Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boterbrief - (officieel stuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boterbrief zn. ‘officieel stuk’
Nnl. boterbrief ‘dispensatiebrief, rekening’ [1912; Kuipers], “scherts(ende) benaming van een officieel stuk: belastingbiljet, trouwbewijs” [1912; Koenen], voor ‘huwelijksakte’ komt al eerder in het Bargoens boterpapiertje [1906; Boeventaal] voor.
Leenvertaling van Latijn literae butyricae.
Een boterbrief was oorspr. een naam voor bepaalde brieven die vergunning gaven om tijdens de vastendagen zuivelproducten en vlees te eten. Vanuit de betekenis ‘vergunning’ is de huidige betekenis ‘officieel document, trouwakte’ ontstaan.
Lit.: Philippa 1999

EWN: boterbrief zn. 'officieel stuk' (1912)
ANTEDATERING: "vleesch-" en "boter-brieven" ... om op vastendagen, boter, kaas, eijeren en vleesch te mogen eten [1855; Buddingh, 26]
Later: boterbriefje 'brief met de wenk ontslag te nemen' [1868; NRC 21/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boterbrief [officieel stuk, vooral trouwakte] {1901-1925} oorspr. een vergunning om in de vastentijd zuivelproducten te mogen eten.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

327. Boterbriefje.

Onder het boterbriefje verstaat men in den volksmond de trouwakte, het familieboekje (zie o.a. Falkl. VI, 180); vandaar getrouwd zijn zonder boterbriefje, in concubinaat leven, hokken. Het is eene schertsende benaming voor zekere aflaatbrieven, die vergunning gaven om in de vastendagen boter, kaas, eieren en vleesch te eten (lat. literae butyricae; hd. Butterbrief). Deze benaming is dan schertsenderwijze ook toegepast op de vergunning ‘om te trouwen’. Bij militairen verstaat men er onder de aankondiging, dat men ontslag moet vragen; ook voor eene rekening wordt boterbrief ironisch gebruikt (vgl. broodbrief voor belastingbiljetZie Ndl. Wdb. III, 711..

Eerst in deze eeuw schijnt boterbrief in dezen zin voor te komen. Men leest het o.a. bij Speenhoff III, 9:

 Toen ie niet wist wat ie zou doen
 En wat ie de koetsier wel zou zeggen,
 Liet ie zijn boterbriefje toen

 Als fooitje in de trouwkoets leggen.Handelingen der Staten-Generaal 1912-1913, bl. 929: U spreekt van monogamie; dat beteekent leven met één vrouw; dat heeft de heer K. altijd gedaan. Het eenige was, dat hij geen boterbriefje heeft gehad; bl. 938: Als u weet, zooals u zelf hebt uiteengezet, dat dit trouwen alleen zou bestaan in het vragen van een briefje, dat door mij toen eenigszins oneerbiedig, maar in dit verband volkomen juist boterbriefje werd genoemd, meent u dan als Christenpredikant dat dit voldoende is? Zandstr. 90: Daar was je mee getrouwd hè? - niet voor echt hoor. Hij het me in 't lichte leven gebracht en leeren te rooven.... maar 't boterbriefje het ie vergeten te halen; Het Volk, van 16 November 1912, 3de bl.: U ziet dus dat ik van 'n fijne familie ben. Nu zult u misschien zeggen als fatsoenlijke boter-briefjes-menschen: ‘Ja, maar waarom heet je dan niet Leckie Chimère?’ Nou vrienden en vriendinnen dat zit 'm juist in dat boterbriefje: Waar ik geboren ben bestond geen ‘Burgerlijke Stand’ en dus ook geen fatsoen. Zie verder Het Volk, 12 December 1912, 1ste bl., en De Rotterdammer, van 6 December, waar het verschillende malen voorkomt; Nkr. II, 26 Juli p. 5:

 Wanneer je met den rechten Jozef
 Den grooten sprong in 't leven waagt,
 Je cito naar 't Stadhuis laat rijen
 En om 'n boterbriefje vraagt.

Nkr. VI, 14 Dec. p. 5; IX, 5 Juni p. 6; H.v.Z. 94: Dan zou je meene dat as je man dood is je 'n andere man mag trouwe. Mis poes. Dan mot je geloof 'k eerst in de krante oproepe waardie zit - en as je driemaal geen aasem gekrege het, dàn màg-ie 'n nieuw boterbriefie hale; Zevende Gebod, 81; Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 405: Allemachtig, wat mostje met 'n harem? Ik heb ééns in m'n leven 'n boterbriefje gehaald en na dien tijd heb 'k gedacht.... an mijn lijf geen tweede polonaise; bl. 432: Bertram (een ring aan zijn hand schuivend): Hè, hè, hè. Zoo doeje as je 'n boterbriefie gaat halen! Schakels, 70: Vanmorgen verwijt ze me, da 'k geen hemd an me lijf had, toen we 't boterbriefje gingen halen. Synoniem is een boterpapiertje (Köster Henke, 10). In de Jordaan (Amsterdam) sprak men van het puimbriefje. Vgl. hd. bimsen, futuere (Horn, 132).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut