Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

borrel - (glas sterke drank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

borrel zn. ‘glas sterke drank’
Vnnl. borrel ‘glaasje sterke drank’ [1685; Sanders 1997].
Met verkleiningsachtervoegsel -el gevormd van mnl. borre, borne ‘bron, fontein; bronwater, drinkwater’, zie → bron. Een andere mogelijkheid is dat het woord een zn. is bij → borrelen ‘opwellen, bellen vertonen’, zelf een klanknabootsende formatie, net als laat-mnl. bordelen, bortelen ‘opwellen; bellen vertonen’, mede onder invloed van borne, borre ‘bron’. Het voorkomen van een bel jenever (zie → bel 2) in een gelijksoortige betekenis maakt de grondbetekenis ‘opborrelende luchtbel’ aannemelijk, tenzij die bel haar naam aan de klokvorm van het glas te danken zou hebben. Voor de grondbetekenis ‘luchtbel’ pleit ook een citaat uit 1778: “De proef van ... brandewijn ... bestaat ... daarin, dat hij in een langwerpige fles gedaan en sterk omgeschud zijnde, de blaasen of borrels, die er als dan op koomen, niet schielijk weder verdwijnen, maar hoe langer dezelve blijven, hoe beter de brandewijn is” (WNT).
borrelen 1 ww. ‘sterke drank gebruiken’. Vnnl. borle [1692; WNT]. Afleiding van borrel.
Lit.: Sanders 1997

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

borrel* [glas sterkedrank] {1692} met verkleiningsachtervoegsel -el gevormd van middelnederlands borre, borne [bron, fontein, bronwater, drinkwater], vermoedelijk mede o.i.v. het ww. borrelen (vgl. born).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

borrel znw. m., sedert de 17de eeuw naast borrelen. Indien men het woord borrel als verkleinwoord opvat bij borre, borne, metathesisvorm van bron, dan heeft het de betekenis van ‘een kleine dronk’, vgl. oudnl. bornen, mnd. bornen, fri. boarne ‘te drinken geven’. Maar zeker is ook invloed van het ww. borrelen, dat naast mnl. bordelen, oudnnl. bortelen klanknabootsende formaties zijn, die dan ook weer ten dele in aansluiting aan het uit de bron opborrelende water opgekomen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

borrel znw., sedert de 17. eeuw. Of oorspr. verbaalnomen bij borrelen “opborrelen”, een onomatopoëtische formatie evenals laat-mnl. bordelen, oudnnl. ook bortelen “id.”, misschien ten deele onder invloed van borne, borre (zie bron) opgekomen; òf met de bet. “dronkje” gevormd bij dit borne, borre, waarvan ook Kil. bornen (“Fris.”), fri. boarne, mnd. bornen, westf. börnen, büernen “te drinken geven”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bottel II: “’n hele teug; heelwat”, in uitdr.: “’n (groot/hele) sluk op ’n bottel” volkset. v. Ndl. borrel, in uitdr.: “een slok op een borrel”, wsk. bevorder d. borrel as dial. wv. in Afr. v. bottel (v. bottel I).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

borrel In een boek waarin ruim 73.000 woorden zijn gewijd aan de volksnamen voor borrel, mag het woord borrel zelf natuurlijk niet ontbreken. Bij geen van de wijdverbreide borrelnamen worden alle dialectvormen en -schrijfwijzen gegeven, maar voor borrel maken we een uitzondering. Gevonden zijn:

baurelletje, boarrel, boddel,
bolletje, bolltje, boltjen,
borlie, börrel, borrelie,
börrelke,
borrelsje, borreltien,
borreltsje, bûl, bûlch, bûle,
bûltsje, buol, buorrel,
burrel, burreltsje,
burreltsy.

En dan hebben we natuurlijk lang niet alle dialectwoordenboeken van Noord en Zuid in handen gehad, dus er zullen nog wel een aantal regels aan dit gedicht zijn toe te voegen.
Het woord borrel is in 1685 voor het eerst gevonden, in een blijspel getiteld Het Huwelyk sluyten van de Amsterdamse arts Pieter Bernagie. Daar heet het: ‘Nou wou ik de borrel wel eens hebben. De droes! dat de fles niet en breekt! Avous toekomende Bruydje; ’t is van de beste jampu.’
Op uithangborden van herbergen waren in 1693 teksten te lezen als: ‘Hier tapt men Borrel, uyt den treuren’ en ‘Hier gaat den Borrel, dag en nagt.’ Ook de herbergnamen ‘In de Borre-fles’ en ‘In de Borrel-kan’ kwamen toen voor.
Het woord borrel gaat terug op het Middelnederlandse borre of borne dat ‘bron(water), fontein, drinkwater’ betekent. Borrel betekende zoveel als ‘kleine dronk’. Ook het werkwoord borrelen ‘door opstijgende damp- of gasbellen in beweging zijn’ is zeker van invloed geweest.
Het hoeft geen betoog dat er in de Nederlandstalige literatuur wel een paar boeken en gedichten te vinden zijn waarin borrel of borreltje voorkomen. We komen het daar tegen met bijvoeglijke naamwoorden als bittere, flinke, gereformeerde, redelijke, roomse (zie bij rooms halfje), stevige en stijve, en met allerlei prijsaanduidingen, zoals vijf cents borrel enzovoort. Soms komt borrel voor met een nadere bepaling van de soort van sterke drank, zoals een borrel klare. Een borrel drinken werd ook wel in ruimere zin toegepast op het drinken van andere dranken, zoals wijn.
Niet geheel onverwacht komt het woord ook in veel uitdrukkingen voor. Zo zei men halverwege de 19de eeuw iemand een bitteren borrel geven voor ‘iemand een duchtige vermaning geven’, voor een borreltje kan men veel gedaan krijgen; men begint met een borrel en eindigt met den buik vol en een borrel is overal goed voor. Van een dode zei men indertijd hij heeft zijn laatste borreltje binnen. Ook het bekende het scheelt een slok op een borrel dateert uit deze periode, net als de zeispreuken daar kan een borrel op staan, zei Piet, toen hij twee kroegen voorbij was gegaan, en vóór de derde stond; en ja, kapitein! zei de schildwacht, ik mocht ook wel lijden, dat een borrel drie gulden kostte, als hij maar zoo groot was als een schildershuis. Later zijn onder meer opgetekend aan de borrel zijn en stevig aan de borrel doen voor ‘veel drinken’.
Van de vele samenstellingen met borrel noemen wij slechts borrelsergeant en borrelpraat. Borrelsergeant werd omstreeks 1840 door Leidse studenten gebruikt voor ‘koffiehuisbediende’. Borrelpraat betekende aanvankelijk, in 1874, ‘dronkenmanspraat’, maar het werd al snel gebruikt voor ‘onzin, wartaal, gewauwel, gebazel’. Niets leverde waarschijnlijk zoveel nieuwe borrelnamen op als borrelpraat.

[Draaijer 40; Gallée 7; Harrebomée 1:82, & lxii, & 2:xliii, & 3:cxv; Herroem 14, 26, 27, 42, 128, 133; Ter Laan 1929:102; Lennep 1856:41; PJM 55; Schaars 414; WNT III1 5, 576-579]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

borrel* glas sterkedrank 1692 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1698. Ooilam,

d.i. eig. een wijfjeslam, doch ook een kostbaar, dierbaar bezit, eenig in zijne soort voor den bezitter. Dit gebruik is ontleend aan 2 Sam. 12, vs. 3: De arme hadde gantsch niet, dan een eenich kleyn oylam... het at van sijne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem als eene dochter; Ndl. Wdb. X, 2344Vreemd genoeg wordt dit ooilam wel eens door onkundigen verward met oorlam, een borrel, in Noord-Holland een guit (Bouman, 76); in het Transvaalsch: ervaren, goed uitgeslapen, dronken (Hesseling, Het Afrikaansch, 86); eig. laag maleisch orang lama (d.i. orang lama datang), een oudgast. Eerst verstond men er een Europeaan onder, die uit Indië naar het moederland terug keert; daarna een bevaren matroos (ook nhd. Ohrlamm) oorlogsmatroos, en eindelijk: rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen uitgedeeld wordt; een borrel, eig. een borrel zooals een oorlam er gaarne een lust; vgl. voor de beteekenis-ontwikkeling een ‘taaie’, een ‘stijve’, een ‘oude’ (no. 1633). Veth, Uit Oost en West, 9 en Ndl. Wdb. XI, 120. In Amstelv. 43 komt oorlam voor in den zin van ‘oorveeg’..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut