Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

botje - (muntstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

botje zn. ‘muntstuk’
Mnl. botgen ‘soort munt’ [1390-1424; MNW wissel]; vnnl. in de uitdrukking botje bij botje leggen ‘elk zijn aandeel bijdragen’ [1681; Stoett 1953].
Via Oudfrans botte ‘vat’ uit Latijn buttis ‘vat, kuip’, zie → bottelen.
Een bot(je) was een zilveren muntje dat gedurende de Middeleeuwen (tot ca. 1400) in verschillende gewesten in omloop was. Het had meestal de waarde van vier duiten of twee groten of een halve stuiver, de helft van een botdrager ‘soort munt’ [1412; MNW], waarvan het een verkorting is. Deze is vernoemd naar de afbeelding op de voorkant. Dat was een gehelmde leeuw, die schertsend botdrager ‘manddrager’ genoemd werd, omdat de helm op een botte ‘mand, vat, kuip’ [1285; CG I, 1012] leek.
Lit.: Philippa 2000; Reinsma 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

botje* in de uitdrukking botje bij botje leggen [ieder zijn aandeel bijdragen] {botkijn 1406-1448} verkleiningsvorm van middelnederlands bot, boot [een munt], verkort uit botdrager, zo genoemd omdat de munt een leeuw met toernooihelm vertoont, die men schertsend botte [korf] noemde; bedoeld is wel muilkorf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

botje znw. o., in de uitdrukking botje bij botje leggen is de naam van een middeleeuwse munt. Op de voorzijde van de munt stond een gehelmde leeuw, die de volksmond botdrager ‘manddrager’ noemde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

botje (b. bij b. leggen). Naam van een ME.sche munt. Verkort uit bot-drager eig. “mand-, koffer-drager”, zoo genoemd naar den gehelmden leeuw op de voorzijde van de munt. Zie but.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

botje o., Mnl. botgie, botkijn, botdragher, waarop een leeuw geslagen was, met een helm die op een botte (z. but 1) geleek.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Botje bij botje leggen. In deze uitdrukking is botje de benaming van een oud zilver muntstuk, dat de helft van de waarde had van een bot, en dus in bet. te vergelijken is met: een kleine cent (of klein centje) voor: een halve cent. De waarde was ± 2½ cent. De bot zelve heette volledig botdrager, dus genoemd naar den beeldenaar voorstellende een gehelmde leeuw, wiens helm deed denken aan een botte = kit, drinkvat; dus zooals een gouden rijder heette naar den ridder, die er op stond afgebeeld; en zooals men ook een Liefvrouwke had, naar de voorstelling van Maria met ’t kind (v. d. Chijs, Munten v. Gelderl. Pl. X), en een Peerdeken = munt, waarop ruiter (v. d. C h ij s, Munten v. Brab. en L. 110).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

botje ‘muntje’ -> Duits dialect Putje-Putje ‘geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

botje* muntje 1406-1448 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

330. Botje bij botje leggen,

d.w.z. elk zijn aandeel in de gemeene kosten, zijn inleg storten, en zoodoende gezamenlijk het gelag betalen. Bij uitbreiding toegepast op allerlei uitgaven, die uit gemeenschappelijke (kleine) bijdragen bestreden worden. Onder een botje verstond men een penning, een zilveren muntstuk, gedurende de middeleeuwen (tot ongeveer 1490) in verschillende Nederlandsche gewesten in omloop, meestal gelijk aan vier duiten of twee grooten of een halven stuiver, de helft van een botdrager, waarvan bot(je) eene afkorting is, zoo genoemd, omdat de voorzijde een zittenden leeuw vertoont, wiens kop bedekt is met eene gesloten helmkap, eenigszins gelijkende op een botte (vat, kuip); vandaar ook wel gehelmde leeuw genoemd. Bij Winschooten, blz. 297 lezen wij: ‘Een stooter, het welk op sijn Amsterdams beteekend een Leidse vijfgroot, of vijf vriese botjes: dat is, halve stuivers, en hier van: botje bij botje: elk leg eeven veel toe’; Bed. Huish. 32: Zy doen altyd botje by botje, en willen nevens een ander mêe betaalen; Sewel, 137: Botje by botje leggen, elk zyn deel van het gelag betaalen; B. Wolff en A. Deken, Brieven, 327: Je weet wel myn vriend, dat de ouwe sukkels botje by botje leggen om haer eindje te krygen en te zamen haar potje kooken; Amst. 78: Allo jongens! ieder wat - botje bij botje. Zie Ndl. Wdb. III, 722-723; en 697; De Cock1, 301; nd. butke bi butke; putje bi putje (geld), dat in Hamburg bekend is (Eckart, 68; 420); fri. botsenstikje, botjestik, botsen, botjen, botsen by botsen lizze (vgl. Fri. Wdb. I, 222 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut