Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boren - (een rond gat maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boren ww. ‘een rond gat maken’
Mnl. boren ‘id.’ [1240; Bern.].
Os. boron, ohd. borōn (nhd. bohren); nfri. boarje; oe. borian (ne. bore ‘boren, drillen’); on. bora (nzw. borra); < pgm. *burōn-.
Verwant met Latijn forāre ‘boren’ (zoals in bijv.perforeren), Grieks pharán ‘ploegen’; bij de wortel pie. *bherH- ‘met een scherp werktuig bewerken’ (IEW 133), waarbij ook → boor 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boren* [een gat maken] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits boron, oudengels borian, oudnoors bora; buiten het germ. latijn forare [doorboren], grieks pharos [ploeg], middeliers bern [bres, spleet], russisch borona [eg], oudindisch bhrīṇāti [hij wondt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boren ww., mnl. bōren, os. boron, ohd. borōn, oe. borian, on. bora. — lat. forāre ‘boren’, gr. phárō ‘splijt’, oi. bhṛnāti ‘wonden’, lit. burnà ‘mond’, alb. brime ‘gat’, arm. brem ‘boren’.

De idg. wt. *bher ‘snijden, splijten, wrijven’ (IEW 133-135) heeft een wijde vertakking, vgl. baar 3, barg, barsten, berm en boord. Voor een hergroepering van de verschillende wortels *bher en daarvan afgeleide formaties zie J. Trier, Holz, 1952, 81-90 en AEW 33.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bher-3 ‘mit einem scharfen Werkzeug bearbeiten, ritzen, schneiden, reiben, spalten’, bhoros ‘Abschnitt, zu Planken geschnittenes Holz’

Ai. (gramm.) bhr̥nāti (?) ‘versehrt’ = npers. burrad ‘schneidet’; av. tiži-bāra- ‘mit scharfer Schneide’ (= arm. bir, vgl. auch alb. boríg(ë); vielleicht hierher ai. bhárvati ‘kaut, verzehrt’ (av. baoirya- ‘was gekaut werden muß, ist’, baourva- ‘kauend’) aus *bharati durch Einfluß von ai. cárvati ‘zerkaut’ umgestaltet.
Arm. beran ‘Mund’ (ursprgl. ‘Spalt, Öffnung’), -bir- ‘aufgrabend’ in getna-, erkra-, hoła-bir ‘den Boden aufgrabend, durchwühlend’ (*bhēro-), dazu brem (*birem) ‘grabe auf, höhle aus, bohre auf’, br-ič̣ ‘Hacke’;
bah, Gen. -i ‘Spaten’ (*bhr̥-ti-, vielleicht h*bhorti- = russ. bortь), bor, Gen. -oy ‘Schorf’.
Gr. *φάρω ‘spalte, zerstückele’ (φάρσαιv· σχίσαι EM), φαρόω ‘pflüge’ = ahd. borōn), φάρος n. ‘Pflug, Pflügen (?)’, m. = φάρυγξ (*bheros), ἄφαρος ‘ungepflügt’, φάραγξ ‘Fels mit Klüften, Schlucht’ (dazu rom. barranca ‘Schlucht’, M.-L. 693a), jon. φάρσος n. ‘abgerissenes Stück, Teil’; hierher vielleicht φάσκος m. ‘Mooszotten’ als *φαρσ-κος. Eine k-Erw. in φαρκίς ‘Runzel’, φορκός ‘runzelig’ Hes.
Vielleicht hierher (IJ. 13, 157 n. 100) mak. βίρροξ· δασύ (vgl. βιρρωθῆναι· ταπεινωθῆναι Hes.), Grundbed. ‘Wollzotte’, gr. lesb. thess. βερρόν δασύ, dor. βειρόν ds., βερβέριον ‘ärmliches Kleid’, lat. burra f. ‘zottiges Gewand’, bzw. ‘Wolle’, reburrus ‘widerhaarig’.
Alb. bie (2. pl. birni, Imp. bierɛ) ‘klopfe, schlage, spiele ein Instrument; falle (schlage hin)’.
Alb. brimë ‘Loch’ (*bhr̥-mā), birë ds. (*bhe), geg. brêj, tosk. brënj ‘nage, streite’; britmë ‘September und Oktober’ (wenn eig. ‘Ernte, Herbst’, auf Grund von *bhr̥-ti- ‘das Schneiden’); bresë ‘bittere Wurzel, Zichorie’ (‘bitter’ = ‘schneidend’; -së aus -ti̯ā, boríg(ë)) ‘Splitter, Span’ (*bhēr- m. Form. -igë).
Lat. feriō, -īre ‘stoßen, hauen, schlagen, stechen, treffen’ (s. auch WH. 1481 zu ferentārius ‘Wurfschütze, Plänkler’). Über forma ‘Form, Gestalt’ s. WH. I 530 f.
forō, -āre ‘bohren, durchbohren’ (Bed. wie ahd. borōn, aber im Ablaut verschieden; Denominativ von einem *bhorā ‘das Bohren’), forāmen ‘Loch’; forus, ‘Schiffsverdeck; Bretter, Fächer für Bienenkörbe; Sitzreihen im Theater; Spielbrett’; aber forum (alat. auch forus) ‘Marktplatz’ nicht als ‘umplankter Raum’ hierher (umbr. furo, furu ‘forum’); s. unter dhu̯er-.
Mir. bern, berna f. ‘Kluft, Schlitz’, bernach ‘zerklüftet’;
wohl auch mir. bairenn ‘Felsstück’ (dazu bairnech ‘Tellermuschel’); air. barae, mir. bara (Dat. barainn) ‘Zorn’, bairnech ‘zornig’, cymr. bar, baran ‘Zorn’.
Aisl. berja (Prät. barða) ‘schlagen, stoßen’, berjask ‘kämpfen’, bardage ‘Schlacht’, ahd. berjan, mhd. berjen, bern ‘schlagen, klopfen, kneten’, ags. bered ‘niedergeschlagen’ (germ.*ƀarjan = slav. borjǫ), afries. ber ‘Angriff’; mhd. bā̆r f. ‘Balken, Schranke, eingehegtes Land’ (: lat. forus, -um), engl. bar ‘Schranke’, aisl. berlings-āss ‘Balken’; germ. ist wohl (anders Wartburg I 260) auch mhd. barre ‘Balken, Riegel’ und die rom. Sippe von frz. barre, barrière usw. (-rr- aus -rz-); *ƀaru-ha, -ga- ‘verschnittenes Schwein’ (vielleicht mit slav. *borv-ъ auf einem *bhoru-s ‘verschnittenes Tier’ beruhend und im Ausgang um -ha-: -ga- nach *farha- ‘porcus’ erweitert) in: ahd. barug, barh, nhd. Barg, Barch (Borg, Borch), ags. bearg, bearh, engl. barrow, aisl. -bǫrgr ‘verschnittenes mannliches Schwein’ (dazu auch aisl. val-bassi ‘wilder Eber’ als *barh-s-an? s. Falk-Тоrp u. basse N.); ahd. as. borōn, ags. borian, aisl. bora, -aða ‘bohren’ (s. o.); ahd. bora ‘Bohrer’, ags. bor, byres ds.; aisl. bora ‘Loch’ (auga-, eyra-bora).
Lit. bãras, lett. bars ‘Getreideschwaden’; lit. barù (und bariù), bárti ‘schelten, schmähen’, refl. ‘sich zanken’, lett. baṙu, bãru, bãrt ‘schelten’ (= sl. borjǫ), lit. barnìs (Akk. bar̃nį) ‘Zank’ (= aksl. branь); lit. burnà ‘Mund’ = bulg. bъ́rna ‘Lippe’ (Gdf. *bhornā, vgl. oben ir. bern und zur Bed. arm. beran).
Hierher mit balt. Formans ž: lett. ber̂zt ‘reiben, scheuern’, intrans. birzt ‘zerbröckeln’, bìrze ‘Saatfurche’, lit. biržìs f. ‘Ackerfurche’.
Mit einer Grundbed. ‘kerben’: lit. bùrtai Pl. ‘Los, Zauber’ = lett. burts ‘Zeichen des Zauberers, Buchstabe’, lit. bùrti ‘zaubern’, lett. bur̃t ‘zaubern’, bur̃tains ‘mit Kerbschnitzerei versehen’; gr. φάρμακον ‘Heilmittel, Zaubermittel’ (wohl nichtidg.) hat nichts damit zu tun.
Aksl. borjǫ, brati ‘kämpfen’ (häufiger reflexiv), russ. borjú, borótь ‘bezwingen, niederwerfen’, refl. ‘kämpfen’, poln. dial. bróć się ‘ringen’; aksl. branь ‘Streit, Kampf’, aruss. boronь ‘Kampf’, russ. bóronь ‘Verbot’, čech. braň ‘Waffe, Rüstung’ u. dgl., russ. za-bór ‘Zaun, Plankenzaun’ (wie lat. forus auf den Begriff ‘Brett’ zurückweisend: vgl. russ. alt. zaborolo, hölzerne Stadtmauer, Gerüst’, čech. zábradlo ‘Geländer, Brustwehr’ u. dgl.); russ. boroná ‘Egge’, und mit slav. -zda-Formans slav. *borzda in aksl. brazda, russ. borozdá ‘Furche’; russ. bórov ‘Borg, zahmer Eber’, skr. brȃv ‘Schafvieh’, mdartl. ‘geschnittenes Schwein’, slovak. brav ‘verschnittener Eber’, poln. mdartl. browek ‘gemästeter Eber’ (s. oben germ. *ƀaruha-); *bъrtъ ‘Bohrung, Höhlung’ (*bhorti-) in russ. bortь ‘hohler Baum, worin sich Bienen eingenistet haben’ usw.

WP. II 159 f., WH. I 481 f., 537, 865, 866, Trautmann 27, Mühlenbach-Endzelin 354.Vgl. die verwandten Wurzelformen bheredh-, bhrēi- (bhrēig-, -k-, s. dort auch über bherg̑-), bhreu-, bhreu-q-, -k̑- ‘schneiden’, bhreus- ‘zerbrechen’, bherug- ‘Schlund’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boren ww., mnl. bōren. = ohd. borôn (nhd. bohren), os. boron, ags. borian (eng. to bore), on. bora “boren”. Vgl. in de eerste plaats lat. forâre “id.”, verder de bij baron genoemde woorden en ier. bern “kloof”, russ. boroná “eg”, bort’ “holle boom met bijen er in”, lit. burnà, arm. beran “mond”; misschien ook alb. bie (2. pers. mv. birni) “ik klop, sla”. Vgl. nog baar III en voor verlengde bases barg, barsten, berm, boord. Verschillende woorden uit allerlei idg. talen worden door sommigen bij bher-“snijden”, door anderen bij bher-(es)-“spits zijn” (zie borstel) gebracht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. boren, A. overg. (boorde, heeft geboord), (ook:) doorboren, perforeren. Zij knipten mooie lange vislijnen, boorden de kurken en regen die aan de lijnen als een kraal (Maynard a:18). - B. onoverg. (boorde, is geboord), een aantal betekenissen van ‘zich verplaatsen’, ‘zich een weg banen’, ‘zich begeven in of uit naar’, waarbij één of meer van de volgende omstandigheden een rol spelen: - het gebeurt op een ongebruikelijke, ongeoorloofde of steelse wijze; - het gebeurt via een ongebruikelijke of ongeoorloofde weg; - het gebeurt via een kortere weg; - er moet een hindernis genomen of een weerstand overwonnen worden. 1. binnendringen, insteken (lett.). We hoeven niet verder te varen, dit bos is goed om te gaan jagen. Laat ons hier boren. - 2. idem, fig., i.h.b. zich clandestien toegang verschaffen (tot een feest, de bioscoop e.d.). In oktober zijn er altijd veel fuiven* van mulo-geslaagden, waarop wij gaan boren (Dobru 1967: 28). -3. heimelijk vertrekken, ertussenuitknijpen. Maar hoe maken* wij het dan? Wij zijn op vakantie en tante Gerda zal het niet toestaan. - Jullie kunnen toch uit huis ‘boren’? Ik ga dat trouwens ook doen, Harold (Barron 1984a: 43). - 3. de kortste weg gaan, ‘binnendoor’ gaan, afsteken. Boren van ’t ene erf* naar het volgende (Vianen 1979b: 19). Nooit gedacht dat hij zover zou komen om met auto en al te boren langs een erf*. Via een achterstraat op ze af gerejen! (Cairo 1978b: 84). - 4. vaak is een korte vertaling niet mogelijk en zou de hele zin anders geformuleerd moeten worden, zoals in het volgende geval: De twee vrienden renden naar buiten, het grote erf* over. Ze boorden onder een hek door en liepen een heel stuk naar achter (Maynard a: 10). - Etym.: S boro heeft alle bet. A en B. Vgl. 17e-eeuws N: inboren = indringen, voortdringen, doordringen (Van Sterkenburg). - Zie ook: wegboren*; i.v.m. B.2 ook boorder*, boroman*.

II. boren overg. (boorde, heeft geboord), 1. (veroud., scholierentaal) goed kennen, op zijn duimpje kennen (van leerstof). Ik kan het boren (Schoonhoven 154). - 2. (scholierentaal 1981) halen, in staat zijn te halen (een hoog cijfer). Ik boor een 10!

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Boren, (spreektaal), van een boord, boordsel voorzien, eig. boorden, vgl. dialect worren = worden, vroeger vinnen (Vondel) = vinden, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boren ‘een gat maken’ -> Noord-Sotho bora ‘een gat maken’ ; Tswana bôra ‘een gat maken’ ; Zuid-Sotho bora ‘een gat maken’ ; Ambons-Maleis bor ‘een gat maken’; Atjehnees bhòe, bò ‘een gat maken’; Kupang-Maleis bor ‘een gat maken’; Muna boro ‘een injectie geven’; Rotinees ‘een gat maken’; Ternataans-Maleis bor ‘een gat maken’; Negerhollands boor ‘een gat maken; doorboren’; Papiaments bora (ouder: borá) ‘een gat maken’; Sranantongo boro ‘een gat maken; voordringen; wegsluipen’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans boro ‘de kortste weg nemen, binnendoor gaan, afsteken; op ongebruikelijke, ongeoorloofde of steelse manier te werk gaan’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boren* een gat maken 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1621. Iemand (een gat of een rietje) door den neus boren,

d.w.z. bedriegen, afzetten; oorspr. gezegd van een dier, dat een ring door den neus krijgt; en vandaar in het algemeen iemand pijnlijk aandoen, hem te pakken hebben, beetnemenVgl. voor dezen overgang o.a. Claes, 293: Iemand scheren zonder zeep, hem listig, heimelijk bedriegen; en verder no. 980., bedriegen (in dezen zin in de 17de eeuw ook iemand boren), snijden, afzetten; thans ook iemand iets (geld, loon) onthouden, waarop hij recht heeft. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Vgl. Winschooten, 4: Iemand met een Avegaar door de neus booren: iemand groovelijk bedriegen; Cats II, 171 b: Sy boord' hem door den neus, hoe seer hy was geslepenAangehaald in Ndl. Wdb. III, 543.; Westerbaen II, 268; W.v. Geck, 81; Tengnagel, Frick, 8: De luy zijn langer soo sot niet, dat s'er neus met ien avegaer laten deur-boren; Pluckvogel, 227: Sy heeft hem met een korte reden lustig door den neus geboort; K.U.E. 46; Kluchtspel III, 266: Zy zullen Anselmus met zijn weeten geen gat door de neus booren; Sewel, 520: Iemand iets door de neus booren, to cheat one of a thing; Halma, 86; Handelsblad, 29 Maart 1918 (O), p. 5 k. 5: Dat was een geleerde snuiter; die zou je geen rietje door z'n neus boren. Hiernaast iemand iets door den of uit den neus boren, iemand iets ontfutselen (Winschooten, 32); V. Avant. 277: Onze keukenmeid is mij daar door voorgekomen om my dat voordeeltje uit de neus te boren; Halma, 380: Iemand iets door den neus booren of ontfutzelen; Gallée, 6: iemand iets ût den nöze boren, door list doen verliezen; in de Hollandsche volkstaal: dat is je door je neus geboord, dat is je ontgaan (Ndl. Wdb. III, 544; Jord. II, 392); Nav. XVII, 150: iemand iets in den neus boren; Het Volk, 3 Oct. 1913, p. 5 kol. 1: Achttien vakantiedagen worden hem door den neus geboord. 't Is schande; Dsch. 160: As mijn baas mijn 'n gulde door de neus ken hale, dan doet-ie 't; Landl. 178: En dan de premie, die hun in deze armzalige tijden door den neus was geboord; J. Feith, Uit Piet's Vlegeljaren bl. 194: Die Braks had hem den laatsten dans met Hetty door den neus geboord, en dat kon hij hem niet zoo makkelijk vergeven3de druk, Amsterdam, Scheltens en Giltay.; Nw. School, II, 259: De taalkundige man met de schraperigheid van een vrek er steeds op lettende of hem bij zijn lidwoord geen ‘ennetje’ door den neus geboord werd; Handelsblad, 27 Mei 1917, p. 7 k. 1 (O); Haagsche Post, 2 Febr. 1918, p. 131, k. 3; enz. In West-Friesland beteekent iemand door den neus boren, iemand een geheim ontlokken (De Vries, 85; vgl. fr. tirer les vers du nez à qqn.?). Ook in Zuid-Nederland kent men 't Is deur den neus geboord of 't verken is deur den neus geboord, doch in den zin van: het is te voren heimelijk beraamd of beslist (Antw. Idiot. 853; Schuermans, 407; Claes, 159); deur den neus of de neuze (geboord) zijn, een beetje dronken zijn (Waasch Idiot. 457; De Bo, 738; Antw. Idiot. 853), syn. van 'nen steek deur den neus hebben (vgl. fr. se piquer le nez, zich bedrinken), waarvoor wij zeggen een snee in den neus hebbenNederland (Aug) 1914, p. 380: Maar vroeger dronk-i nog al 'n glaasje - en dan kwam-i nog al 's met 'n klein sneedje in z'n neus thuis. of een scheet in den neus hebben (zie Ndl. Wdb. XIV, 350), syn. van een snip in 't oor hebben (Molema, 564). Bij Rutten, 153 wordt hij is (wel drijmaal) door den neus geboord opgegeven in den zin van: hij is zeer slim. Ook het Engelsch kende to bore through the nose, afzetten, in den nek zienTaal en Letteren XIV, 469..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal