Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bosgors - (broedvogel van de moerassige bossen)

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BOSGORSEmberiza rustica
Duits Waldammer
Engels Rustic bunting
Frans Bruant rustique
Fries Boskgoars
Betekenis wetenschappelijke naam: rustica = op het land levend. De Bosgors is een broedvogel van de moerassige bossen in Scandinavië, Rusland en Siberië. In ons land wordt hij als dwaalgast waargenomen. De soort wordt ook wel Bosvink, Woudgors en Boerengors genoemd.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Bosgors Emberiza rustica Pallas 1776. In ons land zeldzame doortrekker uit Scandinavië en Rusland. In laatstgenoemd land in 1776 voor het eerst beschreven door de Duitser Pallas (zie sub Pallas’ Boszanger), van wie ws. ook de D naam Waldammer stamt. D Wald ‘woud, bos’ is niet de fraaist denkbare vertaling van Lat rustica ‘op het boeren- of platteland levend’ maar een beter alternatief is in het D bijna niet voorhanden (‘Feldammer’ zou gekund hebben; in het D kan men niet met ‘Bauern-’ vertalen zoals in het N met ‘Boeren-’). Vandaar dat een N vertaling Boschgors of Woudgors (Snouckaert 1908) niet nodig waren geweest: Boerengors (in navolging van Boerenzwaluw) zou uitstekend voldaan hebben! Snouckaert 1908 noemt de naam Boerengors ↑ wel, maar deze naam heeft het tegen de naam Bosgors (in Thijsse 1944: Boschgors) afgelegd. Wellicht wist men h.t.l., waar de soort pas in 1874 voor het eerst werd waargenomen, niet zo goed hoe de broedbiotoop eruitzag (wel in bossen, maar vooral de vochtige open gedeelten daarvan). Op de najaarstrek komt de soort bij ons niet in bossen voor. E Rustic Bunting en F Bruant rustique zijn passende namen. Zweeds Videsparv (= Bosgors, maar letterlijk: ‘wilgengors’) en N Wilgengors zijn verschillende soorten!
ETYMOLOGIE N bos bosch, busch; fries bosk; naast overeenkomende germaanstalige equivalenten in het D, E en noors, ook F bois (1080), Sp bosque, It bòsco boscus *busk. *bheu(s) ‘zwellen’. Verwante woorden zijn boos (‘gezwollen van woede’), buis, boezem, buik ↑, buil. Zie ook verwante buidel en fries ponge sub Buidelmees en Pongmieske.

Boskgoars Officiële friese naam voor de Bosgors ↑ [Boersma 1972]. De Vries 1911 gebruikt deze naam nog niet; wel vermeldt hij helgolandfries Roadstreket Niper (zie sub Nieper).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut