Het wkw. hachelen komt dial. voor in den zin van gulzig etenNdl. Wdb. V, 1502-1503; ook in 't fri. hachelje, kauwen, bikken.; vgl. 't Joodsch-Duitsch achelen, hachelen, eten (hebr. âkhal etenZie Kluge, Wtb. 5; Rabben, 16: acheln, essen, speisen; Horn, 87: acheln, essen; Teirlinck, Wdb. v. 't Bargoensch, 25: haggelen, avondmalen, eten; N. Taalgids X, 285; Tijdschr. v. Taal en Lett. VIII, 306.. Wat bout hier moet beteekenen, is me niet duidelijk. Er is toch geen verband te zoeken met bouten, cacare en boutkistje (privaat)?Zie Köster Henke, 11; Teirlinck, 8.

1338. Weer op de lappen zijn,

d.w.z. weder hersteld zijn, weer op de been zijn; onder ‘lappen’ verstaat men eig. de schoenzolen of lapzolen (Zuidnederl.); zie Boekenoogen, 558 en vgl. Waasch Idiot. 388 b: veur of op de lappen kommen, voor den dag komen; De Bo, 610 en Schuermans, 326: op zijne lappen zijn, gezond zijn; Antw. Idiot. 746: op de lappen zijn, aan den zwier zijn. De uitdr. is dus syn. met: weer op de been, op de proppen, op zijn stokken (Rutten, 220 b), ter leê zijn (Schuerm. 328 b); weder op de bouten komen (Ndl. Wdb. III, 759). Dezelfde beteekenis heeft ‘lappen’ in de uitdr. met iets op de lappen komen, met iets voor den dag komen, iets ter tafel brengen (Molema, 238), dat in de 18de eeuw voorkomt in de Brieven van Abraham BlankaartPenon V, 277; Kom aan! het Evangelie eens op de lappen. Want, hoe wy ook in veelen dwars van elkander afwyken, zo heb ik toch nooit bespeurt, dat wy over dat Boekje het niet eens waren!, alsook bij Harreb. II, 9: Hij durft er niet mede op de lappen komen; en in op de lappen gaan, 17de eeuw: zich op de lappen maken (in de Gew. Weeuw. II, 12); hd. sich auf die Socken machen; nd. sik up de Scholappen geven, er vandoor gaan; zie Welters, 90: hij geeft zich op de lappen, zolen (= op reis); Rutten, 129: op de of zijn lappen gaan, zijn of loopen (op zwier gaan; zie ook De Bo, 610 en Schuerm. 326; Claes, 132; Teirl. II, 200; Antw. Idiot. 746); Afrik. op die lappe kom, bring, openbaar worden, ter sprake komen. Ook in het Oostfri. is bekend frô up de lappen wesen, früh auf die Sohle sein, sich früh aufmachen (Ten Doornk. Koolm. II, 470 b); vgl. ook Eckart, 472; Woeste, 157: he mâket sich op de lappen; fri. op 'e lappen (komme).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut