Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bospeer - (vrucht van twee (onbekende) boomsoorten)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bos’peer (de, -peren), (veroud.) naam voor de vruchten van twee (?) (nog) niet nader aan te duiden boomsoorten. Men vindt in de hooge landen twee soorten van boschperen aan bijna eene en dezelfde soort van boomen; dezelve groeien niet hoog en zijn met eene fijne, roodachtige schors omgeven, de bladeren zijn langwerpig en vrij breed met eene spitse punt. De vrucht is zoo groot als een ganzenei, wordende, na gescheld te zijn, fijn gesneden en vervolgens in water gelegd, om er de olieachtige deelen te doen uittrekken (); ook maakt men er konfijt van terwijl dezelve gestoofd door sommigen vooreene lekkernij gehouden worden. De tweede soort verschilt bijna alleen daarin van deeze, dat dezelve kleiner is (Teenstra 1835 I: 247; enige vindpl.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut