Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boomgaard - (fruittuin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boomgaard zn. ‘fruittuin’
Onl. bom gard [950-1000; ONW], ook in de plaatsnaam Bongart ‘Bogaarde (West-Vlaanderen)’ [1184; Gysseling 1960, 157]; mnl. bongart [1240; Bern.], boengart [1265-70; CG II, Lut.K] (de twee laatste vormen met velarisering van de nasaal voor velaire medeklinker), boemgarde [1272; CG I, 203], boghert [ca. 1300; Claes 1982:591].
Samenstelling van → boom en → gaard.
Os. bomgardo; ohd. baumgarto (nhd. Baumgarten).
Een nog steeds bestaande variant van dit woord is bongerd (o.a. in de Betuwe en in Overijssel), zoals ook → wingerd naast wingart staat.
Lit.: J. Stroop (1993) ‘De naam Boomgaard en var.’, in: TT XLV, 29-47

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boomgaard*, bogaard [grond met vruchtbomen] {in de vroegere plaatsnaam Bongart, in Rheinland-Pfalz 1184, boomgaert, bongart [bosschage, lusthof, warande, boomgaard] 1201-1250} oudsaksisch bomgardo, oudhoogduits baumgarto; van boom1 + gaard1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boomgaard znw. m., mnl. boomgaert, naast bongart, bōgart (ook nnl. bongerd, bongaard), os. bōmgardo, ohd. baumgarto. — Samengesteld uit boom 1 en gaard.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boomgaard znw., mnl. boomgaert(d) m., ook al bongart, bôgart (nnl. bongerd, boogaard) “bosschage, boomgaard”. Een reeds ohd.-os. samenstelling: ohd. boumgarto m. (nhd. baumgarten, bangert), os. bômgardo m. Zie gaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bongerd m., + Hgd. bangert: uit boomgaard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boord II: “vrugteboord”; verbleekte ss. uit Ndl. boomgaard (met allerlei wv. sedert Middeleeue, by vRieb bv. nog bo(o)gaerd(t) en in Nul. o.a. bongerd) uit boom I (q.v.) en gaard (nog bewaar in wyngaard/wingerd), Hd. garten en Eng. garden, yard, orchard, verb. m. Lat. hortus en Gr. χortos, “ingeslote plek”; v. ook wortel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boomgaard* grond met vruchtbomen 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut