Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boomklever - (vogel (Sitta europaea))

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Boomklever Sitta europaea Linnaeus 1758. In de Lage Landen tamelijk bekende vogel van plaatsen met zwaar geboomte, waar hij broedt in holten in het hout. De vogel kan zich als het nodig is benedenwaarts langs boomstammen verplaatsen zonder de vleugels te gebruiken, zich daarbij met de poten aan de schors vasthoudend. Het lijkt er daarbij op, alsof de vogel aan de boom kleeft. Dit is wat het meest aan deze vogel opvalt, dus moet de N naam uitgelegd worden als ‘aan-de-boomklever’. Ook twee Am volksnamen voor de Canadese Boomklever Sitta canadensis en/of de Witborstboomklever Sitta carolinensis geven het ontzag bij de naamgever voor dit ‘duivelse’ kunstje aan: Devil-down-head en Topsy-turvy-bird (‘ondersteboven-vogel’).
B&TS 1995 echter menen dat de N naam voornamelijk bepaald is door een gewoonte van de Boomklever om de ingang van de nestholte, als deze te wijd is, met klei of modder te beplakken (vgl. de N volksnamen Plakmees en Plakspecht). Dit lijkt voor N Boomklever minder geslaagd wegens de ss. met boom- en wegens het ontbreken van de betekenis ‘bepleisteren’ van het ww. kleven. Voor D Kleiber ‘Boomklever’ ligt dat anders; het betekent niet zozeer ‘klever’ als wel ‘leemarbeider’, ‘hij die een gat met leem opvult’. Zweeds Bom klifer bij Rudbeck c.1710 [Anfält et al.] betekent ‘boomklimmer’ (zweeds kliva ‘klimmen’). Zoals in het D, zo verwijst ook F Sittelle torchepot naar het pleisteren (F torcher ‘met leem en stro metselen’; ook ‘(af)vegen’; uiteindelijk torquere ‘(om)draaien, wenden’; vgl. torquatus sub Beflijster).
In Houttuyn 1762 wordt Linnaeus’ Sitta europaea met “Europische Blaauwspecht” weergegeven (vgl. sub Blaauwspecht); men wist van het bestaan van andere Boomkleversoorten in Amerika door het werk van Catesby. De naam ‘Boomklever’ valt bij Houttuyn niet, en dit bij de wetenschap: “Verwonderlyk is de Konst, die hy gebruikt in het toestryken van den ingang van zyn Nest, dat hy in Gaten van Boomen maakt met Kley, laatende alleenlyk een kleine opening, om ’er in en uit te komen.” In de systematiek staat de Boomklever dan nog onmiddellijk achter de Spechten (in Jonston 1660 Tab.41 de aan Gesner 1555 ontleende gravure met daarbij de namen Picus Cinereus, Blau Specht en Maij Specht). Ook in Schlegel 1852 gaat de “Blaauwe Specht” nog onmiddellijk aan de Spechten vooraf.
In Schlegel 1858 is ‘Boomklever’ gebruikt als naam voor de soort. Hij is ingedeeld bij de familie der ‘Kruipvogels Certhiae’, die onderverdeeld is in de geslachten der Boomkruipers Certhia, der Klimmers Tichodroma, en der Boomklevers Sitta. De groep wordt geplaatst tussen de Nachtzwaluw (een Niet-zangvogel) en de Winterkoning (een Zangvogel)! Het is wellicht (de van oorsprong Duitser) Schlegel geweest die geïnspireerd door D Kleiber de naam Boomklever mooi vond passen in de trits Boomkruipers, Klimmers en Boomklevers. Er bestond trouwens al de D naam Baumkleber, nl. in het Strassburger Vogelbuch uit 1554 [Wilms 960722,2a; 960731,3].
Behalve aan metselen doet de vogel ook aan hakken. Dit komt tot uiting in de friese volksnaam Beambikker (officieel fries is Blauspjocht). Er zijn echter ook de volksnamen Boompikkertje voor de Boomkruiper ↑ en Boompikker (in Zeeland Baompikker, Buumpikker) voor de Grote Bonte Specht. Het is daarom niet zeker welke vogel bedoeld is in de VK (c.1618) met: “boombicker. sax. sic. Calidis. genus auis.”
Houttuyn: “Hy [de Blaauwspecht] wordt ook wel Boomklopper en Houthakker genoemd, gelyk de Spechten.” Eigenaardig is, dat B&O 1822 de kleur van de soort niet goed getroffen vinden; zij noemen hem “De gemeene of Europische Graauw-Specht” (misschien naar de D naam (Gemeiner) Grauspecht, die minder vaak voorkomt dan D namen voor de soort met Blau- erin). De geslachtsnaam is bij deze auteurs wél: De BLAAUW OF GRAAUW SPECHT (SITTA).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BOOMKLEVERSitta europaea
Duits Kleiber
Engels Nuthatch
Frans Sittelle torchepot
Fries Blauspjocht
Betekenis wetenschappelijke naam: Europese Sitta. Sitta is een klanknabootsend woord, naar de lokroep die klinkt als ‘siet’. Het feit dat de Boomklever bij het maken van zijn broedplaats de nestingang met klei of modder zodanig aansmeert dat hij er nog net door kan, leidde tot zijn naam. Toch zal de manier waarop hij, zowel in op- als in neerwaartse richting langs de stammen en takken van bomen klautert, zeker aan deze naamgeving hebben bijgedragen. Het lijkt alsof hij tegen de boom geplakt zit. Toepasselijke namen zijn Plakmees (Gd), Kleverkes (ONB) en Plakspecht (Gd). Het element ‘specht’ ligt voor de hand, het gedrag van de Boomklever vertoont verschillende overeenkomsten met spechten. Evenals deze vogels heeft de Boomklever een golvende spechtachtige vlucht en hakt hij net als spechten met zijn snavel in op tussen de boombast geklemde noten. Volksnamen die dit aspect belichten zijn naast de Friese naam ‘blauwspecht’ Spechtmees (Gd), Bla(a)uwspecht (Gr), Beambikker (Fr) en Kladderspecht (kladderen staat voor klauteren en klimmen, verg. Duits klettern). Een andere lezing t.a.v. laatstgenoemde naam is dat deze een verbastering is van Klaterspecht en dan betrekking heeft op de heldere geluidjes van de Boomklever. De betekenis van ‘Turkse’ in de volksnaam Turkse Boomhakker (Lb) is onduidelijk. Op de Griekse eilanden komt weliswaar de Turkse Boomklever voor, maar deze soort is, voor zover ons bekend, nimmer in ons land gesignaleerd. Het is evenwel denkbaar dat ‘Turkse’ een verbastering is van turkoois en dan verband houdt met het overwegend blauw van kop, rug en vleugels. Een Gelderse naam is Brabandertje; of die naam erop wijst dat de vogel vooral in Brabant veel voorkomt, is onduidelijk. Evenmin is de betekenis van de streeknamen Sparrewar en Boomgierderken (Rij) zeker. De eerste naam zal vermoedelijk een verwijzing zijn naar spar, een boomsoort waarin hij wel voorkomt; ook kan met dit woord bedoeld zijn een ‘visnet dat als klauw sluit’. Dan heeft het misschien op de nestopening (zie boven) betrekking; het element ‘gierderken’ in de laatste naam kan zijn afgeleid van het werkwoord gieren, in de betekenis van zwierend voortgaan en dan duiden op de manier waarop de Boomklever over de boom kruist.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut