Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bos - (bundel, woud)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bos zn. ‘bundel; woud’
Onl. *busk- ‘bos’ in de plaatsnaam Thicabusca ‘Dikkebus (West-Vlaanderen)’ [1089; Gysseling 1960, 271]; mnl. busch, bosch ‘bundel’ [1240; Bern.], ‘bos’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.].
Os. busc ‘struik’ (mnd. busch, busk ‘struik, bos(je)’); ohd. busc ‘struik’ (mhd. busch ‘struik, woud, bundel’; nhd. Busch ‘struik’); nfri. bosk ‘bundel, woud’; me. busch, busk ‘struik’ (ne. bush ‘struik’); on. buski (nzw. busk(e) ‘bosje’); < pgm. *buska-. Naast bush heeft het Engels ook de vorm bosk(y) ‘(begroeid met) struikgewas’, die, gezien de -k-, een jongere ontlening aan het Oudnoords is.
Afleiding van een wortel *bus- < pie. *beu-, *bheu- (IEW 98) ‘zwellen’ is hoogst twijfelachtig. Het moet gezien het beperkte verspreidingsgebied, de onzekere pie. wortel en het betekenisveld een substraatwoord zijn.
De Romaanse talen kunnen het substraatwoord direct of via het Germaans hebben overgenomen: middeleeuws Latijn boscus, buscus ‘bos, struik’; Oudfrans bos ‘woud, boom, hout’ (Nieuwfrans bois ‘woud, hout’); Italiaans bosco; Spaans, Portugees bosque ‘bos, woud’. De exacte verhouding tussen het Romaanse woord en de Germaanse woordstam is nog niet geheel opgehelderd. Sommigen brengen de eerste in verband met Grieks bóskein ‘vee voeren’; het zou dan oorspr. ‘weideland’ moeten betekenen, wat weinig wrsch. lijkt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bos* [bundel, woud] {in de plaatsnaam Thicabusca 1089, bosch, busch, bussche [woud, bos, bundel] 1201-1250} middelnederduits busch, busk, oudsaksisch busc, middelhoogduits busch, middelengels bus(c)h; de vorm middeleeuws latijn boscus en de rom. vormen als frans bois stammen uit het germ. In het nl. is pas na de Middeleeuwen verschil en betekenis en geslacht opgetreden: ‘bundel’ is de bos, ‘woud’ is het bos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bos znw. o., zowel als ‘woud’ en als ‘bos, bundel’, mnl. bosch, busch m. o. naast zelden bus, mnd. busch, busk m., ohd. os. busc, m., me. busch, busk (ne. bush), waarnaast bussel, nhd. büschel. Een westgermaanse formatie met een k-suffix van de wt. *bus ‘zwellen’ (waarvoor zie: boos). — > fra. bosse (sedert 1783) ‘kaardedistel’ (M. Valkhoff 67).

Een afleiding uit mlat. boscus, buscus, die men vroeger wel placht aan te nemen, is daarom al minder waarschijnlijk, omdat dit woord zelf uit een westgerm. *buska zal zijn ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bos znw., in oorsprong één met bosch o., dial. ook busch, in ʼt Zuidndl. ook m. Mnl. bosch, busch m. o. (zelden bus) “bosch”, zelden “bos”. Men leidt ndl. bosch, bos en os. (wsch. niet ohd.) busc (in brâmalbusc m.), mhd. nhd. busch m., mnd. busch, busk m. “struik, boschje, bos”, meng. busch, busk (eng. bush) “id.” gew. uit rom. *boscu (it. bosco, fr. bois) = mlat. boscus af. Minder wsch. is ʼt, dat dit omgekeerd uit ʼt Germ. komt; wgerm. *buska- zou desnoods bij *bhū̆s- “zwellen” (zie boos) kunnen hooren. In dit geval hoefden de. busk, zw. buske “bos, struik, boschje” niet uit het Ndd. ontleend te zijn. - Uit de afleidsels ofr. boscage (fr. bocage) en fr. bouquet (uit bosquet) komen bosschage o., mnl. bosschage, -alie, -aelge “boschhout, bosch” en bouquet. Ook in andere germ. talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bos 2 m. (bundel), Mnl. bos, busch, hetzelfde woord als bosch; ook Mhd. busch = bos en bosch.

bosch o., Mnl. bosc, busc, gelijk Ohd. busk (Mhd. en Nhd. busch), Eng. bush, Zw. buske, De. busk(e), uit Mlat. boscum, buscum (-us) = struikgewas, bundel, waaruit ook Fr. bois, It. bosco; Mlat. buscum uit arbustum, afl. van arbor = boom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bos (zn.) woud; Aajdnederlands busca <1089>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. bos (de, -sen), (ook:) de gezamenlijke trossen bananen (bananen* of bakoven*) aan een steel. Van elk bananenplantsoen [plantgoed], dat in den grond gestoken werd, rekende de directeur* op vier bossen en die kreeg hij ook (Bartelink 24). - Etym.: Oudste vindpl. not. van 1757 (S&dS 646). - Zie ook: hand* (2), vinger* (2).

bos- (als eerste lid van een samengest. zn.), 1. behorende bij bos (dus als AN). Voorbeelden: bosdruif*, bosgeit*, Bosneger*, bosyaws*. - 2. behorende bij ‘het bos’* (II), dus minder bekend in de dichter bevolkte delen van het land. Voorbeelden: bosbewoner*, boskampje*, bostoelage*. - 3. ‘wild’, als tegenstelling van ‘gekweekt, gecultiveerd’. Voorbeelden: bosbanaan*, bosdoks*, bosthee*. - Opm.: In vele gevallen lopen deze betekenissen door elkaar. Vooral bij plantenamen komt de combinatie van 1 en 3 veel voor, bijv. bij boskasjoe*, boskers*, bostamarinde*. - Etym.: S boesi kan al deze bet. hebben.

II. bos: het bos, (ook:) het binnenland, bij uitbr. al het land, wel of niet bebost, buiten de dichter bevolkte delen van het kustgebied (in Suriname). De goudvelden* hebben menigeen naar het bos gelokt (J&L 1922: 18). Ze had wel willen schreeuwen, dat ze helemaal niet naar het bos terug wilde, maar altijd bij tante [die in Paramaribo woont] wou blijven! (Maynard b: 29, schrijvend over een Indiaans meisje dat niet terug wil naar haar geboortedorp). - Etym.: Het overgrote deel van het betreffende gebied, vooral het binnenland, bestaat inderdaad uit bos. (1) E ‘the bush’ kan in Guyana en andere Westindische gebieden hetzelfde betekenen (D.g.f. 17, C&L). - Samenst.: vele, zie bos-* (2).
— : -bos (het, -sen; als tweede lid van een samengest. zn.). De namen van de natuurlijke bostypen in Suriname en hun onderlinge verwantschappen zijn: I mangrovebos* (AN), I.1 parwabos*, I.2 mangrobos*. II zwampbos*, II.1 hoog zwampbos* (w.o. mierenhoutbos*), II.2 laag zwampbos* (w.o. koffiemamabos*). III drasbos*, III.1 laagbos*, III.2 oeverbos* (w.o. morabos*), III.3 kreekbos*, III.4 possumbos*. IV savannebos*, IV.1 hoogsavannebos* (w.o. dakamabos*), IV.2 laag savannebos* of tikitikibos* (w.o. bergsavannebos*), V hoogbos* of hoog drooglandbos* (w.o. ritsbos*). VI walababos*. VII lianenbos*. VIII mosbos*. - Zie ook: pinusbos*, kapoeweri(bos)*, onderbos*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

bos 'hoog hout, geboomte'
Onl. busc, busch, mnl. bosch, busch, os. (bramal)busc, mhd. busch, me. busch, busk, uit Frankisch *bosk 'struik, woud, bundel'. Het woord komt ook voor in de Romaanse talen, maar het is niet ontleend aan het Romaans. Gezien het beperkte verspreidingsgebied en het betekenisveld (landschap) wordt gedacht aan herkomst uit een substraattaal1.
Oudste attestaties in plaatsnamen: ca. 1160 Cononbusc 'bos van de persoon Cono' (†Koenenbos bij Doorwerth)2, 1185 Cheserbusch (→ Keizerbosch)3, 12 eeuw kopie ca. 1420 Buschusa (→ Boshuizen)4, 1222 de Orthen cum Buscho (→ 's-Hertogenbosch)5.
Lit. 1EWN I 360, 2Künzel e.a. 1989 209, 3Idem 203, 4Idem 96, 5Gysseling 1960 487.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bos. In Den Haag werd verschillende keren de verwensing loop naar het Haagse Bos! genoteerd. De verwensing drukt woede en andere frustratie uit en wenst de veroorzaker van die woede letterlijk een eind bij zich vandaan. De emotionele betekenis is ‘ik ben kwaad, ik minacht je, hoepel op’. Dit soort lokale verwensingen, die natuurlijk niet letterlijk opgevat moeten worden, is zeer algemeen. Uit mijn Brabantse jeugd herinner ik mij loop naar de Pin! De Pin of Pindorp was een kerkdorp dat hoorde tot de gemeente Wouw. De huidige naam is Wouwse Plantage. Uit mijn militaire diensttijd, o.a. doorgebracht in ’s-Hertogenbosch, ken ik loop naar de Drunense Duinen! Dat was een oefenterrein voor dienstplichtigen uit de kazernes in de omgeving van Den Bosch. De verwensing je kunt het bos in! drukt minachting uit en betekent zo veel als ‘loop naar de pomp’. Alleen Sanders en Tempelaars (1998) geven als typisch Haagse verwensing nog ga naar het Haagse Bosch, dan kun je lelijkerds zoeken! en als varianten noemen zij ga naar het Haagsche Bos, met je matje! en loop het Haagse Bos in en kom er nooit meer uit! “Het Haagse Bosch,” schrijven zij, “staat al eeuwen bekend als ontmoetingsplaats voor homoseksuele mannen.” → boom, hangen.

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bos

Al in de Oudheid gingen er geruchten over een land dat zich ten zuiden van Azië zou bevinden. De klassieken noemden dit het Terra Australis Incognita, het Onbekende Zuidland. Maar Australië bleef nog lang een witte vlek op de kaart, ook na de Oudheid, omdat het buiten de normale scheepvaartroutes lag. Nederlanders van de Verenigde Oostindische Compagnie die in de eerste helft van de zeventiende eeuw expedities naar het zuiden ondernamen, zagen in de verte de Australische kust liggen. Sommige kapiteins landden zelfs op die kust, maar van enig systematisch onderzoek was geen sprake. Pas in 1642 werd Australië verkend. Dit gebeurde op initiatief van Anthony van Diemen, de toenmalige Nederlandse gouverneur-generaal van Oost-Indië. Van Diemen zond de ontdekkingsreiziger Abel Jansz Tasman uit om de handelsmogelijkheden met het ‘Grote Zuydtlandt’ te onderzoeken. Tasman stuitte het eerst op de westkust van Tasmanië, dat hij ter ere van zijn opdrachtgever Van Diemensland noemde. Daarna bereikte hij de kust van Nieuw-Zeeland en vervolgens voer hij, overigens zonder het te beseffen, rond Australië terug naar het toenmalige Batavia.

In 1644 werd Tasman nogmaals uitgezonden voor nadere inspectie van het nieuwe land. Hij verkende de noord- en westkust van Australië en ontdekte dat het één continent vormde. Hij noemde dit continent Nieuw Holland. De westkust, waarop de Nederlanders waren geland, was ontoegankelijk en ongeschikt voor kolonisering. Enig uitzicht op profijtelijke handel was er ook niet, en dus verdween de Nederlandse interesse snel.

Het duurde meer dan een eeuw voordat er weer belangstelling voor Australië getoond werd. Ditmaal waren het de Engelsen, die in 1770 onder leiding van James Cook Australië verkenden. Dankzij het toeval, of om preciezer te zijn dankzij de harde wind, landden de Engelsen op de veel vruchtbaardere oostkust, die ze New South Wales noemden. De Engelsen onderzochten het gebied nader en besloten er te blijven. In 1788 vestigden zij er een strafkolonie, en later ontstonden er vrije vestigingen. De immigratie naar Australië was hiermee een feit.

Na de Engelsen trokken ook andere Europeanen naar Australië. Over de immigratie vanuit België heb ik geen gegevens kunnen vinden; zij zal dus wel gering zijn geweest. De immigratie van Nederlanders begon pas laat. In de negentiende eeuw was zij nog verwaarloosbaar. In 1933 woonden er niet meer dan 1272 Nederlanders in Australië, en dit was in 1947 tot slechts 2174 opgelopen. Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal Nederlanders dat uit Nederland of Indonesië emigreerde, snel toe. In 1961 woonden er een kleine 52.000 Nederlanders in Australië bij een inwonertal van ruim elf miljoen, en vormden de Nederlanders na de Italianen en de Grieken de grootste groep buitenlanders. In 1986 was hun aantal opgelopen tot ruim 95.000.

Het Australisch-Engels nam leenwoorden over uit de talen van de verschillende immigrantengroepen. Uit het Duits en Jiddisch zijn bijvoorbeeld geleend clinah, cliner ‘vriendin’ (van Duits kleine) en mozzle ‘geluk, pech’ (van Jiddisch mazzel). Hoe staat het met de invloed van het Nederlands? Het antwoord kan kort zijn: daar staat het niet mee. Natuurlijk zijn er nog Nederlandse plaatsnamen te vinden, vooral aan de westkust: Dirk Hartog Island, Vlaming Head, Geelvink Channel. De Nederlanders waren tenslotte de eerste ontdekkers van Australië. Maar vele plaatsen zijn door de Engelsen hernoemd. Zoals de naam van het continent. Abel Tasman had het Nieuw Holland gedoopt, maar in 1814 stelde de Brit Matthew Flinders de naam Australia voor, gebaseerd op de naam die in de Oudheid gebruikt was: Terra Australis, het Zuidelijk Land. Ook Van Diemensland werd hernoemd, hoewel het wel vernoemd bleef naar een Nederlander. In 1855, toen het eiland zelfbestuur kreeg, doopte men het om in Tasmania, naar de ontdekker. De oorspronkelijke naam is echter niet spoorloos verdwenen: een Tasmaniër wordt nog steeds een Vandemonian (vroeger ook Van Diemonian) genoemd.

Maar verder is de Nederlandse invloed te tellen op één vinger van één hand: de invloed bestaat namelijk uit een enkel woord, het woord bush ‘woud, nauwelijks bewoond land’. Dit is ontleend aan Nederlands bos, misschien via Zuid-Afrika. Het oudste citaat van bush dateert uit 1826 en staat in een verslag over New South Wales: ‘they [the stock owners] go into the interior, or bush, as it is termed, beyond the occupied parts of the country, usually procuring the assistance of some of the black Natives, as their guides.’

Het Engels heeft niet het wóórd bush van ons overgenomen — dat bestond namelijk allang in het Engels voordat de Engelsen naar Australië trokken. Nee, het nieuwe is de betekenis. In het Engels betekende bush tot dan toe ‘bosje, struik’; het woord is verwant met ons bos. In de koloniën hebben de Engelsen de betekenis ‘onbewerkt of bebost land’ van ons overgenomen. Deze ontlening heeft in verschillende gebieden onafhankelijk van elkaar plaatsgevonden: in de zeventiende eeuw hebben de Amerikanen het van Nederlandse kolonisten geleend — denk aan plaatsnamen als Flatbush —, in de achttiende eeuw hebben de Britten het in Zuid-Afrika overgenomen, en in de negentiende eeuw is het woord in Australië een begrip geworden.

De Bush speelt een grote rol in het dagelijks leven van de Australiër, en is in vele gedichten en prozawerken bezongen. De eerste kolonisten beschouwden de bush als een vloek: ‘a country and place so forbidding and hateful as only to merit [...] curses’. Daarna raakte de bevolking aan haar omgeving gewoon en ontwikkelde zij bushmanship of bushcraft, het vermogen om in de bush te overleven. Uiteindelijk werd een deel van de bush getemd. Er ontstonden Nationale Parken en bushwalking werd een populair tijdverdrijf. De bush heeft geleid tot vele typisch Australische samenstellingen: bushman ‘woudloper’, bushranger ‘ontsnapte gevangene, iemand die zich schuilhoudt in de bush’, bushwacker ‘iemand die in de bush woont, een sociaal onaangepast iemand’, bushed ‘verdwaald, stomverbaasd’, en uitdrukkingen zoals to get on like a bushfire, to go bush.

Dat het Nederlands zo weinig invloed heeft gehad in Australië, is gemakkelijk verklaarbaar. Het Nederlandse aandeel in de bevolking is pas sinds 50 jaar omvangrijk. Daarbij komt dat de Nederlanders zich onmiddellijk aan de nieuwe samenleving aangepast hebben, en dat er nauwelijks Nederlandse gemeenschappen zijn — de Nederlanders wonen verspreid over het continent. Het is mogelijk dat waar een omvangrijke Nederlandse gemeenschap woont, andere Australiërs lokaal een bepaald Nederlands woord gebruiken, maar veel zal dat niet voorkomen. Volgens talloze studies integreren de Nederlanders sneller dan andere groepen en behoren zij tot de weinigen die hun kinderen geen naschoolse lessen in de eigen taal en cultuur geven. Wel behouden sommige Nederlandse families typisch Nederlandse gewoonten die draaien om molentjes, klompen en tulpen — de Nederlandse clichés bij uitstek. Sommige Nederlanders zetten windmolentjes of klompen met bloemen in hun tuin, en houden jaarlijks tulpenfeesten (Tulip Festivals). Verder bestaan er Nederlandse clubs, waar — volgens een Australische encyclopedie — onder andere klavergas (sic) gespeeld wordt. Deze gewoonten nemen de Australiërs net zo min over als de Nederlandse woorden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bos ‘bundel; (Surinaams-Nederlands) tros (bananen)’ -> Indonesisch bos ‘bundel; klein pakje (sigaretten)’; Jakartaans-Maleis bos ‘bundel (bijv. sigaretten)’; Javaans bos ‘bundel’; Muna bosu ‘bundel (rotan); bundelen’; Papiaments bòshi (ouder: bosji) ‘bundel, trosje; grote hoeveelheid’; Sranantongo bosu ‘bosje (bloemen), tros (bananen)’; Surinaams-Javaans bos ‘tros’.

bos ‘woud’ -> Engels bosch ‘woud’ ; Engels bush ‘onontgonnen, bebost terrein (in de koloniën)’ ; Maltees buxx ‘niet-gecultiveerd land, met name in Afrika en Australië; achterland, zo genoemd door Maltese immigranten in Australië’ ; Koerdisch buş ‘woud, bos’ ; Zuid-Afrikaans-Engels bossie, boschje ‘struik’; Amerikaans-Engels bush ‘woud, bos’; Negerhollands boesch, bosch ‘struik; woud’; Berbice-Nederlands bosi ‘woud, bosje’; Sranantongo busi ‘(oer)woud’; Surinaams-Javaans busi ‘oerwoud, wildernis’ ; Caribisch-Engels bush ‘wildernis diep in het binnenland’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

En eeuwig zingen de bossen [boektitel] (1933). Begin jaren dertig van de vorige eeuw wordt de internationaal gevierde boerentrilogie Het geslacht Bjørndal van de Noorse schrijver Trygve Emanuel Gulbranssen (1894-1962) in het Nederlands vertaald. Het eerste deel verschijnt in 1933, onder de gevleugeld geworden titel En eeuwig zingen de bossen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bos* woud 1089 [Claes]

bos* bundel 1252 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

302. Door de boomen het bosch niet zien,

d.w.z. door te letten op de onderdeden, de hoofdzaak uit het oog verliezen, ‘wel eens gezegd van eene wijdloopige behandeling van eenig onderwerp, waarbij de talrijke bijzonderheden den blik, het overzicht over het geheel belemmeren’. Deze zegswijze is eene navolging van het hd. den Wald vor lauter Bäumen nicht sehen, het eerst gebezigd door Wieland, Musarion, 1768, Buch 2, V, 142:

 Die Herren dieser Art blend't oft zu vieles Licht;
 Sie sehn den Wald vor lauter Bäumen nicht.Zie Büchmann, 122-123.

fr. les maisons empêchent de voir la ville; eng. not to see the wood for the trees.

982. Huilen met de wolven (of de honden), waarmede men in het bosch is,

d.w.z. met verloochening van eigen meening zich (moeten) schikken naar de personen, in wier gezelschap men zich bevindt; vgl. lat. cum insanientibus furere; mlat. si comes esse lupi vis, voce sibi simileris; gri. μαινομενοις συμμανηναι; mnl. die mitten wolven ommeghaet die moet mitten wolven hulen (o.a. Diepenv.2 314); Goedthals, 57: Die met wulven ommegaet, moeter na hulen, qui est avec les loups, il faut hurler; Campen, 101: Men moet mit den wolven huylen, daermen mede omme gaet; zoo ook Prov. Comm. 210: Die met wolven omgaet, moeter na huylen; Spieghel, 285; Gew. Weeuw. 3, 60; Halma, 230: Met de wolven huilen daar men mee in 't bosch is, zich naar 't gezelschap voegen daar men bij is; Nkr. III, 25 Juli p. 2: Maar wie in het bosch is, moet met de wolven meehuilen; Antw. Idiot. 2164; enz. Vgl. ook het fr. il faut hurler avec les loups; braire avec les ânes; in het nd. wä bei de Hongen es, muss der met hüle (Eckart, 224); in het fri.: me moat bylje mei de hounen dêr 't me mei yn 't bosk is. Zie ook Suringar, Erasmus 38-40; Bebel no. 275; Ons Volksleven VIII, 228; Harrebomée I, 82; Wander V, 364: mit den Wölfen musz man heulenDr. D.G. Hesseling (Gids, 1902) meent, dat ook dit spreekwoord zijn ontstaan kan te danken hebben aan 't een of andere verhaal van iemand, die door zulk een list veilig door een bosch was gekomen. Ook de Russen zeggen: Met de wolven leven, is op zijn wolfsch huilen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut