Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bord - (plat gerei)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

EWN: bord zn. 'plat gerei' (1201-25*)
ANTEDATERING: onl. bret 'plank' als deel van de plaatsnaam de Britte 'Bree (bij Maaseik, in België)' [1007; ONW]
{* De eerste attestatie in het EWN is onjuist. Die moet luiden: bret 'spelbord' [1201-25; CG II, Floyr.].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

bord zn. ‘plat gerei’
Mnl. bort ‘spelbord’ [1201-25; CG II, Floyr.], borde (mv.) ‘planken, panelen’ [1286; CG I, 1115], boort ‘dek van schip’ [1350-1400; MNW], ‘etensbord’ [1400-50; MNHWS]; vnnl. bort ‘schaal’ [1500-36; MNW]; nnl. bord ‘aanplak-, uithangbord’ [1733; WNT], ‘schoolbord’ [1879; WNT].
Os. bord ‘scheepsboord, schild’ (mnd. bort); ohd. bort ‘rand, scheepsboord, (tafel)plank’ (nhd. Bord ‘scheepsboord’ < mnd.); ofri. bord ‘plank’ (nfri. board ‘scheepsboord, etensbord’, boerd ‘plank, uithangbord, spel-, schoolbord’, boerdtsje, boerdke ‘lessenaar’); oe. bord ‘scheepsboord, schild, plank’ (ne. board ‘scheepsboord, plank, karton’); on. borð ‘rand, scheepsboord, plank, tafelplank’ (nzw. bord ‘tafel’); got. fotubaurd ‘voetenbank’; < pgm. *burda-; met een andere ablaut: os. bred; ohd. bret (nhd. Brett); oe. bred, zie → berd.
De herkomst is onzeker. Niet echt wrsch. is dat het een ablautende grondvorm is van pie. *bherH-tó (bij → boren). Gezien de beperkte verspreiding en het betekenisveld ‘hout’ is hier waarschijnlijk sprake van een substraatwoord.
Middelnederlandse varianten zijn onder meer barde, bert, bart (bijv. in de toenaam bartmacre ‘bordenmaker’ [1270; CG I, 169]), ontstaan door metathese van de -r- uit en naast *bred. Met klinkerverlenging ontwikkelde zich ook → boord 2.
Lit.: N. van Wijk (1908) ‘Bord, dorschen, worden’, in: TNTL 27, 16-27; M. Philippa (1999) ‘Tafel en stoel’, in: OT 68, 132

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bord* [schaal, plank] {bo(o)rt 1285} oudsaksisch bord [schild], oudfries bord, oudnoors borð [plank], gotisch fotubaurd [voetenbank]; op niet duidelijke wijze verwant met boordberd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bord znw. o., mnl. bort, bart, bert ‘plank, lat, bord’, met metathesis uit *bred, vgl. os. oe. bred, ohd. bret.

Het woord behoort tot de groep van boord. Het is alleen niet zeker, hoe de verhouding is. FW 84 gaat, als hier boven aangegeven, uit van een vorm *bred, Kluge-Mitzka 92 echter van een abl. grondvorm idg. *bhṛ-tó (bij de stam van boren); eindelijk heeft men, maar zeker niet juist, aan een verkorting uit boord gedacht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bord znw. o., mnl. bort, bart, bert o. “plank, lat, bord”. Dial. (zuidndl.) nog bart, bert. De vorm bort, nnl. bord komt ook in streken voor waar hij niet klankwettig is. Uit *bred (vgl. barsten, dorsen). = ohd. brët (nhd. brett), os. ags. brëd o. “plank, bord”. Ablautend met boord. Vgl. oi. çatábradhna- “honderd metalen punten (?) hebbend”? Volgens een andere opvatting zou nnl. bord niet met dial. bert(d), maar met boord identisch wezen. Zie nog bordes.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bord 1 o. (plank), Mnl. bort, is met bart, bijvorm van berd, of is, zonder rekking van den klinker, hetz. als boord 1.

bord 2 o. (schotel), hetzelfde woord als bord 1.; vergel. telloor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bord: “(hout)blad, plank; stuk eetgerei”; Ndl. bord (Mnl. bort bart/bert), Hd. brett, hou verb. m. boord I (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bord (ook berd of bred) is oorspr. plank (Hgd. Brett); vgl. een houten schoolbord; uithangbord; tafelbord (oorspr. van hout); bordpapier (oorspr. deed men in den omslag van een boek voor de stevigheid een bord, een plankje; later een stuk dik papier, dat bordpapier = plankpapier heette); te borde of te berde brengen: n.1. op de plank, de verkooptafel (op de markt).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bord ‘platte schaal; plank; schoolbord’ -> Duits Bord ‘plank’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans borde ‘boerenhof’ Frankisch; Baskisch borda ‘boerderij, in het bijzonder in het bos of in de bergen gelegen’ ; Tswana bôrôtô ‘platte schaal; plank’ ; Indonesisch bor ‘naamplaat (op gebouw); schoolbord’; Javaans bor, ebor ‘schoolbord; tekenbord’; Soendanees bor ‘schoolbord’; Negerhollands bort ‘platte schaal; plank’; Papiaments bòrchi ‘schoolbord; verkeersbord; haltebord; bushalte’; Sranantongo bortu ‘schoolbord; leesplank’; Sarnami bort ‘schoolbord’; Surinaams-Javaans bort ‘schoolbord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bord* schaal, plank 1138 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

317. Een bord voor het hoofd hebben,

d.w.z. onbeschaamd zijn, eene in het begin der 17de eeuw voorkomende uitdrukking blijkens Van Eck, 58: Sy hebben een bordt voor 't aengesicht (± 1603); Winschooten, 34: ‘Hij heeft een bord voor sijn kop, hij is seer onbeschaamd, en stout om iets te verzoeken’; Sewel, 134; Hij heeft een bord voor 't hoofd, he has a brazen face; Halma, 507: Hij heeft eene plank voor zijn voorhoofd, hij is heel onbeschaamd; Harreb. II, 187: Hij heeft eene plank voor zijn voorhoofd; Nest 107: Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd; nu draag ik een bord voor mijn hoofd; De Arbeid, 26 Nov. 1913 p. 3 k. 2: Het is toch een brutale moed om te ageeren tegen een stelsel, dat men zelf huldigt. De volksmond zou zeggen: hij heeft een bord voor z'n kop; 23 Oct. 1915 p. 3 k. 3: Dan komt Stenhuis vertellen dat wij met een bord voor den kop loopen, omdat wij onze bewering niet willen intrekken. De uitdr. kan eigenlijk gezegd zijn van een stier, wien men een houten bordje voor den kop hangt, opdat hij niet voor zich uit kan zien, en zoodoende geen kwaad kan stichten; vgl. het gron. 'n bolbret veur de kop hebben, in de hoogste mate onbeschaamd zijn, of ook 'n bret veur de kop hebben (Molema, 48 b; 507 bZie Fri. Wdb. I, 215: bolleboerd, n. vierkant plankje, dat men een kwaden stier voor den kop bindt, opdat hij niemand kan zien.; in Twente: 'n bröd veur 'n kop hebben. Vgl. Dirksen I, 17: 'n bret för de kop ('n bulbret för de kop hebben) = gîn schâm hebben; fri. in board foar 'e kop habbe; hd. er hat ein Brett vorm Kopf, er ist dumm, einfältig; er hat Heu am Horne; fr. avoir du foin sur les cornes; lat. fenum habet in cornu, hoed u voor hem; eig. gezegd van een wilden stier, wien men hooi om zijne horens gewonden heeft. Eerder is te vergelijken een berderenBerderen = van planken gemaakt. Zie de uitdrukking in Ndl. Wdb. II, 1846. aanzicht hebben, een stijf, onvertrokken gezicht zetten, uit onbeschaamdheid; een stalen voorhoofd hebben en 't fri. in dûbeld fel foar de kop hawwe.

318. Het is van het bovenste bordje,

d.w.z. het is het beste, want wat niet dagelijks, maar alleen bij feestelijke gelegenheden gebruikt wordt, ligt niet voor de hand, maar op de bovenste plank (= bord) in de kast. Meer gewoon is van de bovenste plank (o.a. Jong. 218); in het Holsteinsch das es wat vän 't böwerste Bön (etwas ungewöhnliches; Eckart 56; vgl. no. 221) en, volgens Molema, 55: dat is vunt böverste boort; in het Friesch: dat is fen 't boppeste boerdsje. In het Zaansch en in het Stadfriesch staat deze uitdrukking gelijk met van den hoogen boom; zie Boekenoogen, 93: Het gaat van het bovenste bordje, het gaat er flink, onbesuisd, royaal op los, in toepassing op gekijf en ruzie, vloeken, en ook op verkwistend leven. Vgl. Tuinman I, 260: 't Moet alles zyn van 't opperste bordetje; Land v. Waas: Van de hoogste plank zijn, zich zeer goed gedragen. Vgl. hiermede in de bovenste la of schof liggen, in blakende gunst staan (Teirl. 207). Mag ook vergeleken worden hd. (hoch) ans Brett kommen, in aanzien komen?

887. De hekken zijn verhangen,

d.w.z. de bestaande orde van zaken is veranderd, vooral met betrekking tot de regeering; de omstandigheden zijn veranderd; de kansen zijn gekeerd; vgl. Halma, 212: De hekkens zijn verhangen, de zaaken zijn veranderd, la carte est tournée, les affaires ont changé de face; Sewel, 327: De hekken verhangen (de regeering veranderen), to alter the government; de hekken zyn verhangen (de tyden zijn veranderd), the tables are turned. De uitdrukking dagteekent uit de 17de eeuw en wordt o.a. aangetroffen bij Hooft, Ged. I, 157:

'Tvolck noch de dwingelandt woên over haer bestecken.
De beurten wisselt God dus, en verhangt de hecken.

Zie verder Hooft, Ned. Hist. 25: 63; De hekken omhangen; maar ook bl. 286: De hekken verhangen; Gew. Weuw. III, 79: De hekkens zijn verhangen; Asselijn, Jan Kl. vs. 474: Die hekken zijn hersteld; Tuinman I, 251: De hekkens zyn verhangen ‘dat is, de zaaken zyn verschikt en hebben een andere plooi gekregen. 't Zal genomen zyn van hekkens, met welke men wegen sluit. Best laat men menigmaal het hekken aan den ouden post.’ Met deze laatste uitdr. vergelijke men Harreb. I, 298: het hek hangt aan den ouden post (of dam); fri. de doarren moatte altomets ris forheakke wirde, er moet nu en dan eens verandering komen; vgl. Het Volk, 17 Mei 1915, p. 5 k. 2: Wat voor het stembusprogramma voor de algemeene politieke verkiezingen ten slotte noodzakelijk werd geacht als een eisch van gezonde demokratie, dat werd voor het gemeentelijk program van aktie verwaarloosd. Daar bleef het hek aan den ouden stijl hangen; Joos, 93; Waasch Idiot. 283; Antw. Idiot. 547; bij Schuermans, 182 a: het hek aan den ouden stijl houden (of laten); Bijv. 118 a: het hekken aan den ouden stijl hangen, maar doen gelijk te voren; Welters, 90: het hekken in den ouden toor (tour, draaipin) laten hangen; Joos, 113: Ik geloof, dat de zaak veranderd is: dat het hekken verhangen is. Uit dit alles blijkt, dat de oorspr. bet. is geweest: de hekken aan een anderen stijl hangen, waar ze op andere duimen komen te draaien (vgl. iets op zijn duim draaien), vandaar bij overdracht: de zaken, vooral regeeringszaken, veranderen, er eene andere wending aan geven. In het Meiderichsch: neje Heren hange neje Heckes (Dirksen, I, 12) en in het westph. nigge Hären, nigge Hecke (zie ook Taalgids V, 157). In het fri.: de hikken binne forhinge. Vgl. nog Ndl. Wdb. VI, 489.

Synoniem is: de borden (of de bordjes; ook: de schilden) zijn verhangen, waarbij wellicht aan een uithangbord moet worden gedacht (hd. Schild = uithangbord). Zie Ndl. Wdb. III, 522; Nkr. VII, 18 Oct. p. 4; Handelsblad, 17 Januari, 1921 (A) p. 10 k. 6.

996. Beslagen ten ijs komen,

d.w.z. goed toegerust zijn; voorbereid zijn op iets, of zooals men vroeger ook zeide zijn stukken goed op het bord (schaakbord) hebben. Bij Win-schooten, 91 lezen we aangaande den oorsprong dezer spreekwijze: Wel beslaagen ten ijs koomen: werd eigendlijk gepast op de Paarden en andere Dieren, die op het ijs niet wel en souden kunnen stappen, en trekken: soo sij niet van scharpe Hoef ijzers voorsien waaren: oneigendlijk: sijn stukken klaar hebben, en wel op sijn hoede syn’In de Gew. Weeuw. III, 7: Wel geleerst en gespoort ten Ys komen. Zie Zeitschrift für den deutschen Unterricht XXVII, 233-238; 433-437.. Vgl. Paffenrode, 101: Beslagen ten ijs treden; Halma, 236: Wel beslagen ten ijs komen, zijne stukken klaar hebben, wel op zijne hoede zijn, être ferré à glace, être bien préparé sur une matière; het hd. gut beschlagen sein; het fr. c'est un homme bien ferré; c'est un homme ferré à glace; het fri. me moat net ûnbislein op 't iis komme. In het Vlaamsch beteekent de uitdr.: handelen met vooruitzicht (Joos 99; 117).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut