Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boskapok - (boom (Bombax globosum, Kankantrifamile))

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bos’kapok (de), 1. boom met bloemen die vele, zeer lange meeldraden hebben en met bruin vruchtpluis (Bombax globosum, Kankantrifamile*) en enige minder bekende Bombax-soorten. Zie Ost. 116. - 2. het vruchtpluis van deze bomen. De Surinaamsche boschkapok of, zooals men hier meer algemeen zegt, boschkatoen*, is van mooi glanzend bruine kleur (Stahel 1944: 108). - Etym.: Het zijn bosbomen behorende tot dezelfde familie als de wilde kapokboom (Ceiba pentandra, de kankantri*). - Syn. van 1 en 2 boskatoen*. Zie ook: savannekapok*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut