Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

borgtocht - (borgstelling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

borgtocht zn. ‘borgstelling’
Mnl. boerchtucht ‘borgstelling, het zich garant stellen’ [1268; CG I, 119], borchtoch ‘borgsom’ [1278; CG I, 406], borgtucht ‘bedrag waarvoor men garant staat’ [1290; CG II, En.Cod.]; vnnl. borgtogt (overdrachtelijk) ‘vrijbrief’ [1616; WNT].
Samenstelling uit → borg en → tocht.
Mnd. borgetuch(t); mhd. burgezoc; nfri. boarchtocht ‘waarborgsom’ [1901; WFT] naast boarchstelling.
De precieze betekenis van -tocht in deze samenstelling is niet duidelijk; wellicht betekent het niet meer dan -schap, -heid, -te. In het Middelnederlands bestaan naast elkaar bijv. gemeenschap, gemeenheid, gemeente ‘gemeenschap, gemeente’ en belooftochten (meervoud) ‘beloften’ [1298; CG I, 2524] bestaat naast beloofnis, beloofde, beloofte ‘belofte’.

EWN: borgtocht zn. 'borgstelling'; de vorm borgtocht (1616)
ANTEDATERING: borghtocht 'borgtocht' [1282; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

borgtocht* [overeenkomst waarbij een derde zich garant stelt] {bor(e)chtocht 1282} van borg (vgl. borgen) + tocht, een opvallende samenstelling, vgl. middelnederduits borgetuch(t), middelhoogduits burgezoc.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

borgtocht znw., mnl. borchtoch(t), -tucht v. Een opvallende samenstelling van borg en tocht, vgl. mhd. burgezoc en mnd. borgetuch(t) v. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

borgtocht m., Mnl. borchtocht + Mhd. burgezoc: zooveel als borgaanbrengst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

borgtog s.nw.
1. Ooreenkoms waarby 'n derde party onderneem om die skuldeiser te vergoed indien die skuldenaar nie kan nie. 2. Waarborgsom. 3. Bewys van kredietwaardigheid.
Uit Ndl. borgtocht (al Mnl. in bet. 1, 1631 in bet. 2, 1727 in bet. 3), 'n samestelling van borg 'borg' en tocht 'tog', maar die verband tussen die twee dele van die samestelling is onduidelik. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

borgtocht* overeenkomst waarbij een derde zich garant stelt 1282 [CG I1, 631]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut