Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

botter - (vaartuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

botter zn. ‘vissersvaartuig op de Zuiderzee’
Nnl. botter ‘vaartuig’ (Volendam) [1760; Beylen].
Herkomst onduidelijk. Meestal beschouwd als afleiding van → bot 2 ‘vissoort’, vanwege het voorkomen van oudere benamingen vnnl. botschip ‘schip dat bot aanvoert’ [1527; Beylen] en nnl. bot schuit ‘id.’ [ca. 1735; Beylen]. Een andere mogelijkheid is samenhang met → bot 4 ‘stomp’, vanwege de typische stompe voorkant van de botter. Tegen beide etymologieën pleit dat namen van schepen zelden op vorm of visnaam zijn gebaseerd. Misschien is het een afleiding van het werkwoord botten ‘stoten (tegen of op de golven)’, zie → botsen, en vergelijk botten op d'water bij Kiliaan [1588].
Een botter is een vissersvaartuig met ronde boeg, dat vroeger op de Zuiderzee werd gebruikt voor de vangst van haring, paling, ansjovis en bot.
Lit.: J. van Beylen (1985) De botter: geschiedenis en bouwbeschrijving van een Nederlands vissersschip, Weesp, 32

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

botter* [vaartuig] {1849} hoewel men kan denken aan de botte [stompe boeg] en aan botten [slaan], vanwege de hoge, brede steven, die bij hoge golven flink buist, lijkt het het meest waarschijnlijk dat de naam stamt van de (Zuiderzee) bot, vgl. middelnederlands botschip, voor vissersschip dat bot aanvoert → bot1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

botter znw. m., eerst nnl., vgl. fri. botter. Terschellings woord voor een Urker vissersschuit met een ronde boeg. Dat maakt het waarschijnlijk, dat de naam afgeleid is van bot 4.

Opmerkelijk is de klankovereenstemming met scheepsnamen als bom en bons; echte onomatopoeën (K. Heeroma, Ts. 61, 1942, 45-77) zijn het natuurlijk niet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

botter znw., eerst nnl. = fri. (Terschelling) botter “Urker visscherschuit met ronden boeg”. Wellicht van bot IV: ospr. bet. “schip met stompen boeg”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

botter 2 m. (vaartuig), : wel van bot 4.; verg. haringbuis en bij Kil. botschip.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

botter, boeter, boetje zn. m./o.: zeilvissloep met stompe boeg. Ook Blankenbergse boeter, blank boetje, boeter. Gewoonlijk afgeleid van de visnaam bot, blijkens Mnl. botschip ‘sloep voor botvangst’. Of afl. van bot ‘stomp’ vanwege de stompe boeg. Of afl. van botten ‘stoten’, omdat het schip met zijn stompe boeg tegen de golven stoot. – Lit.: J. van Beylen, De botter: geschiedenis en bouwbeschrijving van een Nederlands vissersschip, Weesp, 1985.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

Volgens de Grote Koenen is de botter genoemd naar ‘Klaas Botter van Marken’. Geen enkel etymologisch woordenboek bevestigt deze verklaring.
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

botter ‘vaartuig’ -> Duits Botter ‘platbodem, Hollands zeilvaartuig’; Deens botter ‘vaartuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

botter* vaartuig 1849 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal