Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boter - (zuivelproduct)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boter zn. ‘zuivelproduct’
Mnl. botre ‘id.’ [1240; Bern.], botere ‘id.’ [1253; CG II, Gez.reg.].
Ontleend aan middeleeuws Latijn butyrum (waaruit ook Oudfrans bur(r)e > Nieuwfrans beurre; Italiaans burro), dat teruggaat op Grieks boútūron ‘koekaas’, een samenstelling uit Grieks boũs ‘rund’ (verwant met → koe) en tūrós ‘kaas’.
Mnd. botter; ohd. butera (nhd. Butter); ofri. butera, botera (nfri. bûter); oe. butere [ca. 700] (ne. butter).
Het oorspr. West-Germaanse woord voor ‘boter’ is nog te vinden in Oost-mnl. anke ‘boter’ [MNHW]; mnd. anke; ohd. ancho (mhd. anke, nhd. gewestelijk Anke ‘boter, vet’), verwant met onder andere Latijn ungere ‘zalven’, bij de wortel pie. *h2engw-. Het feit dat het oorspr. woord anke voor een zo alledaags product vervangen werd door een nieuw woord, doet vermoeden dat met het woord ook een ander productieproces geïntroduceerd werd. On. smjör ‘boter’ (nzw. smör) is verwant met → smeer.
boteren ww. ‘gelukken’. Nnl. in 't wil niet boteren ‘het gaat niet goed’ [1708; WNT], ook ten aanzien van een verstandhouding tussen personen, in bijv. ... boterde het niet te best tusschen ... [1891; WNT]. Overdrachtelijke betekenisuitbreiding van het concrete ‘tot boter worden (bijv. van melk)’, via uitdrukkingen als de melk wil niet boteren [1708; WNT]. Als overgankelijk werkwoord met doorzichtige betekenis ‘van boter voorzien’ al Middelnederlands.

EWN: boter zn. 'zuivelproduct' (1240)
ANTEDATERING: onl. butero 'boter' in de toenaam van Hugone Butero '(aan) Hugo Botter' [1155; ONW] en in de plaatsnaam Boterbeika 'Boterbeke' [1190, kopie ca. 1225; ONW]
Later: boter 'boter' [1284-85; VMNW]
EWN: ♦ boteren ww. 'gelukken' (1708*)
ANTEDATERING: het zal van daag met my niet botteren 'het zal wel niet zo goed lopen met mij vandaag' [1707; iWNT] (1708*)
{* De datering van de eerste attestatie in het EWN moet luiden: [1729; WNT].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boter [voedingsstof van melk] {bot(t)er 1201-1250} < latijn butyrum [boter, room] < grieks bouturon [boter, lett.: koeienkaas], van bous [koe] + turos [kaas]. De uitdrukking boter aan de galg zal willen zeggen dat een galg een onaangename zaak is en blijft, of men er nu iets fijns op smeert of niet. De uitdrukking botertje tot de boom [zoals men het zich maar wensen kan] wil zeggen ‘boter tot de bodem van het vat’, waarbij boom dus een samentrekking is van bodem.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boter znw. v., mnl. boter, botre, botter, butter v. (o.?) (boter in de zuidelijke dialecten, botter en butter meer in het noorden), fri. buter, buoter, butter, evenals ohd. butera v., ofri. butere v. (of butera m. ?), oe. butere v. (ne. butter) < lat. butyrum < gr. boũturon.

Evenmin als de Romeinen en de Grieken kenden de Germanen de boter als voedingsmiddel. Zij werd als zalf voor het insmeren van de huid gebruikt, zoals dat de klassieke schrijvers vermelden; daarop wijst ook, dat verschillende woorden voor ‘boter’ eigenlijk ‘zalf’ betekenen. Het schijnt dat de Grieken de boter als voedingsmiddel bij de Skythen hebben leren kennen. Dat vooronderstelt een nieuwe behandeling van de melk en daarom heeft het nieuwe woord, ook bij de Germanen, inheemse benamingen verdrongen. Als zulke oudere woorden kennen wij ohd. ancho m., een oud woord vgl. oi. añji-, añja- ‘zalf’, opr. anctan ‘boter’ bij lat. unguo ‘zalven’ (IEW 779) en on. smjǫr ‘vet, boter’, naast os. ohd. smeru, oe. smeoru, ‘vet’, vgl. got. smairþr ‘vet’ (voor de etymologie AEW 520). Verder oi. sarpis ‘gesmolten boter’ naast kypr. élpos (zie: zalf). — Men neemt aan, dat de Germanen reeds de boter gebruikten, voor zij in aanraking met de Romeinen kwamen; de overname van het nieuwe woord betekent dus niet, dat zij de boter eerst nu leerden kennen, maar wijst veeleer op een betere wijze van bereiding. Naast boter, dat de eigenlijke Brabantse vorm is, staat botter (Utrecht) en butter (Holland). Zie voor de terugdringing van het butter-gebied K. Heeroma, Holl. Dialekt. stud. 1935, 27 en kaart 15.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boter znw., mnl. bōter, botre, botter, butter v. (o.?) “boter”. De ō- (eu-)vorm schijnt vooral in zuidelijke diall. voor te komen (Maastricht, Leuven, Aalst, Wvla.), die met ŏ, en tt in frank. saks. en holl. streken van Noordnederland, ook in fransch Vlaanderen; in ʼt Fri. bûter, buter, buotter, butter. = laat-ohd. butera v. (nhd. butter v., opperdu. m.). mnd. botter v., ofri. butere v. (of butera m.?), ags. butere v. (eng. butter). Een algemeen-wgerm. ontleening uit lat. butyrum (gr. boúturon, misschien oorspr. skythisch) “boter” - niet oerwgerm. blijkens de t van ʼt laat-ohd. woord -; de lat. schrijftaalvorm is ontleend, niet de rom. vorm (waaruit fr. beurre, ofr. bure, it. burro enz.) De quantiteit van de lat. u en i schijnt niet vast te zijn geweest. Wsch. duidde het woord in ʼt Germ. oorspr. een bepaalde soort boter aan; want de Germanen kenden de boterbereiding, het Ohd. bezit zelfs twee germ. woorden voor “boter”: ancho m. en chuo-smëro m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boter v., Mnl. botere, gelijk Ohd. butera (Mhd. buter, Nhd. butter) en Ags. butera (Eng. butter), Ofri. butere, uit Mlat. butyrum, waaruit ook Fr. beurre en It. burro; dit butyrum van Gr. boúturon, van onbekenden oorsprong, maar waarin echter de volksetym. boũs = rund (z. koe) en turós = kaas vond. Dat het Hgd. de t niet verschoven heeft tot ss, bewijst niets voor den datum der ontleening, daar het Hgd. de tr niet verschuift. Het Oudgerm. had eigen woorden als ancho, smero, smalt. Vormen met enkele of dubbele t (bij onmiddellijk volgende r) en met of zonder umlaut staan nevens mekaar: boter, botter, beuter, butter: vergel. schotel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

botter s.nw.
1. Vetterige stof wat verkry word deur melkroom te karring. 2. Botteragtige vetstof verkry uit olieagtige plantdele.
Uit gewestelike Ndl. botter.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bo’ter (de), (ook:) snot. Roy zat naast een kleintje dat héél lief was. Maar dat telkens als die ‘boter’ uit haar neus dreigde te druipen, deze weer met een ademtrek naar binnenzoog (Cairo 1977: 164). - Syn.: neusboter*. - Zie ook: boterneus*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

botter: – (deftiger en veroud.) boter – , “’n bep. produk v. room of olierige plante”; Ndl. boter (Mnl. boter/botre/botter/butter, in suid. dial. boter, in noord. dial. botter, soos by vleesvleis; by vRieb o.a. bo(o)ter/botter), Eng. butter, Hd. butter, soos Fr. beurre uit Ll. butyrum; herk. hoërop onseker.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Botter snw. Segsw.: Vars botter en warm brood is die ou(e) man se bitter(e) dood. – Corn. en Vervl. 1607: Vers(ch)e boter en vers(ch) brood is mijn dood, zei de man. Met geringe afwykinge ook Joos 458, De Bo 167, De Cock 5, Rutten 37, Teirlinck 94.
Segsw.: So sterk soos ou botter. – Harreb. I, LXII: Hij is zoo sterk als oude boter.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boter (Latijn butyrum)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Boter tot den boôm, uitdrukking gebruikt om een toestand van volkomen of althans overgroot geluk of welstand aan te duiden; vroeger dikwijls in ’t bijzonder bij een bruiloft. Het is ontleend aan den boterhandel, waar niet altijd de vaten tot den bodem toe dezelfde goede kwaliteit van zuivere boter bevatten. Bekend zijn de woorden, waarmede Vondel’s Leeuwendalers eindigen: “De koeien geven melck en room, Het is al boter tot den boôm. Men zingt al Pais en Vree.”
Een anderen zin heeft de uitdrukking in het volgende citaat uit J. de Brune, waar zijn tot niet beteekent zich uitstrekken tot, maar genaderd of ter plaatse zijn: “’t Is te laat gespaert, als de boter tot den bodem is” (Banketwerck 2, 268). [Verbetering: Waarschijnlijker nog ontleend aan een vat met melk, die zoo vet is, dat het tot den bodem vol boterdeelen, als ’t ware geheel boter, is.]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boter ‘voedingsstof van melk’ -> Ewe bútrù ‘voedingsstof van melk’; Gã butru ‘voedingsstof van melk’; Twi bútùru ‘voedingsstof van melk’; Zuid-Sotho botoro ‘voedingsstof van melk’ ; Japans † bōtoru, bōtoro ‘voedingsstof van melk’; Munsee-Delaware pó:tal ‘voedingsstof van melk’; Unami-Delaware pó:t:ǝl ‘voedingsstof van melk’; Loup boutel ‘voedingsstof van melk’; Mahican póten ‘voedingsstof van melk’; Negerhollands bōtǝ, bōtu, botter ‘voedingsstof van melk’; Berbice-Nederlands botro ‘voedingsstof van melk’; Sranantongo botro ‘voedingsstof van melk’; Aucaans botoo ‘voedingsstof van melk’; Sarnami botro ‘voedingsstof van melk’; Surinaams-Javaans botro ‘voedingsstof van melk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boter voedingsstof van melk 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

325. Er de boter uitbraden,

ook wel de boter braden, d.w.z. smullen, het er eens van nemen; vetpot hebben. Sedert de 17de eeuw aangetroffen (vgl. Gew. Weuw. III, 48) en thans nog algemeen bekend; ook in het Friesch: nou scille wy de bûter ris útbriede. Vgl. Halma, 716: De boter uitbraaden, niets spaaren om iemand wel te onthaalen; Ndl. Wdb. III, 703; Handelsblad 9 Febr. 1918, p. 5 k. 3 (A): De kermisvierders wilden d'r voor het laatst nog eens de boter uitbrajen.

322. Wie boter op zijn hoofd heeft, moet uit de zon blijven,

d.w.z. die in een glazen huisje woont, moet met geen steenen gooien of geen steen op zijn buurmans dak werpen (Harreb. I, 105 a; Huygens VI, 91; Esopet, Ital. Waarzegger, 5), wie lijdt aan het een of ander gebrek, heeft geen recht het een ander te verwijten, moet er aan denken, dat wie kaatst den bal moet wachten. ‘Dus moet geen bakker worden, die een hoofd van boter heeft,’ zegt Tuinman I, 266. Ook Cats, 159 b waarschuwt:

 Wiens hoofd van boter is, die moet gedurig schromen;
 Die moet niet aen het vyer, of voor den oven komen.

Ook thans komt de uitdr. meermalen voor; zie Het Volk 19 Juli 1913, p. 9, kol. 3: Het spreekwoord zegt wie boter op het hoofd heeft, moet uit de zon blijven. Dus wilt gij anderen verwijten, doe het dan in de eerste plaats zelf niet; Ghetto2, 17: Hou jij je mond nou maar Coenie, want wie boter op zijn hoofd heeft, mot uit de zon blijve; Sjof. 273: Zie je wel, dat 'r geen een buiten kwam. Ze hadden boter op de kop (ze voelden zich schuldig), ze zorgden wel niet in de zon te loopen de vuile dievenbende; Haagsche Post, 2 Oct. 1920, p. 1 k. 2: In de tweede plaats viel deze keuze niet in den smaak, omdat de nieuwe premier wat men noemt boter op 't hoofd heeft en dus maar liever niet zoo in het zonnetje gezet moest worden. De heer Leygues heeft tijdens een van zijn ministerschappen een kleine onvoorzichtigheid begaan. Vandaar de boter. Vgl. nog Harreb. II, XXVII; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 2: Mr. Troelstra zal goed doen met deze spreekwoorden van buiten te leeren: Wie in een glazen huisje zit, moet niet met steenen gooien. Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen; Het Volk, 21 Maart 1914, p. 13 k. 1: Wij hebben ‘Het Huisgezin’ er aan moeten herinneren, dat het inzake eerbied voor de wet als roomsch orgaan te veel boter op het hoofd had, om in de zon te komen staan. - ‘Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen’, zegt een bekend Hollandsch spreekwoord..... En juist ten opzichte van het verplichte lidmaatschap hebben de heeren aardig wat boter op hun hoofd; 16 Juli 1914, p. 7 k. 1: Och arme, blijf toch uit de zon, als ge boter op uw hoofd hebt; 10 Nov. 1913, p. 3 k. 1; 14 Nov. 1913, p. 6 k. 3; 22 Oct. 1913 p. 6. k. 2: Moet dan de kommandant, die zooveel boter op het hoofd heeft, hier op hoogen toon spreken van chantage en meineed? De Blauwe Vaan, 19 Dec. 1914, p. 1 k. 4: Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon gaan staan; Groot-Nederland, Oct. 1914, p. 405: Wie boter op z'n hoofd heeft, mot niet in de zon loopen. In het nd. is de zegswijze ook bekend; zie Eckart, 69: Wecker (wer) Botter uppen Kopp hett möt nich in de Sunn goan; hd. Wer selbst in einem Glashaus wohnt, soll nach andern nicht mit Steinen werfen.

323. Het is boter aan de galg,

d.w.z. het is vergeefsche moeite; eene uitdrukking, die we in de 17de eeuw aantreffen in een bundeltje liederenDen eerlyken Pluck-vogel, gepluckt in diversche Pluymkens van Minne Liedekens, Herders-sangen ende Drinck-Liedekens uyt-gebroeyt door Joncker Livinus vander Minnen, t' Antwerpen by François van Gaesbeeck, bl. 220., waar een jonkman zegt:

 Maer 't verdriet my nu, myn Roosken,
 Want gy steckt van my de walg.
 Hoe ik vley uw' boter-doosken,

 't Is al boter aen de galgh.Verder ook Kluchtspel III, 141; Spaan, 180; Gew. Weuw. III, 18: 't Was boter tegen de galg gesmeerd. In de 18de eeuw vindt men ze opgeteekend in het Boere-Krakeel, 60; Willem Leevend III, 195; Adagia, 7: Boter aen de Galge gekletst, oleum et operam perdere; bl. 8, waar ze vertaald is door currus bovem trahit; en V. Janus, III, 292; Nest, 98: Het is toch boter tegen de galg gekletst. Thans is zij zoowel in Noordals in Zuid-Nederland algemeen bekend; vgl. Ndl. Wdb. III, 704 IV, 171; Joos, 98: Het is smout, boter aan de galg; Teirl. 201: 'Es al boter an de galge, in verbinding met de ww. kletsen, slaan, smijten, smeren, lappen, klakken, plakken; Waasch Idiot. 138 a: 't Is boter tegen de galg gekletst, 't is vergeefsche moeite; Volkskunde XXII, 82: 't Is allemaal vet aan de galg weggestreken; in het Friesch: it is bûter oan 'e galge; in de Rijn-provincie: dat es Botter ên der Galge gesmêt (unwürdigen geholfen); zie Eckart, 69.

Met Tuinman I, 19 geloof ik, dat men er niets anders mee heeft willen uitdrukken dan ‘al strijkt men daar aan noch zo veel boter, zy is en blijft een galg.’ Boter, iets fijns, lekkers, aan een galg te smeren, is ze verspillen (vgl. het mnl. den wech der hellen mit honich besmeren); vandaar kreeg de uitdr. de beteekenis van: nutteloos werk verrichten, vergeefsche pogingen doen, om iets te bewerken. In Vlaanderen gebruikt men hiervoor ook: 't is water op een eend (Joos, 98); het is gelijk het op eene aande regent (De Bo, 5 b), dat te vergelijken is met het hd. an dem läuft alles ab.

324. Boter bij de visch.

Een andere uitdrukking voor geld bij de visch (De Brune, 335) of ook wel hand op 't plankje, dat men zegt, wanneer men wil te kennen geven, dat eene contante betaling verlangd wordt. Deze zegswijze wordt aangetroffen bij Sartorius, I, 8, 95, 99; II, 8, 84; bij Tuinman I, 107: ‘Boter by de visch, dit wil zeggen, gereed geld by de koopwaare. Boter wordt by visch vereischt zal ze smaaken’; Harreb. I, 83; Amst. 80; Falkl. VII, 75. Ook in Zuid-Nederland is zij bekend naast geld bij de boter; vgl. Schuermans, 71; Joos, 75; Teirl. 201; 465 en Waasch Idiot. 138 a. De eigenlijke beteekenis zal wel geweest zijn, zooals Tuinman vermoedt, dat visch en boter bij elkaar behooren, anders smaakt hij niet; eene opvatting, die wellicht steun vindt in het volgende citaat uit de 17de eeuw:Pluck-vogel, bl. 213.

 'k Heb naer u groot verlangen, ick wensch naer u altoos,
 Als eenen visch naer boter, ô soete boter doos.

In Westfalen beteekent bueter bi de fiske hewwen, gut leben; zie Eckart, 69.

326. Boter(tje) tot den boôm

wordt gezegd van gelukkige omstandigheden, voorspoed, welvaart, overvloed. De uitdr. is sedert de 15de eeuw bekend en in de 17de eeuw vrij gewoon, vooral in toepassingen op het huwelijk, de wittebroodsweken (Ndl. Wdb. III, 702); dialectisch komt zij ook nu nog voor. Wat men er in eigenlijken zin mede bedoelt, is niet zeker; waarschijnlijk wil men zeggen dat niet alleen boven, maar tot op den bodem van het vat, zuivere, onvervalschte boter is te vinden. Vgl. H. de Luyere, 36: T is hier al boter totten bodem toe; Huygens, Hofwijck, vs. 651:

 De Berghjens die ghy vleidt zijn blanck en groen om 't seerst,
 En 't lachter u all toe, dewijl ghy op uw teerst
 Tot op den Bodem toe gras-boter meent te vinden:
 Maer 't is 'er sorgelick te treden voor de blinden:
 Gesuykert is de korst, de Taerte menighmael van Gall of Aloë.

Evenzoo Oogentroost, vs. 352:

 't Vell-diepe rood en wit, dat met den dagh verdwijnt,
 Eerbieden sy niet min dan boter tot den bo'em toe.

Zie verder Vondel, Leeuwendalers, vs. 2150; Geboortklok, vs. 671; Poirters 149; Tuinman I, 101: 't Is boter tot den bodem toe. Dat wil zeggen, 't is al weelde: gelyk een ton, die met boter van boven tot onder opgevult is; Harreb. I, 65; Ndl. Wdb. III, 702 (en verbeteringen); Het Volk, 11 Januari 1915 p. 5 k. 1: Een deel der burgerlijke pers blijft tegen heug en meug in beweren, dat het in de vluchtoorden alles botertje tot den boom is; Nkr. IV, 21 Aug. p. 4; 16 Oct. p. 6; Zondagsblad van het Volk, 2 Juli 1905 p. 2: Het is waarlijk niet alles botertje tot den boom met zijn veelbewogen leven; H.v.Z. 44: Eerst 'm uitschelde en uitvloeke en nou.... alles botertje tot an de boom; Boekenoogen, 102: 't Is botertje tot den boôm en karnemelk zonder end, 't is alles even mooi en goed; V.d. Water, 63: 't Is toar bottertje boven (boter tot bovenaan, tot den rand toe?), 't is daar vetpot.

642. Geld bij de visch!

d.w.z. dadelijk, contant betalen, boter bij de visch (zie no. 324). In de 17de eeuw was deze zegswijze bekend, zooals blijkt uit Coster 33, vs. 707:

Jan Soet: 'k Selmen metter haest in de klieren gaen steecken,
En volgheje datelijc, maer weetje watter is?
Bely: Jae'ck, se het een paer paerden te koop, maer ghelt bij de visch.

Zie ook Van Moerk. 418; De Brune, 335: Gheld by de vis, dat gaet niet mis; Paffenr. 64; Sartorius I, 8, 95 en 99: hy wilt gelt by de visch. De zegswijze komt overeen met geld bij de leverancie, dat we lezen bij Winschooten, 135. Vgl. nog Sewel, 895: Geld by de visch, ready money; Harreb. I, 83; in het fri.: jild (bûter) by de fisk of jild op 'e fingerseinen (= eng. to pay down on the nail); in het Waasch Idiot. 243 b: geld bij de boter (evenzoo Teirl. 465).

1246. Dat is koren op zijn molen,

d.w.z. dat komt hem te pas, dat dient hem, dat bevalt hem, evenals den molenaar het koren dat hij krijgt te malen. Eerst bij Sewel, 496 trof ik deze zegswijze aan: Dat is koorn op zyn molen, that is profit for him; Harreb. I, 439. Ook kende men: dat is water op zijn molen (zie Winschooten, 157; Halma, 357 en vgl. hd. das ist Wasser auf seine Mühle, waarbij men te denken heeft aan den molen, die door stroomend water in beweging wordt gebrachtVgl. met deze spreekwijze Huygens, Oogentroost, 753: Want of 't quam af te soeten dat afgesprongen is, sijn' keucken most het boeten, sijn' Molen-beeck liep droogh (het sou met zijne verdiensten uit zijn).. In Limburg zegt men ook nog in denzelfden zin dat is boter op zijn wagen (Welters, 110); in Groningen: da's wind op zien meulen (Molema, 474 a). Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 279 a en 419 a: dat is olie in mijne lamp; Waasch Idiot. 364: dat is kooren op mijnen meulen; Teirl. II, 172: dat is koren op mijne meulen, dat is profijt voor mij; dat is voor mijne meening eene goedkeuring; Antw. Idiot. 1897. In het eng. that brings grist to his mill, dat is voordeelig voor hem; in het fr. faire venir de l'eau au moulin. Hiernaast ook geen koren van den molen sturen, geen werk van den winkel sturen; vgl. Halma, 357: Men moet het koren van zijnen molen niet afwijzen; Harreb. I, 439: Koren dragen op iemands molen, hem helpen; o.a. Het Volk, 15 April 1913, p. 6: Men moet hier geen koren dragen op den molen van den tegenstander; Nkr. VII, 17 Mei p. 6: 't Is een stommiteit, zoo iets te zeggen. Je draagt maar koren op den linkschen molen.

1536. Met den mond vol tanden staan (of zitten),

d.w.z. niets zeggen ter verdediging, geen woord kunnen uitbrengen, beteuterd zijn; syn. voor snot en vuile boter staanN. Taalgids XIV, 250.; eig. alleen tanden en geen tong hebben. Sedert de 17de eeuw bekend; o.a. te vinden in Com. Vet. 85: Daer staen wy dan en kijcken met een mondt vol tanden; Smetius, 243: Daer stond hy met den mond vol tanden; De Brune, Bank. II, 286; Menschen, die zoo tael-blood zijn, dat ze met de mond vol tanden, maer zonder tonge staen en kijcken; en vgl. P.C. Hooft, Warenar, vs. 1011, het komische: O die kan immers kallen ofser tangt vol mongden hadt. Zie verder Van Moerk. 240; Tuinman I, 312, waar als synoniemen worden opgegeven hy staat, als of hy een een lap in den mond had; als of hy den mond vol bry had; Halma, 263: Met zijnen mond vol tanden staan kijken, être tout honteux, n'oser lever les yeux; Harreb. II, 99; Villiers, 81; M. de Br. 66; Prikk. V, 11; Ndl. Wdb. IX, 1059; het oostfri. hê steid mit 'un mund ful tanden; het Friesch: hy sit mei de mûle fol tosken; Jongeneel, 94; De Bo, 1132: met zijnen mond (of zijne toote) vol tanden staan; Antw. Idiot. 1220; 1905; Waasch Idiot. 443 b; 721 b. Bij Ogier, 8: Die staet en siet met het Backhuys vol tanden.

1618. Met zijn neus in het vet (of in de boter) vallen,

d.w.z. een (onverwacht) fortuintje krijgen; vooral juist komen als men ergens feest viert of smult; een voordeelig huwelijk sluiten. De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 474: Dat ick so ien reys mocht mit myn neus in 't vet raken; Van Eijk III, 41; Nkr. II, 25 Oct. p. 3: Het feit dat Z.E. Gestrenge door zijn benoeming met zijn neus zelf in de boter is gevallen; Kalv. II, 183: Je valt hier met je neus in de boter; Prikk. II, 11: Jij valt ook niet eventjes met je neus in de boter!; Het Volk, 25 Juni 1914, p. 5 k. 2: Nu, ge kunt denken dat hij (een onderkruiper) onder zooveel georganiseerden met zijn neus in de boter viel (leelijk te pas kwam). Elders leest men met zijn aars in de boter vallen (Harreb. I, 84 b), waarvoor men in Friesland zegt mei 't gat yn 'e bûter (of 'bûterfet) falle, gezegd van een meisje zonder geld, dat een rijk huwelijk doet; in Groningen: mit 't achterste (of mit 't gad) in de botter (of in 't bottervat) vallen (Molema 54 a; Bergsma, 67); op de Veluwe: met 't kond in de botter vallenOnze Volkstaal III, 250.; In Zuid-Nederland met zijn gat in de boter vallen (o.a. Antw. Idiot. 281; Teirl. 201; Tuerlinckx, 94). Bij Schuermans, 808 a: met zijne palms (of zijnen neus) in het vet vallen, ergens te midden van eene kermis of feest aankomen, in welken zin het bij ons ook niet ongewoon is (Dr. Bl. III, 46 en vgl. eng. to come at puddingtime); bl. 408: met den neus in 't vet zitten of liggen, goede dagen hebben; Joos, 84: met zijn duimen in 't vet vallen; Land v. Waas: met zijnen achteruit in de boter vallen of met zijnen bek in 't vet vallen. Syn. in de 17de eeuw met zijn lijf in een vat boter vallen; zie V.d. Venne, 226: Die met sijn Lyf in een vat boter valt, schijnt een geluckigen vet-sack te wesen.

1425. Dat is (oud) lood om oud ijzer,

d.w.z. dat is volmaakt hetzelfde; die ruil levert geen voor- of nadeel op; eig. de eene waar wordt verruild tegen de andere van ongeveer dezelfde waarde.In het Tijdschrift XVIII, bl. 82 heeft Mr. J.A. Sillem uit de Cameraars-rekeningen van Deventer en de Graaflijkheidsrekeningen van Holland trachten aan te toonen, dat lood en ruw ijzer in vroeger tijd in prijs niet veel verschilden en dat het laatste slechts iets duurder was dan het eerste. Men bedenke evenwel, dat deze overeenstemming in prijs van twee artikelen, die beide van elders moesten komen, niet anders dan tijdelijk en locaal kan zijn geweest, een constante waarde was in dien tijd niet denkbaar. Zie Sart. II, 10, 79: loot aen oudt yser; sulcke groet, sulck antwoort, die het opvat in den zin van: met gelijke munt betalen, op dezelfde wijze behandelen, zooals ook blijkt uit III, 5, 97: Loot om oudt yser, ubi quis similia similibus pensat. Tuinman I, 122, 197 en 358 stelt deze uitdr. gelijk aan lap om leêr. Bij Halma, 323 wordt duidelijk de tegenwoordige bet. er aan gehecht; hij verklaart dat is lood om oud ijzer door dat is slegt voor slegt, of die ruiling geeft geen voordeel, c'est pain pour fouace, ce troc n'est pas avantageux; C. Wildsch. VI, 62: ik ruil geen oud lood om oud ijzer; I, 312: t' is oud ijzer om oud lood; Harreb. I, 360. Vgl. Smetius, 188: het is een panneken om een potteken, - een knechtjen om een meysjen (vgl. Joos, 78: 't een is pot en 't ander panne); het 17de-eeuwsche gorre om guil (vgl. hd. Gurre wie Gaul); t' is vuile boter om gore kaas (Hist. d. Queesters, 310Zie Ndl. Wdb. VII, 728.); t' is vuil vet en vuile boterN. Taalgids, XI, 306.; vlaai om struif; het Vlaamsche dat is zeven om zeven (Joos, 84); de eene is puit en de andere padde (Waasch Idiot. 539); het Zaansche: 't is van den korf in den lapzak (Boekenoogen, 558 b); spek om spinde (Harreb. II, 285); pissebed weg, kakkebed weerom (De Vries, 88; Ndl. Wdb. VII, 897; vgl. H.v.Z. 64: Je zal wel niet slechter dan andere zijn - pissebed of kakkebed); de eene is pot en de andere is ketel (zie Antw. Idiot. 993; 1379; Teirl. 201); Sewel, 735: sop en geweekt brood; het Friesche gúl (gyl of goes) oan (om) goarre, treant oan toarre of lape om loarre, merrie om hengst, hommel om tor; súpe wirdt boarch for waei, karnemelk stelt zich borg voor wei; hui is karnemelks borg (C. Wildsch. II, 153; Gunnink, 177); waai borg f'r karnemelk (in Menschenw. 33); koek om vijgen (Harrebomée I, 426 a); oostfri. wei is karnmelks börge (Dirksen II, 80); enz.; fr. c'est bonnet blanc et blanc bonnet; hd. Aepfel um Birnen; das ist Jacke wie Hose, Mus wie Maus; eng. it is six of one and half a dozen of the other; in Zuid-Nederland: den eenen is vuil boter en den anderen is vuile visch of vuil vet.

2695. (Aanv.) Als de kok met de keukenmeid kijft, dan hoort men waar de boter blijft,

als twee schelden, die het gewoonlijk eens zijn, twist krijgen, dan komen hunne boevenstreken aan het licht; vroeger ‘als de kok met den bottelier kijft, dan weet men waar de botter blijft, waar meede men seggen wil, dat als de Opperhoofden beginnen oneens te werden, dan hoord de gemeene man, waar het haaperd, en waar het Boefje schuild; want soo lang de kok met de Bottelier het eens is, soo kan de oorsaak van het quaalijk schaffen verhoolen blijven, omdat die twee malkander de Bal toe kaatsen’ (Winschooten, 116). Evenzoo bij Cats I, 458:

Als kock en bottelier lest eens te samen keven,
 Toen hoord' ick onder wien de boter was gebleven.

Tuinman I, 146: Als kok en bottelier zamen kyven, hoort men waar de boter gebleven is.... Zo lang die vrienden zyn, konnen zy zamen ontrouw plegen: maar wanneer daar tusschen twist komt, dan beklappen zy malkanderen, en 't gepleegde komt aan den dag; Harreb. I, 83; Handelsblad 9 Januari 1925 (A) p. 1: Als de kok met de keukenmeid kijft; Ndl. Wdb. III, 738.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut