Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

borg - (waarborg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

borg zn. ‘onderpand, garantie, zekerheidstelling’
Mnl. borghe ‘persoon die zich garant stelt’ [1237; CG I, 32], ‘onderpand’ [1285; CG I, 875].
Een ablautende vorm (nultrap) bij de stam van het werkwoord → bergen ‘in veiligheid brengen, beschermen’.
Os. borg ‘onderpand’; ohd. borg (mhd. borc); ofri. borg ‘id.’; oe. borg ‘pand, borgsom, garantie’; < pgm. *burg-. Daarnaast de afgeleide werkwoorden: mnd. borgen ‘borg zijn, instaan voor, uitstel geven’; ohd. borgen ‘acht geven op, zich hoeden, sparen’ (nhd. borgen ‘lenen aan, lenen van’); ofri. borgia, burgia ‘borg blijven, op krediet nemen’ (nfri. boargje ‘op krediet geven, zekeren; dralen wegens risico’); oe. borgian ‘lenen aan, lenen van’ (ne. borrow ‘lenen van’); laat-on. borga ‘borg blijven voor’ (nzw. borga ‘borgstaan’).
borgen ww. ‘op krediet geven’. Mnl. borghen ‘beschermen, redden’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘borg staan of zijn’ [ca. 1350; MNW], ‘voorschieten, op krediet geven, uitstel van betaling geven, lenen aan’ [ca. 1410; MNW], ‘schuldig blijven, lenen van’ [1400-25; MNW]. Afleiding van borg.

EWN: ♦ borgen ww. 'op krediet geven' (1285)
ANTEDATERING: borgen 'op borgtocht vrijlaten' [1253; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

borg1* [waarborg] {borge, borch 1237} van borgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

borg znw. m., mnl. borghe, borch ‘borg, onderpand, koop op crediet’. Hier zijn te onderscheiden: 1. borch, os. borg ‘pand’ oe. borg ‘borg, onderpand’ en 2. borghe, os. burgio, ohd. burgo, burigo, ofri. borga, burga, oe. byrga ‘borg’. — Zie: bergen en borgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

borg znw., mnl. borghe, borch m. “borg, onderpand, koop op crediet”. Hierin zijn twee woorden samengevloeid: 1. borghe = ohd. bur(i)go (nhd. bürge), os. burgio, ofri. borga, burga (zonder umlaut; ontleend of onder invloed van ʼt ww. borgia, burgia vervormd), ags. byrga m. “borg”, 2. borch = os. borg m. “vadimonium”, ags. borg m. “borg, onderpand”. - Deze woorden hooren bij ʼt ww. borgen, mnl. borghen “beschermen, redden, borg zijn, instaan voor, voorschieten, op crediet koopen, geld opnemen, uitstel van betaling geven, schuldig blijven”. = ohd. borgên “acht geven op, zich hoeden, sparen” (nhd. borgen), mnd. borgen “borg zijn, instaan voor, uitstel geven”, ofri. borgia, burgia “borg blijven, op crediet nemen”, ags. borgian “id., leenen (van en aan)” (eng. to borrow), laat-on. borga “borg blijven voor”. On. âbyrgð v. = “risico”. Het grondbegrip van deze woordgroep is dat van “zekerheid”. Ablautend met bergen. Voor de bet. vgl. ier. commairge “borgtocht”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

borg 2 v. (touw, ketting), stam van borgen in de bet.van beschermen; vergel. Fr. sauvegarde.

borg 1 m. (pand, enz.), Mnl. borch + Mhd. borc (Nhd. borg), Ags. borg (Eng. borrow): Ug. *borga- = 1. pand, 2. het op een pand geleende; daarnevens Mnl. borghe, Os. burgio + Ohd. burigo (Mhd. en Nhd. bürge), Ofri. borga, Ags. byrga: Ug. *borgan- = wie borg spreekt.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bergen (verbergen, enz.) komt van een Voorgerm. wt. bhergh: in veiligheid brengen. Verwant zijn: herberg (oorspr. bergplaats voor het heer, het leger; later ook een onderdak voor reizigers); borgen (zekerheid voor iets geven, borg staan en op borgtocht leenen); misschien ook burg (zie echter berg).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

borg ‘waarborg’ -> Deens borg ‘(scheepvaart) touwstop, kettingstop’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect borge ‘waarborg’; Russisch † borg, borch ‘iets dat dient ter zekering van stevigheid of veiligheid’; Indonesisch boreh ‘waarborg; borg zijn voor iemand’; Ambons-Maleis borg ‘borg zijn voor iemand’; Atjehnees bòro' ‘waarborg’; Balinees boreh ‘waarborg’; Jakartaans-Maleis boreh ‘waarborg’; Kupang-Maleis borg ‘borg zijn voor iemand’; Makassaars bôró ‘waarborg’; Menadonees borg ‘borg zijn voor iemand’; Minangkabaus boroh ‘waarborg, garantie’; Soendanees borog ‘waarborg; onderpand’; Ternataans-Maleis borg ‘borg zijn voor iemand’; Negerhollands borg ‘waarborg’; Papiaments bòrg (ouder: bor, borg) ‘waarborg’; Sranantongo borgu ‘waarborg; krediet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

borg* waarborg 1237 [CG I1, 30]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut