Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bordeel - (seksclub)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bordeel zn. ‘seksclub’
Mnl. bordel ‘huis van ontucht’ [1276-1300; CG II, Lut.A], ‘hut, krot’ [1300-50; MNW]; vnnl. bordelen (mv.) ‘huizen van ontucht’ [1500; WNT wonen].
Ontleend aan Oudfrans bordel ‘hutje, bordeel’ [12e eeuw voor beide betekenissen], verkleinwoord van borde ‘boerenhuis, planken hut’ [1172], dat een collectiefvorming is bij het aan het Germaans ontleende *bord ‘plank’, zie → bord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bordeel [hoerenkast] {1293 in de betekenis ‘hut, krot, bordeel’} < frans bordel [oorspr. hut], verkleiningsvorm van oudfrans borde [planken hut], uit het germ., vgl. bord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bordeel znw. o., mnl. bordeel ‘hut, bordeel’, vgl. nhd. bordell, ne. bordel, brothel < fra. bordel ‘hut, bordeel’ (beide betekenissen reeds 12de eeuw); dit is een deminutief van ofra. borde ‘boerenhoeve’, reeds 12de eeuw vermeld, dat zelf uit een collectiefformatie bij het ofrank. *bord ‘plank’ ontstaan is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bordeel znw., o. mnl. bordeel o. “hut, bordeel”. Evenzoo Teuth. bordeel, nhd. bordell o., eng. bordel (gew. brothel) “bordeel”. Uit fr. bordel, een demin. van borde “planken hut”, dat van ʼt bij boord besproken germ. woord komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bordeel o., Mnl. id., uit Fr. bordel, dimin. van Ofr. borde = plankenhut, een afleid. van het Germ. boord 1. Ook berd (z. bordes) werd in de bet. van getimmerte van planken in ‘t Rom. overgenomen.

bordel in de uitdr. in bordel loopen, a la bordel gaan, wellicht naar It.mandare in bordello, andare al bordello, dus hetz. als bordeel, dat in 't It. ook = rumoer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bordeel s.nw.
Plek waar ongeoorloofde geslagtelike verkeer as bedryf beoefen word.
Uit Ndl. bordeel (al Mnl. in die bet. 'hut, krot; hoerhuis').
Ndl. bordeel uit Fr. bordel, die verkleinw. van Oudfrans borde 'plankhut' wat wsk. ontleen is aan Oudgermaans bord 'plank'.
D. Bordell, Eng. bordel, It. bordello, Port. bordel, Sp. burdel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bordeel (Frans bordel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bordeel ‘huis waar prostitutie bedreven wordt’ -> Duits Bordell ‘huis waar prostitutie bedreven wordt’; Pools burdel ‘huis waar prostitutie bedreven wordt’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch bordil ‘huis waar prostitutie bedreven wordt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bordeel hoerenkast 1293 [CG I3, 1920] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut