Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boreling - (pasgeboren kind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boreling zn. ‘pasgeboren kind’
Nnl. boorlingje [1864; WNT], boorlingske [1865-70; Schuermans], oorspr. een BN synoniem van zuigeling, later ook NN [1952; Koenen].
Met het achtervoegsel → -ling afgeleid van het verl.deelw.geboren van → baren; zie ook → inboorling.

EWN: boreling zn. 'pasgeboren kind' (1864)
ANTEDATERING: om den boreling den borst te bieden [1854; Lados, 203]
Later: boorlingje [1857; Gazette van Yperen en Poperinghe (BK) 26/9] (EWN: 1864)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boorling: “iemand in ’n bep. omgewing gebore”, (vlgs. WAT nog beperkter) “op ’n bep. plek gebore” (dial.) teenoor inboorling, “afstammeling v. ’n primitiewe bevolking in ’n bep. land”; Ndl. (veral SNdl.) boorling/boreling, “’n pas gebore kind”; v. ook huisboorling.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut