Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boot - (vaartuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boot zn. ‘klein vaartuig’
Mnl. in baten ‘in boten’ [1293; CG I, 1916], boet ‘vaartuig’ [voor 1384; MNW], beitel ‘boot, bootje’ [1466; MNHWS]; vnnl. boet ‘klein open vaartuig’ [1518; Murmellius], boot ‘kleiner zeewaardig vaartuig’ (thans bijv. een stoomboot) [1549; WNT], ‘grootste roeivaartuig op een koopvaardijschip’ [1636; WNT]; nnl. ‘het vaartuig dat de vaste dienst onderhoudt’ [1869; WNT].
De enige zekere cognaten zijn Germaanse: mnd. bot [13e eeuw] > mhd. boot [eind 15e eeuw] (nhd. Boot); nfri. boat ‘vaste boot, klein open vaartuig’; oe. bāt (me. boot; ne. boat); on. beit, bātr (nzw. båt); < pgm. *baita- ‘boot’.
Deze woorden behoren mogelijk bij de wortel pie. *bheid-, wat het woord plaatst in de groep waartoe → beitel en → bijten behoren; de grondbetekenis is dan ‘uitgeholde boomstam’ of ‘verzameling gespleten planken’. Een tweede wortel is ook geopperd: pie. *bhedh-, waarbij Latijn fodere ‘graven’; Gallisch bedo ‘kanaal’; Litouws bedù, bèsti ‘steken, graven’. Deze aanname lijkt niet nodig (NEW); de -dh- past bovendien niet. Men neemt als verklaring voor de verschillende klankwettig niet recht naast elkaar staande vormen aan dat on. bátr aan oe. bāt ontleend is, terwijl de Nederlandse en de Nederduitse vormen ontleend zijn aan me. boot. Helemaal zonder bezwaar is dat laatste niet: in de tijd dat deze twee laatste talen het woord ontleend moeten hebben, gebeurde de ontlening van scheepstermen meestal in de andere richting. On. bātr wordt ook gezien als een Noord-Germaanse nevenvorm van beit; dit laat ndl. boot echter onverklaard. Mogelijk moet men dit op dezelfde manier verklaren als → moot; mnl. roop naast → reep; vnnl. toon naast → teen 1. In deze vormen is ook een dialectale (?) -ō- uit ouder -ai- overgeleverd. In dit geval gaat het Nederlandse woord direct terug op de wortel pgm. *baita-. Minder wrsch. is het vermoeden dat het zou gaan om ontlening aan Oudfrans botte ‘ton, vat’, waaruit mnl. boot, boet(e) ‘vat, ton (inhoudsmaat)’ [1496; MNW] (FvW). Dit laat weer de vormen in het Oudengels en Oudnoords onverklaard. Gezien de onduidelijke pie. wortel en de ongebruikelijke varianten in de diverse Germaanse talen, alsmede het betekenisveld, moet dus gedacht worden aan een substraatwoord.
Lit.: R. Bremmer ‘Dutch and/or Frisian: North Sea Germanic aspects in Dutch etymological dictionaries in past and future’, in: Bremmer e.a. 1993, 17-36, hier 22-28; R. Bremmer (1997) ‘Middle Dutch loosten “redeem”: a case of “derailed” coastal vowel substitution’, in: Germanic Studies in Honor of Anatoly Liberman (= NOWELE 31/32) Odense, 43-46; Heeroma 1952, 263; O. Rogby (1963) ‘Das Verhältnis zwischen ae. bāt m., afries *bāt, mnd. bôt m.n., mnl. boot m. und an. batr m. “Boot”’, in: It Beaken 25, 302-305

EWN: boot zn. 'klein vaartuig'; de vorm boot (voor 1384)
ANTEDATERING: Ende voer over in eenen boot ... in Vrancrike 'en voer met een boot over zee naar Frankrijk' [1300-25; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boot1 [vaartuig] {1390} < middelengels bōt < bāt, wel verwant met bijten, wat wijst op een grondbetekenis ‘uitgeholde boomstam’; anderen menen dat wij het woord niet geleend hebben, maar dat het een erfwoord is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boot 1 znw. m. v., mnl. boot m., mnd. bōt m. o. (> nhd. boot) < me. bōt (ne. boat). De oudere vorm in het eng. is bāt, die evenals on. beit ‘boom uit gespleten boomstam’ op een grondvorm *baita wijzen, die men dan wel tot de groep van bijten stellen mag.

Er is in het on. daarnaast het woord bāt, waarvan de verklaring twijfelachtig is. Men beschouwt het eensdeels als een ontlening uit oe. bāt (waaruit ook ontleend zijn fra. bateau, ital. batto) of uit fri. bāt (Wadstein, Fries. Lehnwörter im Nord. 1925, 62-71), anderdeels echter ook als een noordgerm. nevenvorm naast beit (zie AEW 28). — Men heeft echter ook zowel on. bāt als nhd. boot van een stam *bhed, bhēd, bhōd willen afleiden, die naast *bhedh, vgl. lat. fodiō ‘graven’, gall. bedo- ‘kanaal’, lit. bedù, bèsti ‘steken, boren, graven’ e.a. zou staan, waarbij men dan ook komt op de betekenis ‘boot uit gespleten boomstam gemaakt.’ In dat geval moet men twee woorden voor ‘boot’, aannemen resp. van de stammen *bheid en *bhed, wat onwaarschijnlijk is (tegen Sverdrup MM 1922, 49-59 zie Selmer, MM 1925, 62-71 en Falk ANF 41, 1925, 123). Af te wijzen is de verklaring van beit uit on. beita ‘tegen de wind kruisen’ en dat dan een vaartuig zou betekenen, waarmee men tegen de wind kruisen kan; zo Wolf-Rottkay, Anglia 71, 1952, 140-7; waartegen Wüst, Anglia 73, 1955, 262-75).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boot I (vaartuig), mnl. boot (14. eeuw) m. Evenals mnd. bôt m., o. (waaruit nhd. boot o.) uit meng. bôt (eng. boat) ontleend. Op den ouderen vorm ags. bât m. gaan on. bâtr m., fr. bateau terug. Ags. bât m. “boot” < germ. * ƀaita-, evenzoo on. beit o. “boot”; vgl. mnl. oudnnl. beitel m. “boot, bootje”. De bet. “boot” gaat op “uitgeholde boomstam” of “plank” terug, vgl. het artikel beting en verder oi. bheda-, bhela- “hout, vlot”. Al deze woorden zijn afll. van den wortel bhid- ”splijten”, waarbij ook nog wel - wsch. ten onrechte - arm. p’ait “boom, hout” wordt gebracht. Zie verder bijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boot. Over mnl. oudnnl. beitel m. ‘boot, bootje’ zie bij beitel Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boot 1 v. (vaartuig), uit Meng. bot (Neng. boat); dit uit Ags. bát + Mnl. beitel, On. beit: van wrt. bheid = splijten (z. bijten), met de bet. uitgeholde boomstam; van 't Ndl. door 't Ndd. in 't Hgd. boot, van waar Russ. bot; van 't Ags. in 't Skand. (On. bátr, Zw. båt, De. baad) en Rom. (bateau).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boot (de, boten), (ook:) 1. bootvormige trog, gemaakt van één boomstam, waarin kasiri* e.d. bereid en bewaard wordt. Maar zij eisten dat hij als een rasindiaan zich gedroeg. Hij zou kasiri* moeten maken, riet* kauwen, uitspugen, in een boot, laten gisten en op een wild feest met de andere bekeerden, drinken en drinken tot hij vier, wel vijf maal braakte (Cairo 1982: 279). - 2. groot, bootvormig schutblad van een palm, bijv. van een mari-a*, gebruikt als bak en als kinderspeelgoed (‘bootje’). Zie Cairo 1980c: 386. - Etym.: Oudste vindpl. van 1 Kappler 1854: 89. Vgl. ook veroud. AN botte = kuip, bak (WNT 1902). - Zie i.v.m. 2 ook: maripaboot*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boot (Engels boat of erfwoord)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boot ‘vaartuig’ -> Duits Boot ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens båd ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors båt ‘vaartuig’; Zweeds båt ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Fries); Fins paatti ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests paat ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † botequin ‘kleine boot’; Frans † bot, boot ‘klein schip zonder dek’; Russisch bot ‘vaartuig; schip met één mast’; Oekraïens bot ‘vaartuig; schip met één mast’ ; Litouws botas ‘vaartuig’; Gã bonto ‘vaartuig’; Indonesisch bot ‘gemotoriseerd vaartuig’; Atjehnees bōt, bhōt ‘vaartuig, sloep, schuitje’ (uit Nederlands of Engels); Keiëes bot ‘overdekt zeilschip’; Muna boti ‘vaartuig’; Singalees bōṭṭu-va ‘vaartuig’; Negerhollands boot, bōt, bot ‘vaartuig’; Papiaments boto ‘vaartuig’; Sranantongo boto ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans boto ‘vaartuig’; Saramakkaans bóto ‘vaartuig’ ; Arowaks botu ‘vaartuig’ ; Sarnami bot ‘klein vaartuig’; Surinaams-Javaans boṭo ‘vaartuig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boot vaartuig 1390 [MNW] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1408. Lijntrekken of (aan) de lijn trekken,

(Aanv.) Voor de boot afhouden zie het Ndl. Wdb. I, 1028: ‘De boot afhouden, eigenlijk van dengene, die, terwijl anderen roeien, belast is met de taak om de boot bij de landing van den wal af te houden, en die dus gedurende het varen weinig te doen heeft; maar altijd overdrachtelijk gezegd voor: Niet meedoen terwijl anderen werken, zich onttrekken aan hetgeen tot een goede plichtsbetrachting behoort’; III, 498.
Niet onwaarschijnlijk is het dat lijntrekker een soldatenwoord is. Als bij een oefening in de z.g. compagnieschool niet voldoende man schappen aanwezig zijn om de exercities uit te voeren, laat men door de beide manschappen naast de guides eener sectie een lijn vasthouden, welke de lengte heeft van een sectie soldaten. Deze lijn moet door beide manschappen steeds strak gehouden worden. Zij hebben niets anders te doen dan de lijn te trekken en hun guides te volgen. Luie en domme adspiranten zijn steeds tuk op dit werk. Vandaar dat zulke menschen ook bij andere oefeningen met den naam ‘lijntrekkers’ betiteld worden.
d.w.z. luieren, luilakken; vandaar een lijntrekker (eng. soldier; hd. Drückeberger), een lijnschieter of een lijnhaasWeekblad v. Gymn. en Middelb. Onderwijs IX, 427., een luilak, iemand die niet flink voortmaakt; die ziekte voorwendt om van het werk af te komen; ook iemand die een gesprek, een onderhoud, ongemotiveerd rekt en het daardoor vervelend maakt (Woordenschat, 643); fri. hy lûkt (trekt) oan 'e loailine of it luije lyntsje, hij luiert, eig. hij trekt niet flink aan de lijn, maar laat de lijn slap hangen (gezegd van iemand die een schip of een kar aan een lijn of een touw voorttrekt?). Vgl. het zuidndl. zijn zeel niet overtrekken (= in stukken trekken), zeer lui zijn (Antw. Idiot. 1472; Tuerlinckx, 741). Zie Köster Henke, 42: lijntrekken, rekken (syn. van boot afhouden); gezellig praten (Onze Volkstaal, II, 119); lijnschieter, suffer; Speenhoff, VI, 53: Ze zingen soms uren dezelfde mop, de mop van de prop en de lijntrekkerij; Het Volk, 29 Dec. 1913 p. 8 k. 3. Ik zal mijn beide oudsten opleiden tot flinke mannen; niet tot lijntrekkende ambtenaren; 5 Juni, 1914 p. 5. k. 2: Hij heeft vernomen dat er op de Rijksverzekeringsbank des daags geducht geluierd wordt, dat er ook met het avondwerk de lijn wordt getrokken; 25 Juni 1914 p. 8 k. 3: Door te zeggen, dat hij niet betaalt voor overwerk, laat hij het voorkomen of er op de Bank lijn getrokken wordt.... Om nu te komen met lijntrekkerij is een zonderlinge hulde aan het personeel van de Bank; Handelsblad, 7 Oct. 1914 p. 7 k. 5 (avondbl.): Wie zich schuldig maakte aan lijntrekken, werd met het platte van de bajonet op de hand getikt; Ndl. Wdb. VIII, 2345. - Wanneer men zeer langen tijd doet over een onbeduidend werk, noemt men dat een goede, lange of reuzenlijnBij Hooft komt een znw. lijntrekkerij voor, syn. van lijntocht, kuiperij, partijschap, het trekken aan dezelfde lijn. In het hd. bargoensch beteekent Leine ziehen, auf den unsittlichen Weg, den Strich gehen; daher: ‘zieh deine Leine’, geh. fort, deiner Wege (Rabben, 83; Kluge, Rotw. 382 a; 423), een beeld ontleend aan den zeeldraaier, die achteruit loopt..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut