Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bortelen - (tuimelen, storten, borrelen)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bortelen ono.w., onomat. als borrelen, bobbelen, portelen, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

boddelen, bottelen, beuddelen, ww.: stommelen, rommelen, lawaai maken, zich hortend en stotend voortbewegen. Ook Br. boddelen, bodderen, bottelen, botteren ‘struikelen, tuimelen; kloppen, lawaai maken’. Vgl. D., Ndd. buddeln ‘graven, woelen, wroeten’? Boddelen < bottelen < bortelen ‘borrelen, portelen; stoeien, struikelen’. Mnl. *bortenen ‘opborrelen’, Vnnl. 1529 dat Frans van Kiesekom in Metten Tittelmans huys met enere vrouwen laech en bortelden… dat hij doen met haer bortelde ’stoeide’, Hasselt (Gessler 40); 1599 bortelen ‘borrelen’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als D. burzeln, purzeln ‘duikelen, buitelen’, freq. bij Mhd. burzen ‘neervallen’. Samenst.: boddelkar, bortelkar, Br. bortelkar ‘stortkar, tuimelkar’: 1496-97 van enere borttelkerren op die tiegelrije, Hasselt (Gessler 41).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bettelen, ww.: struikelen (Leuven). Ontrond uit bortelen.

boddelen, bodderen, bottelen, botteren, ww.: struikelen, tuimelen; kloppen, lawaai maken. Vgl. D., Ndd. buddeln ‘graven, woelen, wroeten’, Limburgs (BL) boddelen ‘stommelen, rommelen’. Boddelen < bottelen < bortelen (zie i.v.). Limburgs boddelkar = Br. bortelkar.

bodderen, ww.: sukkelen, knoeien. Var. van boddelen, botteren.

bortelen, burtelen, buttelen, ww.: borrelen, portelen; stoeien, struikelen. Ook Wvl. bortelen. Mnl. *bortenen ‘opborrelen’, Vnnl. bortelen ‘borrelen’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als D. burzeln, purzeln ‘duikelen, buitelen’, freq. bij Mhd. burzen ‘neervallen’. Samenst.: bortelkar ‘stortkar, tuimelkar’.

bottelen, botteren, ww.: stommelen. Klankexpressief. Zie bodderen.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bortelen (DB), ww.: portelen, borrelen, bruisen. Ook uutbortelen. Mnl. bortenen ‘borrelen, opborrelen’; Vroegnnl. bortelen ‘tumultuari, aestuare, fluctuare, agitari, bullire, ebullire’ (Kiliaan). Identiek met D. burzeln, purzeln ‘duikelen, buitelen’, freq. bij Mhd. burzen ‘neervallen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut