Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boom - (houtachtig gewas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boom zn. ‘gewas’
Onl. in de samenstelling ortobaum ‘tuinboom’ [8e eeuw; LS], in de samenstelling bom gard [950-1000; ONW], boum [ca. 1100; Will.], in de plaatsnaam Honrebom (onbekende ligging in Noord-Brabant) [1196-98; Künzel 182]; mnl. bóm ‘boom’ [1220-40; CG II, Aiol], boem, bom [1240; Bern.].
Ohd. boum [8e eeuw] (nhd. Baum); ofri. bām (nfri. beam); oe. bēam; < pgm. *bauma-. Daarnaast: on. baðmr ‘boom’ en got. bagms ‘boom’.
De West-Germaanse vormen lijken terug te gaan op pgm. *bauma-. Voor de Noordgermaanse en Oostgermaanse vormen is dit niet het geval. Er is geprobeerd een gemeenschappelijke basis voor alle Germaanse vormen te vinden: pie. *bhouh2mo- met diverse speciale klankontwikkelingen: -wj- > -g(j)- zoals in oe. būan, būw(i)an, (met rekking) bōgian en ofri. buwa, bowa, bōgia ‘wonen, bebouwen’. Kluge21 gaat uit van pgm. *baugma- bij het werkwoord *beugan- ‘buigen’; de boom is dan ‘de (in de wind) buigende’, wat niet goed bij de betekenis van het achtervoegsel past. Een gelijksoortige vorming zou ook → droom zijn, indien dit uit pgm. *draug-ma bij de wortel *dreug- ‘bedriegen’ komt. Deze etymologie is echter hoogst onzeker. Bij boom is er eerder sprake van een Europees substraatwoord: Kuiper 1995 reconstrueert pgm. *babma-.
Lit.: Kuiper 1995

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boom1* [houtachtig gewas] {in de plaatsnaam Honrebom, ligging onbekend (N.-Br.) 1196-1198, boom 1220-1240} oudsaksisch bōm, oudhoogduits boum, oudfries bām, oudengels beam, naast oudnoors baðmr en gotisch bagms; etymologie onzeker. De uitdrukking een boom opzetten [uitvoerig praten] is ontleend aan het kaartspel een boom jassen, d.w.z. een figuur die bestaat uit een streep met vijf of zeven dwarsstrepen, die bij elk gewonnen spel werden ingetekend. Het resultaat leek op een boom, vgl. bomen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boom 1 znw. m., mnl. boom, os. bōm, ohd. boum, ofri. bām, oe. bēam < germ. *bauma. Verrassend is, dat daarnaast got. bagms en on. baðmr optreden. Het is moeilijk deze tot een gemeenschappelijk grondwoord te herleiden. — In de bet. slagboom > russ. bon, bom ( v. d. Meulen, Ts. 62, 1943, 40-51); als scheepsterm > fra. bôme (Valkhoff 66), ne. boom.

Het meest voor de hand ligt het uit te gaan van de idg. wt. *bheu ‘wassen, gedijen’ (IEW 146), waarvoor zie: bouwen. Een poging tot verklaring geeft Specht, Ind. dekl. 54, die uitgaat van een idg. grondvorm *bhaumno (vgl. gr. phũma); daar er zoveel labialen in elkanders nabijheid stonden, was er aanleiding tot dissimilatie en wel tot *bauma (nl. boom); *bagma (got. bagms, ozwe. bagn) en *baðma (on. baðmr). Wel wat geconstrueerd. Zijn er toch verschillende woorden samengevallen? Men heeft on. baðmr met de groep van baden willen verbinden en dan dus eigenlijk ‘houtblok om te verbranden’ (Meringer, IF 16, 1904, 158); ook bedenkelijk. — Ten slotte rijst de vraag of in de verschillende germaanse gebieden niet een voorgermaans woord kan zijn overgenomen. V. Pisano, Paideia 13, 1958, 192 denkt aan rhaetische herkomst (zoals ook ploeg): weinig waarschijnlijk voor een woord van deze betekenis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boom I (arbor), mnl. boom m. = ohd. boum (nhd. baum), os. bôm, ofri. bâm, ags. bêam m. “boom” (eng. beam “balk, disselboom”). Wsch. gaat wgerm. *bauma- met got. bagms m. “boom” op germ. *ƀawwəma- terug, dat als idg. *bhowəmo- bij den wortel bhewâ-, bhû- “groeien” hoort (zie bouwen). Verwant is misschien ozw. bagn “boomstronk”. On. baðmr m. “boom” heeft men ook uit *ƀaww(ə)ma- afgeleid, wsch. echter is ʼt een bijvorm van barmr “id.”, dat eventueel formantisch door *ƀaww(ə)ma-> ngerm.*bag(gw)ma- beïnvloed is, maar niet er uit ontstaan kan zíjn. Een ouder woord voor “boom” is os. trio, ofri. trê, ags. trêo (eng. tree), on. trê, got. triu o. Voor verwanten hiervan zie trog en teer I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boom I (arbor). Het ndl. woord is als scheepsterm overgegaan in het Fr. (bôme) en Eng. (boom).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boom m., Mnl. boom, Os. bôm + Ohd. boum (Mhd. boum, Nhd. baum), Ags. béam (Eng. beam = balk), Ofri. bám, On. bađmr, Go. bagms: de Westg. vormen uit Ug. *baum-, Idg. *bhou̯m-, de Oostg. uit Ug. *bawwəm-, Idg. bhou̯əm- + Gr. phũma = gewas: van denz. wortel als bouwen. — Uit het Ndl. komt Eng. boom, en uit Ndd., Zw. en De. bom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boum (zn.) boom; Aajdnederlands baum <701-800>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boom I: “plantgewas”; Ndl. boom (Mnl. boom), Hd. baum, Eng. beam, “balk”, herk. eint. Germ.; v. ook wonderboom.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Boom snw. Segsw.: Buig die boompie solank hy nog jonk is. In Alg. Besk. Ndl. lui dit: Buig het takje, ens. – Joos 133: “Ge moet het boomken buigen, terwyl het jong is;” Corn. en Vervl. 1602: id.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Boom der kennis (van goed en kwaad), boom in het paradijs die de sleutel tot de wijsheid vormde; (fig.) bron van kennis en bewustzijn.
Boom des levens, boom die het eeuwige leven geeft; (fig.) bron van leven, van levenskracht en van de voortzetting van het leven.

God plantte in de hof van Eden de 'boom der kennis van goed en kwaad', waarvan Adam en Eva in weerwil van het verbod aten, en de 'boom des levens', waar zij vervolgens in hun zondige staat niets van mochten nemen (Genesis 2:9, in deze genitiefvorm nog in de NBG-vertaling). Deze boom des levens wordt o.m. in Spreuken (15:4, NBG-vertaling) in de figuurlijke betekenis gebruikt: 'Zachtheid van tong is een boom des levens'. De levensboom speelt in de mythologie en godsdienst van vele volkeren een rol, onder andere als toegang tot hemel of onderwereld. Zij was ook in de Germaanse godsdienst bekend. Bomen met andere magische krachten zoals den boom der kennises des goets ende des quaets in de formulering van de Statenvertaling zijn eveneens uit andere culturen bekend. Vooral in literaire teksten spelen deze bomen een rol. Zie ook Zondeval.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 2:9. Ende God die HERE liet op wasschen alderley bomen lustich te aensien, ende goet te eten, ende den boom des leuens midden inden hof, ende den boom des bekennissen des goets ende des quaets. (In de Statenvertaling (1637) den boom der kennisse des goets ende des quaets.)
En in die donkere Gaard [adres van de studentenkamer van de ik-figuur] / strekte ik mijn hand uit; ik at / van de boom van goed en van kwaad: / en het vers werd mij geopenbaard. (I. Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 1980 (Studentenkamer, z.j.), p. 468)
[Over verwarring in ethiek en moraal:] Die boom der kennis van goed en kwaad kan nooit veel soeps geweest zijn. (NRC, nov. 1994)
Men beschuldigde mij van moord: ik zou met die krukken het oude mannetje de kop hebben ingeslagen -- het is jammer -- zovele oude mannetjes vallen van de boom des levens, gelijk gerimpelde en maaisteke appeltjes -- het maakt mij nog steeds zo zwaarmoedig -- ik moet bekennen, dat ik misschien wat al te hardhandig aan die boom heb geschud? (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956) , p. 767)
Het [het verleid worden zonder liefde] zou haar nooit meer gebeuren, al had ze nooit meer wat, als zou ze moeten verdorren als een blad, ver weg gedwarreld van de boom des levens. (A. Blaman, Overdag en andere verhalen, 1957, p. 7)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

boom. De modale nuance die uitgedrukt wordt in de verwensingen je kunt (voor) mij de boom, bomen in en je kunt de (hoogste) boom in! is ‘je kunt opvliegen, ik ben absoluut niet in je geïnteresseerd’. De verwensingen drukken met andere woorden woede en andere frustratie uit. Als uiting van die woede en frustratie geeft een zegsman uit Arnhem als verwensing op je kunt wat mij betreft met 140 kilometer op een boom rijden! De emotionele betekenis wijst op onverschilligheid en minachting. → hangen, kunnen, rekken.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kat, De kat uit den boom kijken (zien). Vroeger meestal beschouwd als ontleend aan het katknuppelen en boom dus als = bodem, doch hiertegen pleit, dat de kat niet door kijken uit den bodem van de ton komt; tenzij men den zin er aan hecht: eerst de kat veilig en wel uit de ton en weggevlucht zien, vóór men zich in de nabijheid waagt, waartegen weder pleit, dat zien wel voorkomt, doch meest kijken, dat hierbij niet past. Daarom wil men er nu meer in zien: door strak kijken maken, dat een kat, die in den boom zit, er uit komt. Hiervoor pleiten de uitdrukkingen: zoo vurig of kwaad zien, dat men een kat uit den boom zou kijken, en: de kat kijkt den vogel uit den boom. De bet., waarin de spreekwijze nu voorkomt, nl. van afwachten. tot men weet hoe de zaken staan of gaan, komt wel niet geheel overeen met de eig. bet., doch dan moet men óf zich denken, dat men den klemtoon op kijken moest leggen, en dat dus bedoeld werd eerst probeeren wat door kijken teweeggebracht kan worden, vóór men handelend optreedt (= de kat er uit haalt); óf men moet aannemen een verkeerd gebruiken van het spreekwoord, zooals meermalen voorkomt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boom ‘houtachtig gewas; havenboom, disselboom, slagboom, giek, mast, bezaansboom, trekboom op trekschuit’ -> Fries boom ‘slagboom, giek, disselboom’; Engels boom ‘stok om een zeil te loevert te zetten; luchtvaarder; statief; vaargeulmarkering; vaargeulversperring’; Engels bumkin, bumpkin ‘fokkenloet’; Schots boam; bolm; bome ‘houten frame waaraan garen wordt opgehangen om te drogen; vaarboom; balk, stang; versperring om een rivier e.d. af te sluiten’; Deens boom ‘stang met beweegbare microfoon voor tv-opnames; persoon die met microfoonstang werkt’ ; Noors bom ‘slagboom; evenwichtsbalk; giek’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bom ‘slagboom; giek’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins puomi ‘slagboom; grensboom; giek’ ; Ests poom ‘havenboom’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † bôme ‘giek’; Italiaans boma ‘giek’ ; Pools bom ‘mast van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Kroatisch bum ‘havenboom’; Sloveens bum ‘havenboom’; Russisch bom, bon ‘slagboom; afsluiting van de haven; moeilijk doorgaanbare kloof of ravijn’; Bulgaars bon ‘havenboom’ ; Oekraïens bom ‘slagboom; afsluiting van de haven; moeilijk doorgaanbare kloof of ravijn’ ; Azeri bomba ‘slagboom’ ; Lets bons ‘havenboom’; Litouws bonas ‘havenboom’; Litouws bom- (bombramrėja, bombramselis) ‘giek (aan een bepaalde ra of zeil)’; Maltees bum ‘giek’ ; Maltees boma ‘giek’ ; Esperanto bumo ‘aan de reguliere masten toegevoegde, naar buiten uitstekende mast’ ; Indonesisch † bom, boom, bum ‘barrière van drijvende boomstammen in een rivier; slagboom; tolboom; douanekantoor’; Atjehnees bhōm ‘havenboom, disselboom’; Jakartaans-Maleis bom ‘disselboom van een tweewielige vrachtkar’; Javaans bum ‘disselboom van een rijtuig; havenkantoor’; Madoerees ēbbom ‘havenboom; havenkantoor’; Madoerees ēbbong, ēbbhong ‘disselboom van een rijtuig of buffelkar’; Makassaars bông ‘aanlegplaats van de boten; haventerrein; douane; disselboom van een rijtuig; laadboom’; Menadonees bom ‘slagboom’; Soendanees bom ‘disselboom; tolkantoor van een havenplaats’; Creools-Portugees (Batavia) boom ‘houtachtig gewas’; Singalees bōn- ‘disselboom’; Negerhollands bom, bōm, boom ‘houtachtig gewas’; Berbice-Nederlands bom ‘houtachtig gewas’; Skepi-Nederlands bom ‘houtachtig gewas’; Sranantongo bon ‘houtachtig gewas’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bom ‘houtachtig gewas’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

boom. In het Nederlands is men het woord boom 'houtgewas' en 'boomstam' overdrachtelijk gaan gebruiken als benaming voor allerlei voorwerpen die uit een boomstam, paal of ander lang stuk hout bestaan, en wel in het bijzonder voor een 'mast van een schip' of een 'giek', een rondhout om een zeil aan uit te zetten. In andere Germaanse talen heeft deze betekenisuitbreiding niet plaatsgevonden. Daarentegen hebben sommige Germaanse talen het Nederlandse woord overgenomen, dankzij de vooraanstaande positie van de Lage Landen in de scheepvaart en scheepsbouw. Zo kent het Engels sinds 1662 boom 'giek', terwijl het Schots al in de zestiende eeuw boam heeft geleend als 'vaarboom, balk, stang'. Deens, Noors en Zweeds bom 'giek' zijn waarschijnlijk iets later geleend - voor het Zweeds wordt het jaartal 1771 vermeld. Ook in Romaanse talen is het Nederlandse woord terechtgekomen. In het Frans is bôme 'giek' bekend sinds 1769. Al in 1797 heeft het Italiaans het Franse woord overgenomen als boma.

In het Nederlands wordt boom ook gebruikt in de betekenis 'slagboom', en in die betekenis is het woord uitgeleend aan het Deens, Noors en Zweeds, en aan het Russisch. Het Russisch kent naast elkaar bom en bon voor 'slagboom, afsluiting van een haven, barrière, moeilijk doorgaanbare kloof of ravijn'. Het woord is begin achttiende eeuw geleend, in de periode van Peter de Grote, in de vorm bon - het uitspraakverschil tussen m en n is klein, en de verwarring is begrijpelijk gezien het feit dat het woord mondeling is geleend. De vorm bon is in het Russisch veel gebruikelijker dan bom. In diezelfde periode kwamen ook de samenstellingen šlagbom, šlagbon 'slagboom' voor, maar inmiddels zijn deze vormen vervangen door de Duitse vorm šlagbaum.

In het Singalees is bōn- geleend (opnieuw met een n in plaats van een m); dit woord komt alleen voor in samenstellingen, met name in bōnlīya 'disselboom'. In het Indonesisch wordt bom gebruikt ter aanduiding van een '(dissel)boom, slagboom, tolboom', terwijl in het Sranantongo bon gebruikt wordt in de oudste Nederlandse betekenis 'houtgewas, heester, struik'. Het Nederlandse woord boom is dus in al zijn betekenissen door andere talen overgenomen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boom* houtachtig gewas 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

95. De appel valt niet ver van den stam (of den boom),

d.w.z. kinderen aarden gemeenlijk naar hunne ouders; mlat. arbor sit qualis, fas est cognoscere malis; ex radice mala nascuntur pessima mala; ex ovis pravis non bona venit avis. Bij Goedthals, 77 vindt men deze gedachte uitgedrukt door: Alle vruchten smaken naer huerliederen boom, de noble estoc naist riche plantage. Den wijn smaeckt geerne zijns stocks, le vin se cognoist a la saueur; mlat. stirpe saporatur pomum quocumque rotatur (Werner, 94). Cats drukt het op de volgende wijze uit: 't Appelken smaeckt gemeenlijck boomigh (zie Bebel, no. 451), dat in het Vlaamsch luidt: het appelken smaakt gemeenlijk boomsch (De Bo, 55). Vgl. ook Mergh. 11: de peere en valt niet wijt vanden boom. Ook in het hd. zegt men der Apfel fällt nicht weit vom Stamm; in Nederduitsche dialecten: de Appel fallt nicht wiet van 'n Stam; de Apel fallt ni widd fon Stamm. Zie Taalgids IV, 254 en vgl. Eckart, 16: de Appel fällt nit wît vam Stamme et en si dann, dat de Bôm schêf am Auwer (Ufer) steht. In het Friesch luidt de spreekwijze: de apel falt net fier fen 'e beam. Vgl. nog het Ndl. Wdb. II, 552; III, 407; 429; Harreb. I, 17 a; fr. de doux arbres douces pommes; eng. the apple falls near the tree; such as the tree is, such is the fruit (vgl. Waasch Idiot. 663 b: zulke tronk, zulk jong). Blauwe doeven, blauwe jongen (Cats I, 424; Groningen IV, 191).

298. Als een boom.

Van groote, forsche, breed gebouwde mannen zegt men wel een kerel als een boom; een boom van een kerel; fri. in kearel as in beam; in Gron. 'n bamboes van 'n kerel (Molema, 18 b; hd. ein Trumm von einem Kerl; fr. un homme comme un chêne). Bij Sartorius III, 2, 83: Een man als een boom, in homines praegrandi corporis mole. Ook in Zuid-Nederland: een boom van eenen vent (De Bo); een man gelijk een boom, een boom van 'nen vent (Waasch Idiot. 133); zoo sterk als een boom; ons Mie 't es nem boom (Teirl. 197). En 'n wijf dat die kleine augurk had, - nee 'n boom (Jord. 263); een pootige werkjongen als een boom (Boefje, 228). Iemand, die zich moeilijk kan bukken en buigen, zegt ook dat hij zoo stijf is als een boom; vgl. de synonieme uitdr. zoo stijf als een paal, een deur, een boonenstaak, een boonenstok, een plank, enz.; fri. sa stiif as in peal, as in putheak; een stijve hark en dergelijke.

299. Aan de vruchten kent men den boom,

d.w.z. 's menschen karakter toont zich in zijne daden; ook gezegd van kinderen met betrekking tot hunne ouders. Eene zegswijze, die ontleend is aan den bijbel, en wel aan Matth VII, 17-20; XII. 33: Luc. VI, 43-44; zie Zeeman, 102 en vgl. mlat ex fructis arbor agnoscitur; arbor sit qualis, fas est cognoscere malis; fructibus ipsa suis quevis cognoscitur arbor; arbor ut ex fructu sic nequam noscitur actu (Werner, 5, 34); Trou m. Bl. 114: Men kint den boom alder meest aen syn vruchten; Cats I, 524: Men kent de boomen aan de vruchten; 543: De boom wort uyt sijn vrucht bekent; De Brune, 400:

 Men kent het laecken uyt de zoom
 En uyt de vrucht, de plant of boom.

Harreb. I, 77 a; Ndl. Wdb. III, 407; Wander I, 274; 1234; fr. on connait l'arbre à son fruit; hd. an der Frucht erkennt man den Baum; eng. the tree is known by its fruit.

300. Men moet geen oude boomen verzetten (of verplanten).

Eigenlijk van boomen gezegd, die oud geworden reeds diep wortel geschoten hebben, en die bij verplaatsing niet kunnen aarden en doodgaan. Overdrachtelijk toegepast op oude menschen, die lang ergens gewoond hebben en dan moeten verhuizen. Dikwijls kunnen zij niet gewennen in hun nieuwe woonplaats, beginnen te sukkelen en sterven spoedig. Zie Sart. I, 5 I: Annosam arborem transplantare, oude boomen verplanten; Vondel, Leeuwendalers, 442; Smetius, 264: Wanneer oude boomen verplant werden so gaense lichtelyck uyt; De Brune, 380:

 Een boom die dickwils wert verplant
 En vat niet licht, maer wert tot schand.

Vgl. verder Erasmus, no. CCII en CCVI: Annosa arbor non transplantatur; Harreb. I, 78 a; III, 138 a; Ndl. Wdb. III, 407; Waasch Idiot. 133: Oude boomen willen niet verplant worden; Rutten, 278; Antw. Idiot. 1948, waar ook geciteerd wordt: een oud peerd wilt niet verstald worden; Teirl. 197; Wander I, 273. Vgl. fri. alde beamen litte hjar net maklik forplantsje; gron. 'n olle boom let zok nijt goud verpoten (Molema, 448); hd. alte Bäume sind schwer zu verpflanzen; eng. remove an old tree, and it will wither to death; ndd. en allen Baum lätt sik nit op'ne annere Stîe setten of wenn olde Bômen umplant werden, so gân se ût.

301. Hooge boomen vangen veel wind.

Evenals hooge boomen, die boven de kleine uitsteken, het meest bloot staan aan den wind, zoo staan personen van aanzien, die hooge betrekkingen bekleeden, bloot aan allerlei beoordeeling, aan haat, nijd, laster en vervolging. Vgl. het Latijn feriunt summos fulgura montes (Hor. Carm. 2, 10: 11); Spieghel, 282: Hoghe bomen vanghen veel wint. Eene soortgelijke gedachte vinden wij bij Anna Bijns, Refr. bl. 452 uitgedrukt in de woorden: Den wint wilt altijt meest opt hooge zijn; Hooft, Gedichten II, 76 drukt haar uit in den volgenden regel: De hoochste torens meest de buyen slaen; De Brune, 440: De leeghe boomen van het veld zijn minder van de wind ghequelt; Van de Venne, Bel. Wer. 62: Hooge dingen lijden veel aanstoot. Vgl. Tuinman I, 77: hooge boomen vangen veel wind; het fri. hege beammen habbe folle wynfang, syn. van as it hird waeit lije de greate hûzen it meast; hd. hohe Bäume fangen viel Wind; Ndl.Wdb. III, 407; Harreb. I, 78 a; Wander I, 278.

302. Door de boomen het bosch niet zien,

d.w.z. door te letten op de onderdeden, de hoofdzaak uit het oog verliezen, ‘wel eens gezegd van eene wijdloopige behandeling van eenig onderwerp, waarbij de talrijke bijzonderheden den blik, het overzicht over het geheel belemmeren’. Deze zegswijze is eene navolging van het hd. den Wald vor lauter Bäumen nicht sehen, het eerst gebezigd door Wieland, Musarion, 1768, Buch 2, V, 142:

 Die Herren dieser Art blend't oft zu vieles Licht;
 Sie sehn den Wald vor lauter Bäumen nicht.Zie Büchmann, 122-123.

fr. les maisons empêchent de voir la ville; eng. not to see the wood for the trees.

303. Een boom valt niet met den eersten slag,

eene moeilijke taak kan niet in eens volvoerd worden. Dit spreekwoord is bij vele schrijvers te vinden. In het mlat. arbor per primum nequaquam corruit ictum (Werner, 4); in het mnl. niet en valt die boom ten iersten slage; een boom die vast ghewortelt staet en valt ten eersten slaghe nietMnl. Wdb. VII, 1184.; Campen, 114: die boem en valt niet van eenen slach; Prov. Comm. 200; Servilius 31; Sartorius, 1, 9, 63; Bebel, 458; De Brune, 66:

 De eyck, die vast ghewortelt staet,
 De eerste slagh niet neer en slaet.

Tuinman I, 87; Harreb. III, 138-139 en vgl. fr. l'arbre ne tombe pas du premier coup; hd. auf dem ersten Hieb fällt kein Baum; es fällt keine Eiche mit einem Streiche; eng. a first stroke fells no tree.

305. Een boom opzetten,

d.w.z. gezellig babbelen, kouten, kletsen, zwammen (Onze Volkstaal, I, 47); ook wel: een lang verhaal over iets doen. Deze uitdrukking, die vooral in Oost-Indië gebruikelijk is en vandaar naar hier is overgebracht, is ontleend aan het kaartspel en wil eigenlijk zeggen: een spel gaan jassen, een boomDat is een figuur, gewoonlijk bestaande uit een streep met vijf of zeven dwarsstrepen, die bij elk gewonnen spel hetzij bijgeschreven of uitgeveegd worden, teneinde ieders winst en verlies te kunnen berekenen. Vgl De Bo, 1459: eenen boom kaarten of ook eenen boom vellen, d.i. zoolang kaarten tot dat er vijf reefjes gevaagd zijn aan den eenen of anderen kant; Rutten, 35: eenen boom met de kaarten spelen, spelen tot eene der partijen een zeker getal keeren wint; zie ook Antw. Idiot. 273; Teirl. 197 en 't fri.: in kaem spylje, de streepjes, als aanteekeningen bij dit spel, vormen een kam-figuur. jassen. Vgl. gron. 'n boom jassen, een spel kruisjassen, en ook: smousjassen (Molema, 51 a); dreiboom, jasspel onder drie personen (bl. 87 b); dreiboomen, jassen met zijn drieën (bl. 88 a); fri. in boom skutte, een partij schutjassen (Fri. Wdb. 219 b). In Zuid-Nederland: een boom spelen, zoolang spelen, totdat een der meespelers een bepaald aantal keeren gewonnen heeft (Schuermans, 654)Vgl. De Bo, 888 b: een pot kaarten, een spel kaarten, totdat de pot uit is.. Vandaar: gezellig bij elkaar zitten, kouten, kletsen, praten, tien schreefjes uitpraten (Onze Volkstaal, II, 119). Ook een wkw. boomen, in den zin van gezellig praten, is niet onbekendTaal en Letteren, 1899, bl. 27. Vgl. ook Ndl. Wdb. III, 410.. Vgl. het Brab. een köpke zetten (koffie zetten), gezellig babbelenAan boom (arbor) wordt gedacht in het Handelsblad 25 Dec. 1912 (ochtendbl.): Er werden lange en zware boomen geplant over de geloofscirculaire van Minister Regout, die ook verleden jaar ter sprake is gebracht..

Een boom (of boompje) opzetten komt o.a. voor in Nw. School, II, 337; IV, 188; VIII, 356; Nkr. IV, 15 Mei p. 4; V, 17 Oct. p. 2; Op R. en T. 14; Kunstl. II, 24; De Arbeid 25 Febr. 1914 p. 3 k. 3; 25 Maart 1914 p. 4 k. 2; 26 Dec. 1914 p. 1 k. 2: Militaristen zetten boomen op over vrede en ontwapening; Het Volk, 18 Dec. 1913 p. 8 k. 2: Heele boomen zijn er over opgezet; 29 April 1914 p. 1 k. 3: Mr. Tydeman zette een dikke boom op over de vraag, enz.; 11 Juli 1914, p. 7 k. 3: Dat hij zoo'n grooten politieken boom opzet, was verkeerd. Het ww. boomen en het znw. geboom komt eveneens tallooze malen voor; o.a. Nw. School II, 80; St. L. 48; Nkr. III, 1 Aug. p. 4; VII, 26 April p. 5; Handelsblad, 26 Januari 1915 p. 2 k. 6: Er is bij Shaw altijd gevaar door de (het?) boomen het bosch niet te zien; De Arbeid, 24 Dec. 1913 p. 4 k. 2; 6 Juni 1914 p. 2 k. 4: Al dat gepraat en geboom over deze staking: Het Volk 5 Dec. 1913 p. 1 k 3; 29 Dec. 1913 p. 1 k. 2; D.v.S. 99: Nu en dan sitten 'n stuk of wat slachtoffers bij elkaar, die 'n zwaartillende boom ophijschen over ‘de toestand’; 103: We zagen diverse ouwe kennissen terug, drukten handjes, zetten boomen op, tout court hadden de sensatie weer in de beschaafde wereld te zijn teruggekeerd; enz.

1092. De kat uit den boom kijken (of zien),

d.w.z. een afwachtende houding aannemen om te zien, hoe de gang van zaken zal zijn, alvorens men zich daarin mengt; fri. de kat ut 'e beam sjen en it scil my ris binije ho 't dy kat ut 'e beam fâlle scil (hoe dat zaakje zal afloopen); eng. to see (or watch) which way the cat jumps, hoe de zaak afloopt. De uitdrukking is sedert de 17de eeuw bekend; ze komt in meer letterlijken zin voor in de Gew. Weeuw. III, 69: Je zoudt een kat uit de boom kyken, zoo vuerig zie je uit u oogen; Rusting, 394: Als Agamemnon uit zyn droom ontwaakte keek hy, of hy katten uit een boom wou kyken; Smetius, 126: Hy legt ende siet hem aen ghelijck een katt van eenen boom eenen hond doet, deghene die op zyn voordeel liggende, zynen vijand uyt het velt siet. Dichter bij de tegenw. bet. staat ze bij Alewijn, Puit. Helleveeg, 36: Get Swaantje, 'k heb de kat daar uit de boom gekeken; het is de rechte; Langendijk, Spiegel der Vaderl. Koopl. vs. 152; Lingelbach, Ontd. Schijnd. 24 (waar een knecht tot zijn meester, die zijne eigene vrouw met een anderen man betrapt, zegt): Wij moeten nu de kat zien uit den boom kijken, d.w.z. wij moeten nu eens zien, hoe dat zaakje afloopt; Tuinman I, 89: De kat uit den boom kyken. Als men lang op een kat steroogt, vind zy zich genoodzaakt om laag te komen; II, 106; Harreb. I, 77; Ndl. Wdb. III, 408; Falkl. VII, 177; 178; Nest, 54; Jord. 124; Uit één pen, 136; Handelsbl. 22 April 1914, p. 6 k. 1 (avondbl.). De uitdrukking is afkomstig van de gewoonte der honden, die als zij een kat in een boom hebben gejaagd, daar blijven staan blaffen en haar aanstaren, tot zij haar schuilplaats weer verlaatIn Noord en Zuid VI, 284 wordt medegedeeld, dat men te Oudenburg soms hoort zeggen; dat wijf ziet zoo stuur en kwaadaardig, zij zou wel ‘een kater van den boom kijken’.. De hond neemt dus een afwachtende houding aan, hij blaft, springt, staart, doch volgt de kat niet, hij heeft feitelijk niet ingegrepen, doch afgewacht hoe de zaak zal afloopen. Komt de kat eindelijk uit den boom, dan springt hij toe en tracht ze te snappen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut