Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

botten - (weerkaatsen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

botten2* [weerkaatsen] {1573} van botsen [slaan].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

botten o. & ono.w., volgens de bet. van bot 1., bot 2., of bot 5.; z. ook botter 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

botten ww.: een knikker met een boog in de lucht schieten (Axel); (veldvruchten: bieten, aardappels) rooien. Intensivum van boten ‘stoten, slaan, kloppen’; zie boten, botgooien, botteren.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

butten (DB, B), ww.: botsen, stoten (DB), knikkeren (B), neuken (B). Mnl. botten ‘botsen, tegen elkaar stoten’, Vroegnnl. botten, stooten ‘trudere’ (Kiliaan). E. to butt < Germ. *buttan. Verwant met Mnl. boten ‘kloppen’ (zie butoor). De bet. ‘knikkeren’ vanwege de knikkers die tegen elkaar botsen. De bet. ‘neuken’ ook vanwege de stotende beweging (vgl. neuken, D. bumsen).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal