Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

borst - (lichaamsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

borst 1 zn. ‘voorzijde van het bovenlichaam’
Onl. bructe (verbogen vorm) ‘(over de) borst’ [8e eeuw; LS], brust ‘(vrouwen)borst’ [ca. 1100; Will.]; mnl. borst [1240; Bern.], borstekijn (verkleinwoord) [1265-70; CG II, Lut.K], borste (mv.) ‘vrouwenborsten’ [1265-70; CG II, Lut.K], borste ‘moederborsten’ [1285; CG II, Rijmb.], borst ‘voorzijde van het bovenlichaam; buik’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘gemoed’ [ca. 1400; MNW]; vnnl. ‘het inwendige van de borst; longen’ [ca. 1640; WNT].
Nfri. boarsten (mv.) ‘vrouwen-, moederborsten’ [1809; WFT], boarst ‘het inwendige van de borst, longen; gemoed; voorzijde van het bovenlijf’ [1824; WFT]. Met r-metathese: ohd. brust (nhd. Brust); ofri. brust; got. brusts, waarnaast de ablautvormen: os. briost; ofri. briast; oe. brēost (ne. breast); on. brjóst (nzw. bröst); < pgm. *breust- ‘borst’ naast *brusti- ‘borst’, oorspr. misschien dualisvormen: ‘elk van beide borsten; linker- en rechterhelft van de romp’.
Ook verwant zijn: os. brustian ‘ontbotten’; mhd. briusten ‘aanzwellen’ (vnhd. briester ‘biest, eerste (moeder)melk’, zie → biest; nhd. Briest ‘borstklier van een kalf’); on. ábrystur ‘biest’ (nzw. bräss ‘borstklier’; nde. brissel) en misschien ook mhd. briune, brūne ‘vrouwelijk geslachtsdeel, onderlijf’.
Verwant met Oudiers brú (< *bhrus) ‘buik, baarmoeder, boezem’ (Iers brù), bruinne (< *bhrusnjō) ‘borst’; Welsh bron (< *brusna) ‘borst’; Russisch brjúxo ‘onderlijf, buik’; bij de wortel pie. *bhreus-, *bhreu-, met een betekenisbereik van ‘borst’ tot ‘buik’. Hierachter ligt mogelijk een grondbetekenis pie. *bhreus- ‘zwellen, ontbotten’; os. brustian ‘ontbotten’ kan deze grondbetekenis nog bezitten. De betekenis ‘borst’ hoeft niet rechtstreeks met een werkwoordelijke betekenis ‘opzwellen’ samen te hangen, maar kan ook zijn ontstaan via een woord voor ‘knop’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

borst1* [lichaamsdeel] {1201-1250} oudsaksisch briost, oudhoogduits, oudfries brust, oudengels breost, oudnoors brjōst, gotisch brusts, het nl. heeft metathesis van r; buiten het germ. oudiers bruinne [borst], russisch brjucho [buik], van een i.-e. stam met de betekenis ‘zwellen’. In de uitdrukking tegen de borst stuiten [mishagen] betekent borst ‘hart’, ‘genegenheid’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

borst

De vraag of borst: lichaamsdeel en borst: jonkman hetzelfde woord is, moet ontkennend worden beantwoord. Het eerste woord borst, waarnaast het Duits Brust en het Engels breast heeft, staat wellicht in verband met een werkwoord dat: uitbotten, ontspruiten, zwellen betekende en waarvan ook boos familie is. Wie boos is ‘maakt zich dik’.

Het woord borst: jonkman, nog heel gewoon in de samenstelling adelborst, is het Duitse Bursche, ontstaan uit Latijn bursa dat voortleeft in ons beurs. Bursa betekende: de gemeenschappelijke kas van een groep studenten en vandaar: de groep zelf en tenslotte: elk der leden van de groep. Op dezelfde manier is het Duitse Frauenzimmer: vrouwenvertrek gaan betekenen: vrouw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

borst 1 znw. v., mnl. borst v., met metathesis naast ohd. brust v., ofri. brust v. o., got. brusts v.: met ablaut: os. briost o. mv., ofri. briāst, oe. brēost (ne. breast), on. brjōst o. Vgl. verder os. brustian ‘ontbotten’, mhd. briustern ‘aanzwellen’ (Uhlenbeck, PBB 30, 1905, 271) en nhd. briest ‘biestmelk’, on. -ábrystur ‘biestmelk’, nzw. bräss, nde. brissel ‘borstklier’. — Men stelt het gewoonlijk tot oiers brú (< *bhrusō) ‘buik, lijf’, bruinne (< *bhrusnio) ‘borst’, brollach ‘boezem’, russ. brjucho ‘onderlijf, buik’ (IEW 170-1).

Dan voert men het woord terug op een idg. wt. *bhreus ‘zwellen, ontspruiten’ (H. Petersson, IF 23, 1909, 391). Dat vooronderstelt, dat men van de vrouwelijke borst zou moeten uitgaan, als het opzwellende gedeelte van het bovenlijf. Dat is niet onmogelijk (vgl. de bet. ‘buik’, die ook op het opzwellen van het onderlijf kan slaan), maar het is toch niet waarschijnlijk, dat dit de oorsprong is. — Misschien mag men uitgaan van een betekenis ‘borstkas’ en dan dus van het bouwsel der ribben; dan kan men teruggaan tot een wt. *bhreu(s), die een afleiding van *bher is, vgl. on. berja ‘slaan’ en boren, (zie daarvoor J. Trier Holz 1952, 81-90 en AEW 33). — De verklaring van borst uit oe. brēotan, on. brjōta ‘breken’ is natuurlijk niet aannemelijk, maar de laatst genoemde verklaring zou toch wel een verdere verwantschap van dit woord en borst mogelijk maken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

borst I (lichaamsdeel), mnl. borst v. Met metathesis, vgl. vorst III. = ohd. (nhd.) brust v., (os. brust? zie borstwering), mnd. borst v., ofri. brust v. o. (owfri. burst, borst), got. brusts v. mv. Met ablaut os. briost o. mv., ofri. briâst, ags. brêost (eng. breast), on. brjôst o. “borst”. De eenige aannemelijke etymologie brengt dit woord evenals ier. bruasach “met een hooge borst” (oerkelt. *broustâko-) bij russ. br’úcho “buik”, met idg. u ier. brû “buik”, gen. bronn (*bhruson-, *bhrusn-), bruinne “borst”. Eventueel kunnen wij een wortel bhreus- “zwellen” aannemen, een variant van bheus- ”id.” (zie boos), waarbij mhd. brûsche (nhd. brausche) v. “buil”, on. brjôsk o. “kraakbeen” nog kunnen hooren, die evenwel ook bij broos gebracht kunnen worden, en os. brustian “uitbotten”, dat echter veeleer (met klruss. brost’ “knop”, serv. br̂st “jongere lootjes”) bij barsten hoort. Het hypothetische van bhreus- ”zwellen” verbiedt combinaties hoogerop. Men heeft ook germ. *ƀrust-, *ƀreusta- ”borst” bij on. brjôta, ags brêotan “breken”, mhd. brieӡen “uitbotten” (waarbij os. brustian? zie echter hierboven) willen brengen (*bhr(e)ud-s-): onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

borst I (lichaamsdeel). Ags. brêost is o. m. en v.; ofri. briâst v. en o.?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

borst 1 v. (lichaamsdeel), Mnl. borst, Os. briost + Ohd. brust (Mhd. en Nhd. id.), Ags. bréost (Eng. breast), Ofri. borst en briást, On. brjóst (Zw. bröst, De. bryst), Go. brusts + Oier. brû = buik, bruinne = borst, bruasach = met een hooge borst, Ru. brucho = buik. - z. inborst.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-borst(je) Onderdeel van vogelnamen als Blauwborst, Geelborstje, Gielboarstke, Roodborst(je), Roodborsttapuit etc.
ETYMOLOGIE N/mnl borst (met metathesis van de r); oudsaksisch briost; fries boarst brust; D/ohd brust; E breast breost; zweeds bröst noors bryst, ijsl brystingur brjóst; gotisch brusts; buiten het germ: oudiers bru ‘buik’, oudiers bruinne ‘borst’, R brjucho ‘onderlijf, buik’. Mogelijk *bhreus ‘zwellen’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boors (zn.) borst; Vreugmiddelnederlands brust <1100>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

borst ‘lichaamsdeel’ -> Duits dialect Bost ‘lichaamsdeel’; Frans dialect bros ‘buik van grote dieren, in het bijzonder de buik van een koe’; Negerhollands borst, bos, borsje ‘lichaamsdeel’; Sranantongo borsu ‘lichaamsdeel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

borst* lichaamsdeel 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

321. Tegen de borst zijn (of stuiten),

d.w.z. niet met iemands aard, neigingen en wenschen strooken, mishagen, niet aanstaan. Tuinman I, 309: ‘'t Is hem tegen de borst, dat wil zeggen, 't is hem tegen zyn hert, zin en genegentheid’. Vergr. fr. à contre-coeur. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Pers, 374 a; Com. Vet. 58 en het Ndl. Wdb. III, 597. In het eng. it goes against my stomach; fri. et is my tsjin 't boarst.

50. Een adder aan zijn borst koesteren,

d.w.z. weldaden bewijzen aan iemand, die ze met snooden ondank vergelden zal of, zooals in Gelderland gezegd wordt, luuz potten in eigen kragen (D. Bl. 3, 48). Deze uitdr. is ontleend aan fabel 97 van Aesopus, in het Middelnederlandsch vertaald in den Esopet 10. In het lat. viperam sub ala nutricat.Zie Petronius 77: Tu viperam sub ala nutricas. Evenzoo zegt men in het fr. nourrir un serpent dans son sein; hd. eine Natter, eine Schlange am Busen hegen, nähren; eng. to cherish a snake (to nourish a viper) in one's bosom. Vgl. Vondel, Adonias, 559; Jos. in Egypte, 1367; Noah, 410; 834:

 Het is geraên, dat ik uw bedgenootschap vlught',
 Gelijk een adder, die bevrozen, na 'et verwarmen,
 Een die haar koestert in den boezem, onder d'armen
 Naer 't slaepend hart steekt, en in zijnen slaep vermoort.

Ook gebruikte men vroeger de synonieme zegswijze: een slang aan (in) zijn' boezem koesteren (stoven, voeden, broeden), soms met de toevoeging die hem het hart zal afsteken. Zie het Ndl. Wdb. III, 231; Harrebomée III, 136 en vgl. Piet Paaltjens in zijn Snikken en Grimlachjes, bl. 40:

‘Ha!’ dus riep hij verwoed,
‘'k Heb een adder gebroed
 Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!’
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
 't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

319. Eene (hooge) borst (op)zetten,

ook wel de borst hoog dragen, zich trots, hoogmoedig gedragen; ontleend aan de houding van iemand die als een pauw over de straat loopt met opgerichten hoofde en opgezette borst; iemand die ‘zich groot maakt’ (Ndl. Wdb. V, 1056); 18de eeuw zijn hom (jabot) uithaalt, vgl. fr. faire jabot. Vgl. onze uitdr. het hoofd in den nek werpen en in de middeleeuwen Maerlant's Wap. Mart. II, 205: Hare, die fierlike haren kin te mi waert draget. Bij Servilius, 26: Syn borst wtsteken; Sartorius, I, 9, 38 en II, 3, 41: Sy steken haer borst of als een smerigh endt. Verder in de door Harrebomée I, 82 aangehaalde verzamelingen, en bij Van Lummel, 328:

 Sy (Spanjaarden) haecten met verlangen elck na de schoonste buyt,
 Eer den beer was gevangen, verdeelde men syn huyt,
 Deen stack hooch op syn borst, als een hartoch of vorst,
 Dander eens graven goet verstont in sijn gemoet.

In het Hoogduitsch zegt men sich in die Brust werfen, sich brüsten en die Brust aufwerfen; nd. sik en Bost maken (Eckart, 65); fr. lever le menton; eng. to thrust the chin into the neck. Vergelijk ook den krop vooruitsteken en het Zaansche ergens mee opgekropt zijn, met iets in zijn schik zijn, er trotsch op zijn (Boekenoogen, 701); fri. in boarst (of krop) opsette; fr. se rengorger.

320. Zich met de borst op iets toeleggen,

d.w.z. zich ijverig met iets bezig houden, zich met al zijne krachten inspannen om het te leeren; vgl. Hooft, Ned. Hist. 53: Met de borst vallen op; verder Tuinman I, 173: ‘Hy valt er met de borst op, dit zegt zich geheel daar toe begeven, met inspanning van alle krachten’; Sewel, 135: Met de borst op de studie aanvallen, to addict one's self entirely to learning; V. Janus III, 204: Andere hebben er zich met de borst op toegelegen; 59: Dat gij er u zoo met de borst op toegelegd hebt. Let men op het lat. incumbere, applicare se ad alqd., het eng. to buckle to en het Vlaamsch zijne leên aan iets leggen, dan kan de uitdrukking oorspronkelijk beteekenen: voorover gebogen, ingespannen zitten studeeren, en daarna in het algemeen ijverig, met alle krachten zich toeleggen. Vergelijk evenwel zich met ‘hart en ziel aan iets wijden’, dat doet denken aan borst in den zin van hart, gemoed; zie het Ndl. Wdb. III, 596 en vgl. Winschooten, 35: ‘set borst aan, doe uuw best’. In het fri. zegt men: dou mast de hûd er op lizze, je moet er je met de borst op toeleggen.

962. De horens opsteken,

d.w.z. zich verzetten, oproerig worden; trotsch worden, laten zien, dat men rijk is. In het mnl. komt de uitdr. voor in de Exc. Cron. 257 a; ook staat zij opgeteekend bij Sartorius I, 9, 37 met de verklaring: pro eo, quod est animo efferri: translatum a pecoribus, quae cornibus oppositis minantur. Vgl. Ndl. Wdb. XI, 1253; Lucifer, vs. 1717; Erasmus, CCXXIV; het eng. to show the bull-horns en no. 943. Den zin van: trotsch worden, zijne borst opsteken, de granen opsteken (mnl. en 17de eeuw) heeft de uitdr. ontleend aan de beweging van een hert, dat trots den kop in de hoogte steekt; bij Anna Bijns lezen wij haar in die bet. Refr. 322: Metten vercoornen vliet hooverdicheyt, steeckt niet op u hoornen yet; Sewel, 345; Halma, 227: Zijne hoorns opsteeken, zijn gezag toonen als men in bewind geraakt is; hd. seine Hörner aufstecken; fr. lever les cornes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut