Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boon - (peulvrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boon zn. ‘peulvrucht’
Mnl. als toenaam: rogerum bonen (datief) ‘aan Rogier Boon’ [1210; CG I, 2], bonen (mv.) ‘peulvruchten’ [1240; Bern.], van der groter van .i. bone ‘ter grootte van een boon’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Os. bōna; ohd. bōna [8e eeuw] (nhd. Bohne); nfri. bean; oe. bēan, bīen (ne. bean); on. baun (nzw. böna); < pgm. *baunō-. Ook de vorm Baunonia, een door Plinius genoemd Fries eiland, hangt hiermee samen.
Er bestaan twee hypotheses over de herkomst. De eerste zoekt samenhang met een wortel pie. *b(h)eu- ‘zwellen’ (IEW 98), waarbij de boon naar haar vorm (dus ‘zwelsel, dik vruchtgedeelte’) zou zijn genoemd. Het bestaan van pie. *bheu- wordt tegenwoordig echter door indo-europeïsten in twijfel getrokken. Veel waarschijnlijker is de tweede hypothese, waarbij wordt gedacht aan een dissimilatievorm uit *ƀaƀno-, een Europees substraatwoord dat ook terug te vinden is in Latijn faba ‘boon’; Oudpruisisch babo; Russisch bob. Mogelijk gaat het bij Fins papu om een leenwoord. Verwantschap met Grieks phakós ‘linze’ lijkt niet mogelijk.
Lit.: Kuiper 1995

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boon* [zaad van peulvrucht] {bone 1210-1240} oudsaksisch, oudhoogduits bona, oudengels bean, oudfries bāne, oudnoors baun; buiten het germ. latijn faba, russisch bob [boon]. De uitdrukking een witte boon [schertsende benaming van een infanterist] is naar de witte biezen, die de infanterist vroeger droeg. De uitdrukking een blauwe boon [kogel] is zo genoemd naar de kleur van het lood. De uitdrukking in de bonen zijn [het spoor bijster zijn] berust op het volksgeloof dat een veld bloeiende grote bonen iemands hersens aantast.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boon znw. v., mnl. bône, os. bōna, ohd. bōna, oe. bēan, on. baun. Plinius Nat. hist. 4, 94 noemt Baunonia als een der friese Waddeneilanden en vermeldt daarnaast 4, 97 ook een Fabaria; dat bewijst een germ. *baunō. — lat. faba, russ. bob, opr. babo ‘boon’ zullen wel verwant zijn.

De verklaring uit dissimilatie uit *baƀnō, waardoor men onmiddellijk aan lat. faba aanknopen kan (nog Kluge-Mitzka 89) is te geconstrueerd. Eerder uit te gaan van *baunō, dat dan tot de idg. wt. *bheu ‘zwellen’ behoort (H. Petersson IF, 23, 1909, 390); zie daarvoor: boos, buidel en buil. — Opmerkelijk zijn verder gr. phakós ‘linze’ en alb. bathe ‘paardeboon’. — Het is mogelijk, dat de vorm van de boon tot een min of meer klankschilderend woord geleid heeft. Of gaan al deze woorden op een voorindogerm.woord terug?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boon znw., mnl. bône v. = ohd. bôna (nhd. bohne), os. bôna, ags. bêan (eng. bean), on. baun v. “boon”. Vgl. ook Baunonia, een fri. eiland, bij Plinius vermeld. Misschien bij een wortel bhū̆-, bheu- “zwellen” (waarvan bhū̆s- “id.” een verlenging is; zie boos; ook buidel, buil): vgl. lit. pupà, lett. pupa “boon” bij lett. paupt “zwellen”. Synoniemen eveneens met anlautende idg. bh- zijn 1. lat. faba, russ. bob, opr. babo “boon”, 2. gr. phakós “linze”, alb. baϑε “paardenboon”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boon. Ofri. -bâne in fîk-bâne v. ‘gezwel’ (eig. ‘vijg-boon’)?
Indien lit. pupà, lett. pupa ‘boon’ terecht als ontll. uit het Slav. zijn beschouwd, kunnen zij niet dienen ter illustratie bij de afl. uit een wortel die ‘zwellen’ betekent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boon v., Mnl. bone, Onfra. bôna + Ohd. bôna (Mhd. bône, Nhd. bohne), Ags. béan (Eng. bean), On. baun (Zw. böna, De. bønne) + Gr. phakós ( = vits), Alb. baθϵ (= paardeboon), Lat. faba, Oier. seib (d.i. * feib), Osl. bobŭ, Opr. babo. Het Germ. is uit *baƀnô. Zie ook makkeboonen. — In de boonen zijn wijst op het oude volksgeloof, dat een bloeiend boonenveld een bedwelmende uitwerking heeft; — loontje komt om zijn boontje is een zinspeling op het sprookje van Boontje, Strootje en Kooltjevier; — een boontje voor iemand hebben, d.i. in de week gelegd hebben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boen (zn.) boon; Vreugmiddelnederlands bone <1210-1240>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

boon. De verwensing loop in de bonen! staat gelijk met loop naar de duivel!, loop naar de maan! enz. Ook bestaat de zelfverwensing ik ben een boon als het niet waar is! Zij werd gebruikt om kracht bij te zetten aan een bewering en betekent zoiets als ‘ik mag iets zeer onbeduidends worden als het niet waar is’. De vloek is tot schertsende uitroep geworden. Vgl. ik mag doodvallen als het niet waar is. De emotionele betekenis duidt ook op minachting. Dat laatste geldt ook voor ga bonen knopen!, een vloek die opgegeven werd door een correspondent uit het Vlaamse Deurne. → duivel, lopen, maan.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Boonen, (In de — zijn, raken), in de war zijn, zich vergissen, droomen, malen, verdwaasd zijn of doen; ook nog vele verwante beteekenissen. Deze uitdrukking berust evenals nog vele andere derg. op het oude volksgeloof, dat de sterke lucht van de bloeiende groote of Roomsche boonen een bedwelmenden invloed heeft en zelfs het in de nabijheid ervan slapen tot verstandsverbijstering leiden kon. Van Beverwijck, Schat d. Ongesonth. 1. 86 a: “Van yemant, die wy sien, dat met het Hooft niet wel bewaart en is, . . . seydt (men), De boonen bloeyen, ofte, Hy is in de Boonen. Want in ’t voor-jaar, als de Boonen beginnen te bloeyen, bevint men dat de Vochtigheden onses Lichaams beginnen uyt te spruyten, en met dampen de Hersenen te vervollen: dewelcke dan door den welrieckenden bloessem van de Boonen, gescherpt zijnde, soo raken de Sinnen op den loop.” In ’t bijzonder brengt men den invloed van de boonen in verband met neiging tot verliefdheid en ook tot onkuischeid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boon, boontje ‘groente’ -> Gimán bonci ‘pinda’; Creools-Portugees (Ceylon) bonchi ‘groente’; Singalees bōnci ‘groente’; Tamil dialect pōñci ‘kleine boon; groente’; Negerhollands bontśi, boontje ‘groente’; Berbice-Nederlands bono ‘zaad van peulvrucht’; Papiaments bonchi (ouder: boontsje) ‘allerlei soorten bonen’; Sranantongo bonki ‘groente, snijboon’; Sarnami bongki ‘groente’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bontsi ‘zaad van peulvrucht’ .

witte boon ‘peulvrucht’ -> Sranantongo wetibonki ‘peulvrucht’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

duiker. In de Nederlandse weg- en waterbouw duidt men met de term duiker een koker aan die dient voor het afvoeren of inlaten van water en die onder een weg loopt, of door een dijk of dam. Het Nederlandse woord duiker is niet overgenomen door het Indonesisch, maar wel door een Indonesische taal die wordt gesproken op het eiland Alor in oostelijk Indonesië, ongeveer zestig kilometer ten noorden van Timor. Hier wordt het zogenoemde Alor Maleis gesproken, dat onder andere is onderzocht door Marian Klamer. Het Alor Maleis is een aparte taal, een variant van het zogenoemde handels-Maleis, ook wel pasar-Maleis of laag-Maleis genoemd, dat eeuwenlang de lingua franca van Zuidoost-Azië was, al voordat er contacten met Europese volkeren bestonden. In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de Nederlanders handel drijven met Alor. In 1861 werd een 'posthouder' gestationeerd in de monding van de Kabola baai. Pas in 1910 werd het hele eiland onder Nederlands gezag geplaatst. Als elders voerden de Nederlanders als bestuurstaal het Maleis in (het latere Indonesisch of Bahasa Indonesia), en daarnaast gebruikten ze het Nederlands, zodat vanaf die periode Maleise en Nederlandse leenwoorden ingang vonden in het Alor Maleis.

De meeste Nederlandse leenwoorden in het Alor Maleis zijn via het Maleis overgenomen, maar er zijn ook enkele die rechtstreeks ontleend zijn aan het Nederlands. Een daarvan is deker, dat teruggaat op het Nederlandse duiker. Een ander voorbeeld is brene bon van het Nederlandse bruine boon. Het Nederlandse boontje is (in de als verzamelnaam gebruikte meervoudsvorm) wel in het Indonesisch geleend, als buncis 'snijboon', maar een equivalent van 'bruine boon' is in het Indonesisch onbekend. Terzijde zij opgemerkt dat de vorm boontje ook is geleend door het Singalees als bōnci, door het Papiaments als bonchi en door het Sranantongo als bonki (de uitspraak is ongeveer /bonkji/). Een witte boon heet in het Sranantongo wetibonki en een bruine boon heet broinbonki. Boontjes behoren kennelijk tot de groentesoorten die de Nederlanders naar andere landen hebben overgebracht.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Ik bid nie veur bruune boon’n [uitspraak] (1935). De onderwijzer en schrijver Anne de Vries (1904-1964) publiceert in 1935 de roman Bartje. Het boek gaat over het Drentse jongetje Bartje, dat opgroeit in een arm landarbeidersgezin. Als zijn moeder op een avond bruine bonen opschept en zijn vader wil beginnen met bidden, doet Bartje de beroemd geworden uitspraak: “Ik bid nie veur bruune boon’n.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boon* zaad van peulvrucht 1210-1240 [CG I1, 2]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

247. Een blauwe boon,

d.w.z. een kogel, aldus genoemd naar de blauwe kleur van het lood. Deze benaming komt in de 17de eeuw voor; zie Erasmus, Colloquia, 53: Daer gy in 't geraes en gedonder van 't geschut moet staen, dat u de blauwe bonen om de ooren vliegen. Zie verder het Ndl. Wdb. III, 440, waar de benamingen looden boon, huzarenboon, ook boon, in denzelfden zin vermeld worden en vgl. de synonieme benaming zwarte peperkorrel (in het Boere-Krakeel, 114); blauwe erreten (Paffenr. 109); in het hd. eine blaue Bohne, ein blaues Korn; dial. ook Teufelsbohnen, schwarze Erbsen, Pfefferkörner (kanonskogels), Zuckerhütchen (granatenP. Horn, Die deutsche Soldatensprache, 67.); eng. a blue bean, a blue pill; a leaden pill; fr. une prune.

307. Een boon in een brouwketel,

eene ook in Zuid-Nederland bekende zegswijze om iets gerings, onbeduidends aan te geven, iets dat tot eene zaak niets afdoet. In de oudste verzamelingen komt zij voor; vgl. Campen, 84: Ten helpt niet meer, dan een boone in een brouwketel; Sart. 11, 9, 5: Het is een boon in een brouw-ketel; Winschooten, 271: Dat mag niet helpen: dat helpt soo veel, als een boon in een brouwkeetel; Tuinman I, 372: ‘Dat helpt, als een boon in een brouwketel. Dus drukt men uit door eene belachelijke vergelijking, de geringheid van iets tot vervulling’; Halma, 86: Dat is zoo veel als eene boon in eenen brouwketel, dat kan weinig helpen; Harreb. I, 98; III, 140; Ndl. Wdb. III, 442; 1601; fri. in bean yn 'e broutsjettel, zooveel als niets; voor Zuid-Nederland vgl. Tuerlinckx, 104: zoo veul als in vlieg in inne brouwketel; evenzoo in Antw. Idiot. 305.

309. Ieder moet zijn eigen boonen (of peultjes) doppen,

ieder moet zelf voor zijn belangen zorgen; zijn zaken zelf beredderen; vgl. C. Wildsch. III, 57: Ik zei altoos, hoor, Sijntje, dat is uw zaak, 't zijn uwe boonen, gij zult ze moeten doppen; bl. 346: Evenwel, indien Keetje wil en zal, zij moet het weeten; het zijn haar boonen, zij moet ze doppen; V, 269: Nu 't zijn haar boonen, zij moet die doppen; Harreb. I, 79; Nkr. VII, 30 Aug. p. 3; Het Volk, 4 April 1914 p. 7 k. 4: Onze Organisatie past er nu eenmaal voor de boontjes te doppen voor de op een koopje vrij georganiseerden; De Arbeid, 28 Febr. 1914 p. 2 k. 4: Ik geef u de verzekering, dat D.V.V. best haar eigen boontjes zal weten te doppen; 8 April 1914 p. 1 k. 1: In alle andere gevallen hebben we niets met hen te maken en doppen we onze eigen boontjes; Jord. 400: 's Middegs en 's oavons helpt me Staan..... Moar 'n mins dopt tug 't liefst se aage baune! Nw. School, VII, 118: Hij (een Hoofd der School) kan het niet goed hebben dat die gymnastieker van hem z'n eigen boontjes dopte; Antw. Idiot. 2146: Ieder moet zijn eigen boonen maar wannen, ieder moet zijn eigen gebreken verbeteren, vóordat hij zich met die van anderen bemoeit; Nw. Amsterdammer, 20 Maart 1915 p. 9 k. 1: Laat ieder nu maar zijn eigen peukjes doppen.

308. In de boonen zijn,

d.w.z. in de war zijn, het spoor bijster zijn, het mis hebben, zich vergissen, in 't algemeen: verward denken of handelen. De verklaring dezer zegswijze moet gezocht worden in het bij oudere en jongere schrijvers vermelde getuigenis, dat de in het voorjaar bloeiende bloemen der groote of roomsche boonen eene bedwelmende uitwerking op den mensch hebben; wie op of nabij een bloeiend boonenveld zich te slapen legt of te lang vertoeft, wordt daardoor bevangen en duizelig en verward in het hoofd, of raakt, naar het oude volksgeloof, geheel aan het malen. Bij V. Beverwijck, Schat der Onges. I, 86 a, lezen wij: ‘Van yemant, die wy sien, dat met het Hooft niet wel bewaart en is... seydt (men), De boonen bloeyen, ofte, Hy is in de Boonen. Want in 't voorjaar, als de Boonen beginnen te bloeyen, bevintmen dat de Vochtigheden onses Lichaams beginnen uyt te spruyten, en met dampen de Herssenen te vervollen: dewelcke dan door den welrieckenden bloessem vande Boonen ghescherpt zijnde, soo raken de Sinnen op den loop’. Zoo verklaart ook Dodonaeus 903 b: ‘Het Boonen bloeysel is wel lieffeliick van reuck, maer hindert nochtans de herssenen die niet sterck, maer haest beroert zijn’.Over de gegrondheid van deze bewering zie Dr. H.A. Lubbers in Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, LXV, 1075. Zoo kreeg in de boonen zijn de beteekenis van in de war zijn. Later, toen het geloof aan die werking der boonen verdween, werd de uitdrukking niet meer begrepen en werd zij verlengd met: en plukt erwten (Harrebomée I, 79 a). Zoo ook in het Friesch: hy het yn 'e beane wêst om eartepûlen to siikjen, hij is in de war; byste yn 'e beanne.... en plokkeste earte?

In onze taal vindt men deze zegswijzen bij Campen, 97: Die Bonen bloeyen mit hem en als de Bonen bloeyen, soe en sint die gecken niet wys. Ook in de litteratuur der 16de eeuw vindt men meermalen bewijzen van dit volksgeloof. Vgl. uit een bundel refereinen, anno 1524 (Tijdschrift XXI, 91): Sonderlinghe als die boonen bloyen den keyen (gekken) dan grote crachten toe vloyen. In Duitschland kende men eveneens in de 16de eeuw het gezegde: Wenn die Bohnen blühen, gibt es viel Narren; thans zegt men in Holstein tegen een domme: Hast grôte Bohnen êten (Eckart, 56); de Franschen zeggen: les fèves sont en fleur, les fous en vigueur of fèves fleuries temps de folies; eng. beans are in flower (Prick). Bij ons is de uitdr. in de boonen zijn het eerst opgeteekend uit de 17de eeuw o.a. bij Westerbaen II, 502 en V. Moerk. 399. Verder kan men raadplegen het Ndl. Wdb. III, 444-446; XII, 1434; Tijdschrift IX, 265; 324; XXI, 91; Noord en Zuid XIII, 217-220; Volkskunde XIX, 220; Harrebomée III, 140 a; Taalgids III, 116; IV, 283; VIII, 116; Gunnink, 113; Molema, 506; Schuermans, 69; 't Daghet XII, 127; Verdam in de Handelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 41 en Scheurleer, Profit. Boexken, bl. 200. Vgl. nog A. de Cock, Volksgeloof, bl. 11-13.

310. Ik ben een boon(tje), als 't niet waar is,

ook ik mag een boon(tje) wezen, enz., in scherts gebezigd om kracht bij te zetten aan eene bewering, hetzij bevestigend, hetzij ontkennend. Men verwenscht zich zelf, voor het geval dat dit of dat anders mocht blijken te zijn, dan men verzekerd heeft. De boon is hier alleen genoemd als iets kleins en nietigs; Ndl. Wdb. III, 443. Vgl. andere dergelijke zegswijzen: ik ben een kuiken, een kievit, een drilboor, enz. als; of ook ik mag sterven, dood vallen, ik laat mij hangen, enz. als; zie ik mag dood vallen en vgl. fri. ik bin in beantsje, mei (mag) in beantsje wêze, as, enz.

311. Zijn boontjes op iets te week(en) leggen,

d.w.z. ergens op rekenen of staat maken. Vgl. Tuinman I, 98: Hy heeft daar zyn boontjes op te weeken gelegt, dat is, hy heeft daar op en daar tegen staat gemaakt. Men weekt boonen tegen zekeren tijd, om die dan te eeten; De Brune, 150:

 't Ghesciet niet al, hoe zeer ghebeyt,
 Daerm' op te weyck zijn boontjes leyt.

Harreb. I, 79; Goeree en Overflakkee: Ergens zijn boontjes op in de week leggen, er op rekenen (N. Taalgids XIII, 138). In Zuid-Nederland is deze zegswijze zeer bekend. Vgl. Antw. Idiot. 274: Op iet zijn boonen te weik leggen, veel moeite, neerstige pogingen doen om iets te bekomen; Schuermans, 848: Zijne boontjes te week leggen, iets betrachten; Waasch Idiot. 134: Zijn boonen op iets te weeken leggen, op iets rekenen, in de hoop zijn van iets te verkrijgen; Teirl. 198; De Bo, 1377; Ndl. Wdb. III, 441.

312. Lustje (of moetje) nog boontjes (of peultjes)?

d.w.z. Heb je nog iets te zeggen of te vragen? Was er nog iets? Wat zeg je daarvan? Soms ook wordt dit door den toehoorder terzijde tegen een ander gezegd, als de spreker iets opmerkt, dat men afkeurt. Zie Ndl. Wdb. XII, 1434 en vgl. Nkr. II, 30 Aug. p. 2: Een nieuwe lachbui was het antwoord met sarkastische vragen als: Waar kom jij vandaan? Moetje nog boontjes? en dergelijke; Jord. II, 206: Moest de brulaap nog boontjes? Een pot op zijn kop en een frisschen nacht zou ze hem wenschen! Boefje, 120; Het Volk, 14 Jan. 1914 p. 8 k. 2; De Arbeid, 14 Febr. 1914 p. 1 k. 2: Die bond is een echte barbaar, die meent te ‘bevelen’ te hebben en zegt met een grooten mond: ‘Wij zullen bepalen welke actie te IJmuiden gevoerd zal worden’. Mot je nog peultjes? 6 Dec. 1913 p. 3 k. 3: Nu het verschil: Ruis onvereenigd revolutionair bleef werk houden en A.v. Dalen christelijk georganiseerd werd gebroodroofd. Moet je nog boontjes?

313. Boontje komt om zijn loontje,

d.w.z. iemand krijgt zijn verdiende loon, als hij iets misdreven heeft: het kwaad loont zijn meester (Spieghel, 276). De zegswijze is ontleend aan het sprookje van erwtje, boontje, strootje en kooltje vuur, die samen uit wandelen gingen. Ze kwamen voor een wijd water en wisten niet hoe daarover te komen. Strootje ging nu over het water liggen, en erwtje en boontje liepen er overheen. Toen kooltje vuur dit ook zou doen en reeds op het midden was, raakte het strootje in brand en kooltje vuur viel in het water. Boontje begon hierover zoo te lachen, dat het berstte; zoo kreeg het loon naar werken; zie Grimm, Kindermärchen no. 18.A. Wünsche, die Pflanzenfabel in der Weltliteratur, Leipzig 1905, bl. 96 vlgg.; Volkskunde XX, 193-197; A. de Cock, Natuurverklarende sprookjes, Gent 1912, II, bl. 93; J. Bolte und G. Polivka: Anmerkungen zu den Kinder-u. Hausmärchen der Brüder Grimm, Leipzig 1913, p. 135-138. Dit sprookje was in de 17de eeuw bij ons bekend: bij Poirters, Mask. 123 en in de Klucht v. Oene door Jan Vos (Ged. II, 221) komt het voor; de zegswijze is het eerst aangetroffen bij Winschooten, 273, waar ze luidt: het boontje komt om zijn loontje; vgl. ook Rusting, 597: Zo komt boontjen om zyn loon. Ook het omgekeerde loontje komt om zijn boontje wordt aangetroffen, vooral in Zuid-Nederland, doch schijnt van later dagteekening te zijn (vgl. o.a. Slop, 158, 159). In Oostfriesland zegt men, volgens Eckart, 412: Pôntje kriegt sin Lôntje, evenals in Groningen: boontje krigt zien loontje (Molema, 51 b). Het is duidelijk, dat ‘komt om’ hier wil zeggen ‘krijgt’, eene beteekenis die voortvloeit uit die van ‘komt om te halen’, ‘weg te nemen’. Vgl. Hooft, Ged. I, 285: En waer een kerren (kogel) treft, zy komt om lijf oft lidt. Zie Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 455; Ndl. Wdb. III, 448-449; VIII, 2795; Volkskunde XX, 193; Tijdschrift, XIII, 156 en XVIII, 293, waar eene vergeestelijking van dit sprookje is te vindenOver vergeestelijkte liederen zie Knuttel, Het geestelijk lied, bl. 438 vlgg.. Ook in het fri. boantsje komt om syn loantsje.Opmerking verdient de bij Tuinman I, 265 en Harreb. I, 53 a vermelde Zeeuwsche uitdr. Heusje komt op (of om) zyn beusje, d.i. het kwaad oont zijn meester.

314. Een heilig boontje,

d.w.z. iemand die zich braaf voordoet en zich daarop laat voorstaan. Wellicht mogen we in deze benaming eene verbastering zien van het in de 18de eeuw voorkomende heilig bontje, dat we lezen bij Van Effen, Spect. X, 51: ‘De listen van sommige schilders, die zulke heilige bontjes niet zyn, als ze wel schynen willen’. Onder een bontje verstond men toen een burgerweesZie Van Effen, Spect. IV, 140 en Teirlinck, Wdb. v.h. Bargoensch, waar bl. 7 b ‘bontje’ verklaard wordt door ‘burger-weesjongen’, een naam, die zijn ontstaan zal te danken hebben aan de bonte kleeding; vgl. het grauw., en derhalve onder ‘een heilig bontje’ een brave(n), vrome(n) wees.Bouman, 76: Ons lievenheers witje: het heilige bontje. Wat hij hiermede wil zeggen, begrijp ik niet. Bij navraag is me gebleken, dat deze naam heilig bontje in Noord-Holland voor een witje (een vlinder) onbekend is. Waarschijnlijk haperde er wel eens iets aan die vroomheid, zoodat de uitdr. in ironischen zin kon genomen worden. Dat later, toen ‘bontje’ niet meer verstaan werd, hiervoor ‘boontje’ in de plaats kwam, is toe te schrijven aan volksetymologie, die het in verband kan hebben gebracht met de Driekoningenboon. Of mogen we vergelijken: ‘een leuke pisang’, ‘een rare snijboon’, een ‘lekkere druif’ en dergelijke? Zie Noord en Zuid XX, 449 en Harreb. I, 79 a, waar de uitdr. het eerst is vermeld.Schotel, Oud-Holl. Huisgezin 385 beweert, dat deze boon de ‘heilige bone’ genoemd werd, iets, wat, in aanmerking genomen Schotel's onbetrouwbaarheid, zonder nader bewijs niet kan worden aangenomen. Vgl. eens Tijdschrift XVI, 284 noot.

840. Zijn haring braadt daar niet,

d.w.z. hij is daar niet welkom, niet gezien; eig.: ‘men braadt daar voor hem geen haring (d.i. panharing)’. Ook zeide men: zijn bokking wil daar niet braden; zie Winschooten, 77: Mijn Haaring en braad daar niet, dat is, oneigendlijk, ik heb daar geen vriendschap te verwagten; Huygens, Cluysw. 63: (Sy) raeckten schier geen' straet, om metter vaert te zijn daer beider haringh braedt, d.i. waar hun potje te vuur stond, waar hunne belangen hen riepenVgl. lat. ferrum tuum in igne est, het geldt uwe belangen (Otto, 135).; Cats I, 987:

De vryer praet van op te staen,
Hy denckt sijn haring braet' er niet
Na hy het daer gebakent siet.

Halma, 206: Zijn haring braad daar niet, hij is daar niet gezien; mijn haring braad daar niet, ik heb van daar geen gunst te wagten; Sewel, 307; Esopet, Leuterbol, 8: Mijn haring braat hier niet wel: het vuur is te heet; Ndl. Wdb. III, 987; V, 2214; Antw. Idiot. 551; Waasch Idiot. 286 a; Teirl. II, 17; Harreb. I, 285; II, XXVII; Boekenoogen, 296: zijn haring braadt hier niet, het bevalt hem hier niet, het gaat hem niet naar zijn zin; in het fri. myn hearring bret hjir net, 't is hier geen koren op mijn molen (Fri. Wdb. I, 233 b); hd. sein Hering wird hier nicht gar braten (Wander II, 532). In Kl. Brab. zegt men hiervoor: ergens niet veel botermelk likken; vgl. ook zijn boontjes weeken daar niet (V. Eijk, III, 40); zijn penning geldt hier niet (zie Ndl. Wdb. XII, 1088); zijn koek is hier op, hij heeft hier de genegenheid verloren (Waasch Idiot. 359); zijn koren groeit hier niet (Harreb. I, 140); in het Antw. zijne winkel draait hier niet, hij heeft hier geen bijval.In Antwerpen bestaat nog een spelletje: Mag ik mijn haringsken eens braden; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, I, 229.) Vgl. in het eng. come uncalled and find no hearing.

937. Honger maakt rauwe boonen zoet

d.w.z. honger doet iets, dat anders niet heel smakelijk is, toch lekker vinden en met smaak eten (mlat. delicias panis non querit venter inanis), of zooals Poirters in de voorrede van Mask. zegt: den hongher doet honigh uyt een korstjen broots suygen, of zooals wij ook zeggen: honger is de beste saus (of de beste kok); lat. optimum cibi condimentum fames. Vgl. in het laat-mnl. hongher maeckt roo boonen soet; in de Prov. Comm. 389: honger maect rouwe boenen soete; Goedthals, 31: den hongher doet rauwe boonen suker smaken; Campen, 19: die honger is die beste Kock (hd. Hunger ist der beste Koch; fr. l'appétit est la meilleure sauce; il n'est sauce que d'appétit; eng. hunger is the best or the strongest sauce) en bij Idinau, 165:

Hongher is de beste sausse, t'is klaer;
Want die gheeft smake tot alle spijse.

Vgl. fri. hûnger hjit makket rie beanne swiet; Erasmus, CLXIV; Bebel, 202; 500; Volkskunde XVII, 74; Tuinman I, 97: honger maakt raauwe boonen zoet. Honger ziet struif voor taart aan; Harrebomee I, 324 a; Wander II, 914: Hunger macht rohe Bohnen (oder Saubohnen) süsz oder zu Mandeln; in der Not friszt der Teufel Fliegen; eng. hungry dogs will eat dirty puddings; hunger makes hard beans sweet (or soft). (Aanv.) Dr. D.C. Hesseling had de vriendelijkheid mij mede te deelen, dat rauwe, in water geweekte boonen het gewone voedsel waren der anachoreten en monniken, die streng vastten. Nog heden worden ze in den vastentijd door vele Grieksche kloosterlingen gebruikt. Dit zelfde gebruik zal ook wel in de kloosters van het Westen bekend geweest zijn.,

2114. Voor spek en boonen meedoen (of er bij zitten, loopen),

d.w.z. niet geteld worden, een bijlooper zijn, bij eenig werk overtollig zijn; Transv. ver spek en boontjes, voor weinig geld (Onze Volkstaal III, 143). Elders: voor spek en brood, voor spek en 'n metworst, voor spek en appels (Molema, 51 b); voor spot en boonen zitten, meedoen (Opprel, 84 b); voor spot en spiegel (Noord en Zuid VII, 348; Nav. LIX, 43); för spek un bonen, för 'n stük spek mitlopen (Ten Doornk. Koolman III, 270; Dirksen I, 60); voor doove neuten ergens bij zitten (V. Janus II, 135; 136); for spek en brea (brood) meidwaen (W. Dijkstra, 400); voor kiekenvleesch mee doen (Schuermans, 240 a); 't wittebrood zijn (ibid. 869 a). Volgens het Ndl. Wdb. III, 441 beteekent de uitdr. vermoedelijk eig. ‘geen loon maar alleen den gewonen kost verdienen, gelijk b.v. oudgedienden, die het genadebrood eten’; vgl. De Bo, 195: voor den babbel en den buis, voor eten en drinken, zonder andere vergelding dan ate en drank; Ndl. Wdb. III, 1494: voor den rok en den brok werken, voor kost en kleeding werken; Van Effen, Spect. IX, 239: Dat ge nog niet voor vol kunt aangezien worden, en, om een kinderlyke dog kragtige spreekwyze te gebruiken, dat ge nog maar voor spek loopt. Volgens Halma en Sewel verstond men in de 18de eeuw onder spek en boonen studentenhaver, rozijnen en amandelenIn Zuid-Nederland bestaat een znw. spek, vroege ontleening uit lat. speciem, fr. espèce, een soort caramel, een babbelaar, een suikergebak, dat de kinderen gaarne snoepen (De Bo, 1067 en Schuermans, 653)., dus iets lekkers, waarin weinig voedsel zit, dat men ‘toe eet’; en vergelijkt men nu de Zuidnederl. uitdr. 't wittebrood- of kiekenvleesch zijn; ook voor kiekenvleesch meedoen (Claes, 109); veur kiekebil, voor niets (Waasch Idiot. 339Als Antwerpsche jongens soms eenen kleine, die nog niet zoo snel als zij en kan loopen, laten meespelen, en overeenkomen dat hij er niet en zal moeten aan zijn, dan heet die kleine kiekenvleesch (Kinderspel I, 79).), onze zegswijze ‘voor zoete koek meedoen’, en de door Harreb. II, XXXI en LXIII vermelde zegswijze hij doet meê voor de groene kaas, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de eig. bet. kan zijn: voor iets gerings geteld worden, den dienst doen van spek en boonen. De andere uitdrukkingen kunnen dan navolgingen zijn, toen men den eigenlijken zin niet meer verstond. Ze komt o.a. voor in Buiten, 19 Sept. 1914, p. 456: In 't zuiden waken ernstige jongens, die op hun qui vive zijn en drommels goed beseffen, dat ze daar niet voor spek en boonen staan; De Amsterdammer, 29 Maart 1924, p. 8: En zoo loopt de normale mensch-in-het-algemeen in ons, een beetje overspannen, geforceerde wereldje, er nog al eens voor spek en boonen bij; Nkr. II, 9 Febr. p. 2; De Arbeid, 25 Maart 1914, p. 4 k. 2; Ppl. 65; Het Volk, 13 Mei 1914, p. 1 k. 4; A. Jodenh. II, 2; Afrik. vir spek en boontjies; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut