Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boterbloem - (bep. bloemen v.h. geslacht Ranunculus; volksnaam voor o.a. dotterbloem en speenkruid)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

botterblom s.nw.
Enigeen van verskeie inheemse en uitheemse blomdraende plantsoorte. (Hoewel die naam oënskynlik botterkleurige blomme impliseer, is daar wel oranje, geel en wit botterblomme.)
Uit Ndl. boterbloem 'ranonkel'. In Ndl. ook dotterbloem en dodderbloem, waar dotter en dodder verband hou met dooier en die geel kleur daarvan, vandaar sinonieme Ndl. name soos geelbloem, goudbloem en grote boterbloem. Volgens sekere bronne (WAT, Silva 1996) moet die oorsprong van dié volksnaam in Afr. wsk. eerder gesoek word in die geloof dat die melk van koeie wat wei waar botterblomme groei, besonder ryk aan bottervet is.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1913).
Vgl. Eng. buttercup 'heldergeel koppievormige blom'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bo’terbloem (de, -en), kruidachtig sierplantje met trechtervormige bloemen die wit, geel of paars kunnen zijn, afkomstig uit India (Asystasia gangetica, Waterkanonfamilie*). - Etym.: Er is geen enkele gelijkenis of verwantschap met AN b. = Ranunculus-soorten (AN Boterbloemfamilie), die in Ned. voorkomen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

botterblom: versk. plante v. etlike fam. (Cryptostemma calendulaceum; Dimorphotheca pluvialis; spp. Gazania, almal fam. Compositae,·spp. Ranunculus, fam. Ranunculaceae; spp. Sparaxis, fam. Iridaceae; selfs v. spp. Eschscholtzia, fam. Papaveraceae en v. Synotha bicolor, fam.?)

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Boterbloem (kruipende), Ranunculus repens
Ranunculus: de naam is het verkleinwoord van het Latijnse rana = kikker. Vele soorten van dit geslacht hebben namelijk een voorkeur voor vochtige standplaatsen, zoals vochtige wieden, langs en in sloten en plassen, dus plaatsen waar ook kikvorsen zich ophouden.
Repens: de plant heeft een kruipende groeiwijze.
Kruipende boterbloem met haar snelgroeiende bovengrondse wortelstokken kan de kruipende boterbloem in korte tijd een groot gebied beslaan. De plant dankt haar naam aan de kruipende groeiwijze. De naam boterbloem kreeg het geslacht vanwege de glanzende boterkleurige bloemblaadjes.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Ranúnculus | Ranúnculus ácris: Scherpe boterbloem
De wetenschappelijke geslachtsnaam is het verkleinwoord van het Latijnse rana: kikker. Vele soorten van dit geslacht hebben namelijk een voorkeur voor vochtige standplaatsen, zoals vochtige weiden, langs en in sloten en plassen: dus plaatsen waar ook kikvorsen zich ophouden. De soortnaam acris: scherp, bijtend, kreeg deze soort omdat zij een scherpe smaak heeft, hetgeen ook in de Nederlandse benaming tot uiting komt. De naam Boterbloem kreeg het geslacht vanwege de glanzende boterkleurige bloemblaadjes.
Omdat men in de vorm van het blad een overeenkomst zag met een vogelpoot, ontstonden namen als Hanevoet, Hanepoot, Haneklauw, Kraaievoet, Kraaiepoot en Krauwepoot; de laatste drie in Zuid-Limburg. De naam Hanevoet komen we reeds in de middeleeuwen tegen onder de Oudhoogduitse benamingen van Hanenfuss, Hanenwurz en Haneworz.
De naam Gelving kan volgens ons wel slaan op het gebruik bij geling, mede in verband met de gele bloemkleur. Deze ziekte moest dus te lijf gegaan worden door een kruid met, hier, gele bloemen. De naam Pinksterbloem - de plant bloeit omstreeks deze feestdagen - roept geen moeilijkheden op. Vroeger was men niet karig met de naam Pinkster- of Paasbloem voor planten die omtrent Pinksteren of Pasen in bloei stonden. Een afwijkende naam schijnt de in Zeeuws-Vlaanderen voorkomende naam Sinksekruid te zijn, maar dit wil niets anders zeggen dan Pinksterkruid. In Vlaanderen is de volksnaam Schinksenkruid.
Wegens de min of meer giftige eigenschappen wordt de plant door het vee niet gegeten. Men kan dit laatste zelf waarnemen op een weiland waar de Scherpe boterbloem voorkomt. Ze staat daar onverlet. Het scherpe sap van de plant bevat de giftige stof anemonol, dat bij het drogen overgaat in anemonine, en dan zijn giftige eigenschap verloren heeft. De bijtende stof veroorzaakt op de huid rode plekken die later veranderen in blaasjes. Hierop heeft de waarschijnlijk niet meer voorkomende naam van Brandkruid betrekking, maar die kan eveneens slaan op de scherpe, branderige smaak van het sap.

Cáltha | Cáltha palústris: Dotterbloem
Ook hier zijn de afleidingen van de wetenschappelijke geslachtsnaam niet eensluidend. De Romeinen bedoelden met Caltha, een plant met gele bloemen, hoogstwaarschijnlijk de Goudsbloem (Caléndula officinális). Zo vinden we bij P. A. Matthiolus (1563) de Goudsbloem als Caltha beschreven en in 1577 beschrijft H. Bock de ‘Dotterblumen, oder Goldwyser blumen’, als Caltha Vergily. Anderen vermelden dat Caltha is afgeleid van het Griekse Kalathos: korfje of schaaltje, naar de vorm van de bloemen. De naam Goudsbloem vinden we alleen voor Voorne en Beierland genoteerd, waaruit we mogen concluderen dat deze naam in die streek het langst bewaard is gebleven. Zo spreekt Dodonaeus van Watergoutbloemen en Abr. Munting in zijn ‘Waare oeffening der Planten’ (1682) van Water Goudbloem. In die tijd werd de plant reeds als sierplant gekweekt, deelt hij mede, en wel de dubbele vorm. Hij schrijft: ‘Caltha palustris flore pleno, ofte Dubbele Water Goudbloeme, schoon om te zien. Beide van een Culture.’ Uit deze laatste zin blijkt dat de gewone wilde plant ook reeds gekweekt werd. Ook Clusius kende de dubbele ‘goudsbloem’ en heeft deze beschreven onder Caltha palustris, ‘sive potius chamaeleuce pleno flore.’ Zoals Dodonaeus mededeelt: ‘Wassen in de weyen ontrent Saltzburz.’
De algemeen verspreide naam Dotterbloem heeft de plant - de enige soort van dit geslacht in ons land - gekregen naar de dooiergele kleur van de bloemen, want Dotter is volgens dr. J. de Vries een bijvorm van dodder en zou met dooier in verband staan. De naam Grote boterbloem komt op vele plaatsen voor en slaat op de gelijkenis der bloemen met de alom bekende boterbloem, maar de bloemen zijn bij de Dotter veel groter, hetgeen in de volksnaam tot uitdrukking is gekomen. De naam Waterboterbloem heeft de plant mede naar haar standplaats vlak langs het water gekregen; deze naam komen we tegen in Friesland, Oostelijk Drente, Noord-Veluwe, Noord- en Zuid-Limburg en op Overflakkee. Omdat de hoofdbloei omstreeks de Paas- en Pinksterdagen valt, ontstonden namen als Paasbloem en Pinksterbloem. Niet meer voorkomende namen zijn Smeerblad en Smeerbloem, die duiden op de glanzende bladeren en bloembladen, die er uitzien alsof ze met vet of smeer ingewreven zijn; vooral de bladeren voelen vettig aan.
Op enkele plaatsen in ons land komt de naam Kleine plomp voor, namelijk in het graafschap Zutphen, West-Friesland, Utrecht en Zuid-Holland. Deze naam duidt op de gelijkenis van de bladeren en bloemen met die van de Gele plomp (Núphar lúteum), maar dan in verkleinde vorm. Voor geneeskundige doeleinden had de plant weinig te betekenen, hoewel zij eertijds in de apotheek wel voorkwam onder de naam Herba et Flores Calthae palustris. Men gebruikte de plant met haar goudgele bloemen bij geelzucht. Zo wil nu eenmaal de signatuurleer. Behalve de bladeren en de bloemen kwamen ook de zaden in aanmerking: Men moest deze dan in wijn leggen en na enige tijd dit drankje innemen. De nog groene bloemknoppen in azijn gelegd, of gedroogd, werden gebruikt in de keuken in plaats van de bekende kappertjes (Cappáris spinósa). Men verkocht ze echter ook als echte kappertjes voor een hogere prijs.
Een oud kinderspelletje was om de tegenover elkaar staande, glanzende en weerspiegelende bloemblaadjes onder de kin te houden en door de min of meer sterke weerkaatsing te weten te komen hoe groot de voorliefde voor boter was; ook vertelde men elkaar of men veel of weinig boter gegeten had.

Ranúnculus ficária: Speenkruid
De soortnaam ficaria kreeg de plant naar de vijgvormige wortelknolletjes (ficus: vijg). De naam Vijgwortel die we bij Heukels, zonder plaatsaanduiding, vermeld vinden is waarschijnlijk geen echte volksnaam maar een vertaling van de Duitse benaming Feigwurz. Bij Dodonaeus komt de naam vijgwortel niet voor. Reeds in de twaalfde eeuw komen we de naam Fiwurtz, ook Ficaria, tegen. In Frankrijk en Engeland zijn de namen respectievelijk Herbe au fic en Figwort.
Voor de naam Speenkruid laten we Dodonaeus aan het woordt: ‘Cleyne gouwe oft Speencruydt. In onse tijden, ende wat daer voor, heeft men de wortelkens met de aenhangende greynkens of korlenkens begoot te gebruycken om de speenen te genesen: ende men heeft dit cruydt daerom de naem Speencruydt ghegeven: want de Speenen oft Anbeyen met het sap van dit cruydt oft van sijne wortelen met wijn oft pisse van den cranken gemengelt zijnde, dikwijls gewassen en genett, worden cleynder ende in een getrocken, ende verdroogen heel: ende pijne vergeet gantsch.’ Verder deelt hij nog mede dat volgens sommigen, alleen het bij zich dragen van het kruid (natuurlijk met de wortelknolletjes) reeds voldoende was om aambeien te genezen of de pijn daarvan te verzachten. Dit gebruik was volgens dr. M. van Andel (1909) in ons land nog lang in zwang. Volgens een ander is de naam ontstaan vanwege de gelijkenis met een speen of tepel van een zoogdier. Daar de wortelknolletjes wel iets weg hebben van de teelballen van de haan of de kater spreekt men in Friesland van Hoaneklootjes, en in Noord-Holland van Katteklootjes.
Vanwege de gelijkenis van de gele bloemen met andere soorten van het geslacht Boterbloem kreeg het Speenkruid ook namen als Boterbloem, Kleine boterbloem en Haagboterbloem (het plantje groeit graag op schaduwrijke plekken). De naam Vroege boterbloem (Apeldoorn) wijst op het zeer vroege bloeien. Hierop duidt ook de vroegere wetenschappelijke naam, namelijk Ficaria verna, want verna duidt op lente. Op Zuid-Beveland spreekt men van Pinksterblommen, volgens ons had men beter van Paasblommen kunnen spreken, want met Pinksteren is de hoofdbloei in de regel reeds afgelopen. Namen zoals Kleine celidonie (van chelidonium), Kleine gouwe, en Klein zwaluwkruid kreeg zij ter onderscheiding van de eveneens gele bloemen bezittende, Stinkende gouwe (Chelidónium május) die onder meer namen had als Groote gouwe bij Dodonaeus, en Zwaluwkruid. Slaat men P. A. Matthiolus (1563) op dan staat bij Speenkruid de wetenschappelijke naam Chelidónium mínor, dus kleine chelidonium. Hij zag deze soorten dus als verwanten. Dit zijn zij allerminst; het Speenkruid hoort tot de familie der Ranonkelachtigen terwijl de Stinkende gouwe tot de Papaverachtigen behoort.
Vroeger stond zij bekend als een probaat middel bij scheurbuik, waarop de Duitse volksnaam wijst: Scharbockkraut: Scheurbuikkruid. Bij latere onderzoekingen is gebleken dat de plant een groot gehalte aan vitamine C bevat. Zoals men weet ontstaat scheurbuik bij gemis aan verse groente of fruit. Het eten van het Speenkruid (in het voorjaar) kan dit gebrek aan vitamine C verhelpen. Men moet de bladeren echter in het voorjaar eten en niet later want dan hebben zij een scherpe smaak en bovendien kan het nuttigen dan schadelijke gevolgen hebben.
Behalve de wortelknolletjes produceert zij ook nog kleine broedknolletjes, ook okselknolletjes geheten, die zich ontwikkelen in de oksels van de stengelbladeren. Deze okselknolletjes kunnen, afgevallen, weer tot nieuwe zelfstandige plantjes uitgroeien. Deze tarwekorrelgrote broedknolletjes hebben aanleiding gegeven tot het volgende fabeltje: wanneer in een jaar veel van deze knolletjes gevormd worden en deze door een sterke en overvloedige regen van de plant afgespoeld worden, was men ervan overtuigd dat er een tarweregen had plaatsgevonden. Men sprak dan van hemelbrood. Volgens de kronieken heeft zo’n tarweregen plaatsgevonden op 25 juni 1550 in Thüringen en op de zondag van Pasen van 1580 te Brandenburg.

Ranúnculus ficária: Speenkruid
De soortnaam ficaria kreeg de plant naar de vijgvormige wortelknolletjes (ficus: vijg). De naam Vijgwortel die we bij Heukels, zonder plaatsaanduiding, vermeld vinden is waarschijnlijk geen echte volksnaam maar een vertaling van de Duitse benaming Feigwurz. Bij Dodonaeus komt de naam vijgwortel niet voor. Reeds in de twaalfde eeuw komen we de naam Fiwurtz, ook Ficaria, tegen. In Frankrijk en Engeland zijn de namen respectievelijk Herbe au fic en Figwort.
Voor de naam Speenkruid laten we Dodonaeus aan het woordt: ‘Cleyne gouwe oft Speencruydt. In onse tijden, ende wat daer voor, heeft men de wortelkens met de aenhangende greynkens of korlenkens begoot te gebruycken om de speenen te genesen: ende men heeft dit cruydt daerom de naem Speencruydt ghegeven: want de Speenen oft Anbeyen met het sap van dit cruydt oft van sijne wortelen met wijn oft pisse van den cranken gemengelt zijnde, dikwijls gewassen en genett, worden cleynder ende in een getrocken, ende verdroogen heel: ende pijne vergeet gantsch.’ Verder deelt hij nog mede dat volgens sommigen, alleen het bij zich dragen van het kruid (natuurlijk met de wortelknolletjes) reeds voldoende was om aambeien te genezen of de pijn daarvan te verzachten. Dit gebruik was volgens dr. M. van Andel (1909) in ons land nog lang in zwang. Volgens een ander is de naam ontstaan vanwege de gelijkenis met een speen of tepel van een zoogdier. Daar de wortelknolletjes wel iets weg hebben van de teelballen van de haan of de kater spreekt men in Friesland van Hoaneklootjes, en in Noord-Holland van Katteklootjes.
Vanwege de gelijkenis van de gele bloemen met andere soorten van het geslacht Boterbloem kreeg het Speenkruid ook namen als Boterbloem, Kleine boterbloem en Haagboterbloem (het plantje groeit graag op schaduwrijke plekken). De naam Vroege boterbloem (Apeldoorn) wijst op het zeer vroege bloeien. Hierop duidt ook de vroegere wetenschappelijke naam, namelijk Ficaria verna, want verna duidt op lente. Op Zuid-Beveland spreekt men van Pinksterblommen, volgens ons had men beter van Paasblommen kunnen spreken, want met Pinksteren is de hoofdbloei in de regel reeds afgelopen. Namen zoals Kleine celidonie (van chelidonium), Kleine gouwe, en Klein zwaluwkruid kreeg zij ter onderscheiding van de eveneens gele bloemen bezittende, Stinkende gouwe (Chelidónium május) die onder meer namen had als Groote gouwe bij Dodonaeus, en Zwaluwkruid. Slaat men P. A. Matthiolus (1563) op dan staat bij Speenkruid de wetenschappelijke naam Chelidónium mínor, dus kleine chelidonium. Hij zag deze soorten dus als verwanten. Dit zijn zij allerminst; het Speenkruid hoort tot de familie der Ranonkelachtigen terwijl de Stinkende gouwe tot de Papaverachtigen behoort.
Vroeger stond zij bekend als een probaat middel bij scheurbuik, waarop de Duitse volksnaam wijst: Scharbockkraut: Scheurbuikkruid. Bij latere onderzoekingen is gebleken dat de plant een groot gehalte aan vitamine C bevat. Zoals men weet ontstaat scheurbuik bij gemis aan verse groente of fruit. Het eten van het Speenkruid (in het voorjaar) kan dit gebrek aan vitamine C verhelpen. Men moet de bladeren echter in het voorjaar eten en niet later want dan hebben zij een scherpe smaak en bovendien kan het nuttigen dan schadelijke gevolgen hebben.
Behalve de wortelknolletjes produceert zij ook nog kleine broedknolletjes, ook okselknolletjes geheten, die zich ontwikkelen in de oksels van de stengelbladeren. Deze okselknolletjes kunnen, afgevallen, weer tot nieuwe zelfstandige plantjes uitgroeien. Deze tarwekorrelgrote broedknolletjes hebben aanleiding gegeven tot het volgende fabeltje: wanneer in een jaar veel van deze knolletjes gevormd worden en deze door een sterke en overvloedige regen van de plant afgespoeld worden, was men ervan overtuigd dat er een tarweregen had plaatsgevonden. Men sprak dan van hemelbrood. Volgens de kronieken heeft zo’n tarweregen plaatsgevonden op 25 juni 1550 in Thüringen en op de zondag van Pasen van 1580 te Brandenburg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boterbloem ‘weideplant van ondergeslacht Ranunculus’ -> Engels buttercup ‘landranonkel’; Zuid-Afrikaans-Engels botterblom ‘benaming voor diverse planten’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut