Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boslandcreool - (afstammeling van weggelopen slaven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

creool zn. ‘afstammeling van negerslaven; klein oorringetje’
Nnl. Crioolens (mv.) ‘Afrikaanse slaven en/of hun afstammelingen’ [ca. 1740; Ontwerp], creool-negers (mv.) ‘in Suriname geboren negers’ [1749; Friederici], alles Saramacse Criolen, uijtgenomen 3 a 4 soutwaters ‘allen in Saramacca geboren negerslaven, met uitzondering van 3 of 4 van overzee aangevoerde slaven’ [1762; WNT zoutwater], Kreolen (mv.) ‘in Amerika uit blanke ouders geboren personen’ [ca. 1786; WNT], ‘kleurling; inlands kind in West-Indië’ [1912; Kuipers], ‘oorringetje’ [1984; Dale].
Volgens Toll. en EDale ontleend aan Frans créole [1670; Rey], dat teruggaat op het Portugees, maar gezien de vele contacten met Portugees sprekenden in Zuid-Amerika en ook gezien twee van de drie oudste attestaties waarschijnlijk rechtstreeks uit Portugees crioulo ‘in Brazilië geboren kleurling’ [1632; Rey] met de variant Portugees crioilo (Portugees -ou- was een diftong, die later [o] werd). De Portugese vorm is alleen te verklaren als die is ontleend aan een Spaanse vorm met de verkleinwoorduitgang -uelo bij crio ‘zuigeling, kindje’ (die niet in het Portugees voorkomt), bij het werkwoord criar ‘kweken, opvoeden’ (< Latijn creāre ‘verwekken’, zie → creatie) en vgl. Portugees cria ‘jong van een dier’. Deze Spaanse vorm *criuelo kan via een corruptie in de taal van de Afrikaanse slaven tot *crioilo zijn geworden, waarop het Portugees hem ontleend heeft als crioilo, crioulo. In het Spaans ontwikkelde het woord zich tot criollo ‘in de kolonie geboren slaaf, kleurling of blanke’ [1562; Woll], ‘in de kolonie geboren blanke’ [1590; Woll], waaraan het Frans, gezien de Zuid-Amerikaanse uitspraak van de -ll- als /j/ of /ž/, niet ontleend kan zijn.
De oudste elf Spaanstalige attestaties (1562-99) betreffen zowel slaven, kleurlingen als blanken; de bepalende factor is daar blijkbaar niet de huidskleur maar het geboren zijn in de kolonie uit van elders afkomstige ouders. Het woord wordt dan rond 1600 uitsluitend een aanduiding voor wie in noordelijk Zuid-Amerika of het Caraïbisch gebied (en zelfs in Oost-Indië) geboren was uit blanke, uit Europa afkomstige ouders. In de 18e eeuw gaat het woord in vele talen ook weer de in West-Indië geboren nakomelingen van Afrikaanse slaven aanduiden. Tegenwoordig duidt het woord in het Nederlands ook iemand van gemengd bloed aan (deze betekenis wordt nog in Koenen 1974 en Dale 1998 aangemerkt als ‘onjuist’, resp. ‘minder juist’), met name een Surinaamse of Caribische afstammeling van negerslaven. Ook in het Brits-Engels wordt de betekenis van creole tegenwoordig steeds meer beperkt tot ‘uit het Caribisch gebied afkomstige afstammeling van negerslaven’.
De term creool werd ook voor dieren gebruikt: creool-paarden en creool-varkens waren niet uit Europa ingevoerd, maar in Zud-Amerika gefokt [1749; Friederici].
De betekenis ‘oorringetje’ is ontstaan in de jaren 1980, mogelijk omdat Surinamers en Antillianen (ook mannen) ze veel droegen. Zie verder ook nog → creoliseren.
boslandcreool zn. ‘afstammeling van weggelopen slaven’. Nnl. boslandcreool [1956; pers.waarn.]. Gevormd uit → bos, → land en creool. In Suriname in de jaren 1950 opgekomen term voor bosneger ‘id.’, ter vermijding van het als denigrerend aangevoelde woord neger; al vanaf diezelfde tijd, maar vooral aan het eind van de 20e eeuw werd ook dit woord weer vervangen, nu door het zn.marron ‘afstammeling van weggelopen slaven’, dat eerder veelal werd gebruikt in de historische betekenis ‘weggelopen slaaf’.
Lit.: A. Roeleveld (2002) ‘Creool, een woord met geschiedenis’, in: TNTL 118, 342-348; ‘Ontwerp tot Eene Beschryving van Surinaamen’, geciteerd in J. van Donselaar (1996) ‘Berichten’, in: Oso 15-1, 125, datering in R. Beeldsnijder (1996), ‘Om werk van jullie te hebben’, Plantageslaven in Suriname, 1730-1750, Utrecht; R. Allsopp (1996) Dictionary of Caribbean English usage, Oxford; Donselaar 1989; Dieter Woll (1997) ‘Esp. criollo y port. crioulo’, in: A. Bollée & J. Kramer (eds.) Latinitas e romanitas, Bonn, 517-535

EWN: ♦ boslandcreool zn. 'afstammeling van weggelopen slaven' (1956)
ANTEDATERING: Creolen 556 / Chinezen 29 / Indianen 764 / Boslandcreolen ± 2000 [1954; Het Nieuws (KB) 17/12] (1956)
Later: de Boslandcreolen [1955; Leeuwarder courant (KB) 31/10]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Bos’landcreool, -kreool (-creoolse, -kreoolse) (de, -creolen, -creoolsen), syn. van Bosneger(in)* (2): z.a. Heel vroeg in de ochtend kwamen zij in hun korjalen* uit de dorpen in de omtrek naar Ligorio; boslandcreolen*, behorend tot de stam der Saramaccaners* (Hangalampoe 1 (4): 30: 1973). - Etym.: Zie bosland*, zie Creool*. Het woord is omstreeks 1960 in zwang gekomen. Dat hing samen met het toenemende contact tussen deze mensen en de overige Surinamers, welke laatsten de woorden ‘bos’ en ‘neger’ in sommige verbanden als niet beschaafd aanvoelen. Het woord B. vindt bij de Bosnegers zelf moeilijk ingang. - Zie ook: districtscreool*, stadscreool*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut