Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

borreliosis - (spiraalvormige micro-organismen)

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

borreliosis: infectie met Borrelia, spiraalvormige micro-organismen, behorend tot de familie Treponemataceae (orde Spirochaetalis). Het was de Nederlandse parasitoloog Nicolaas Hendrik Swellengrebel (1885-1970), werkzaam op Sumatra en in Amsterdam, die voorstelde dit geslacht te noemen naar de Franse bacterioloog Amédé Borrel (1867-1937).
Tot het geslacht Borrelia rekent men onder meer Borrelia obermeieri (Borrelia recurrentis). Deze door kleerluizen overgebrachte verwekker van de Europese en Noordafrikaanse febris recurrens is genoemd naar de Berlijnse arts Otto Hugo Franz Obermeier (1843-’73). In zijn laatste levensjaar nam Obermeier dit micro-organisme waar in het bloed van een lijder aan febris recurrens. Febris recurrens is een infectieziekte waarbij de koorts telkens terugkomt, afgewisseld door koortsvrije tussenpozen van ongelijke duur.
Ook de Borrelia carteri, genoemd naar de Engels-Indiase arts Henry Vandyke Carter (1831-1907) behoort tot dit geslacht, evenals de Borrelia duttoni, genoemd naar de Engelse tropenarts Joseph Everett Dutton (1877-1905), de Borrelia kochii, genoemd naar een van de grootste pioniers van de bacteriologie Robert Koch (1843-1910) en de Borrelia novyi, genoemd naar de Amerikaanse bacterioloog Frederick Novy (1864-1957).
De laatste vier genoemde Borreliae zijn oorzaak van andere febris recurrentes die bij mens en dier over de gehele wereld voorkomen en door allerlei insekten (teek, vlo, luis) overgebracht worden. Als commensale soorten kent men onder andere de Borrelia buccalis, een normale bewoner van het mondslijmvlies, die een enkele maal pathogeen wordt en de Borrelia vincentii (oude naam voor Treponema vincenti), genoemd naar de Parijse epidemioloog Henry Vincent (1862-1950). Deze spirocheet veroorzaakt samen met een spoelvormige bacil de angina van Plaut-Vincent.
En dan is er, last but not least, de Borrelia burgdorferi, de verwekker van de Lyme-ziekte, de ‘nieuwe ziekte’ waarover de laatste jaren zoveel is geschreven. Het ziekteverwekkende micro-organisme, een voorheen onbekende spirocheet, werd in 1982 door de Amerikaanse artsen W. Burgdorfer en A.G. Barbour geïsoleerd: ‘Lyme disease: a tick-borne spirochaetosis?'1. Ter ere van Burgdorfer noemt men de spirocheet de Borrelia burgdorferi. De ziekte wordt overgebracht door de beet van een teek (Ixodes dammini, Ixodes ricinus) die besmet is met Borreliae.
Evenals syfilis, een andere spirochetose, kent de Lyme-ziekte drie stadia. Het eerste stadium, het erythema chronica migrans, een zich langzaam uitbreidende rode ring, ontstaat meestal na een maand op de plaats van de tekebeet. Na twee tot drie maanden staan neurologische verschijnselen (meningo-encephalitis, meningitis en radiculitis) en cardiale verschijnselen (myocarditis, pericarditis) op de voorgrond. Na maanden, soms pas na jaren, ontstaat het derde stadium, gekenmerkt door ontsteking van de gewrichten, voornamelijk de knie- en enkelgewrichten (Furth).
A.C. Steere en zijn medewerkers beschreven in 1976 in de Verenigde Staten deze gewrichtsontstekingen als een ‘nieuwe entiteit’: ‘A cluster of arthritis in children and adults in Lyme, Connecticut'2. Tijdens de zomer van 1975 werd het stadje Lyme (Connecticut) getroffen door een artritisepidemie waarbij de gewrichtsontstekingen soms door huidverschijnselen (erythema chronica migrans) voorafgegaan waren. Steere, verbonden aan de Yale University, kwam op het idee de ziekte Lyme disease te noemen. Al spoedig bleek dat men in Europa al jaren huid- en neurologische afwijkingen kende die ontstaan waren na een beet van een teek. In 1909 beschreef de Zweed Afzelius als eerste het erythema chronica migrans als gevolg van een dergelijke beet en in 1941 verscheen een publikatie van Bannwarth ‘Chronische lymphocytäre Meningitis, entzündliche Polyneuritis und Rheumatismus'3. De meningoradiculitis, door tekebeten overgebracht, werd naar hem het syndroom van Bannwarth genoemd.
Nieuw was de ziekte dus geenszins. Volgens de klinische epidemioloog J.P. Vandenbroucke waren twee elementen echter wel nieuw: ‘Ten eerste het geconcentreerd epidemisch voorkomen door nieuwe vormen van interactie tussen de mens en zijn omgeving: joggen, een trektocht maken en wonen in natuurreservaten waar de teek en de natuurlijke gastheer zich ongestoord kunnen ontwikkelen. Ten tweede het voorkomen van een specifieke (‘artritogene’) stam van de spirocheet in de Verenigde Staten, terwijl er in Europa een grotere diversiteit van stammen bestaat.'
Had de Yale-groep dus toch gelijk? Het nieuwe van een ziekte kan immers bestaan ‘in gewijzigde omstandigheden, waardoor een reeds bestaande aandoening als een uitbreiding, een afsplitsing of een volstrekt nieuwe ziekte wordt ervaren’ (Vandenbroucke).
1Science, 1982, 216, 1317-1319; 2Arth. Rheum. 1976, 19, 87; 3Arch. Psychiatr. Nervenkr. 1941, 113, 284-376.

Hosted by Meertens Instituut