Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bosvis - (naam voor alle soort vis in beken en moerassen)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bos’vis (de, -sen), naam voor iedere soort vis en voor de gezamenlijke vissoorten voorkomend in kreken* (beken) en zwampen* (moerassen). De bosch- of zwampvisschen, die zich in de zwampen* en kreken* ophouden, trekken in den regentijd naar de overstroomde savannen* en bosschen, en begeven zich in het droge jaargetijde weer naar de diepere zwampen en kreken (Enc.NWI. 715). - Etym.: Deze vissen bevinden zich een deel van het jaar in de bosbeken: zie het cit. De naam wordt, evenals het syn. zwampvis*, gebruikt om ze te onderscheiden van rivier- en zeevissen. Oudste vindpl. Teenstra 1835 II: 388.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal