Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boog - (schiettuig; ronding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boog zn. ‘schiettuig; ronding’
Onl. thenedon bogo (accusatief) ‘zij spanden hun boog’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. boghe ‘gebogen voorwerp’ [1240; Bern.].
Os. bogo; ohd. bogo ‘boog’ in verschillende betekenissen (nhd. Bogen); ofri. boga (nfri. bôge); oe. boga (ne. bow ‘schiettuig’; on. bogi (nzw. båge); krimgot. boga; < pgm. *buga- ‘boog’, nultrap bij het werkwoord *beugan- ‘buigen’, zie → buigen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boog* [gebogen constructie, schiettuig] {oudnederlands bogo 901-1000, middelnederlands boge [gebogen constructie, schiettuig]} van buigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boog znw. m., mnl. bōghe, booch, onfrank. os. ohd. bogo, ofri. oe. boga, on. bogi, grondvorm *bugan, afgeleid van buigen. — oiers fid-bocc (< *bhugnó-) ‘houten boog’ — > fra. bouge ‘gewelfd deel van een voorwerp’ (? Gamillscheg 126; M. Valkhoff 68).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boog znw., mnl. bōghe, booch m. = onfr. ohd. os. bogo (nhd. bogen), ofri. ags. boga (eng. bow), on. bogi m. “boog”. Germ. *ƀuӡan- > *boӡan- : buigen = bode : bieden. Vgl. vooral ier. fid-bocc “houten boog”. Zie elleboog, regenboog.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boog m. (wapen), Mnl. boghe, Onfra. bogo + Ohd. bogo (Mhd. boge, Nhd. bogen), Ags. boga (Eng. bow), Ofri. boga, On. bogi (Zw. båge, De. bue), van denz. stam als 't meerv. imp. van buigen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

baog (zn.) 1. schietboog; Aajdnederlands bogo <901-1000>; 2. gebogen constructie; Middelnederlands boge <1350-1384>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boog ‘gebogen constructie; schiettuig voor pijlen’ -> Deens bue ‘gebogen constructie’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans buh ‘gebogen constructie; boogbrug’; Kupang-Maleis bòg ‘schiettuig voor pijlen’; Madoerees bu' ‘schiettuig voor pijlen’; Madoerees ēbbo, bū', ēbbū' ‘gemetselde gebogen constructie; muurgewelf’; Singalees bōkku-va ‘duiker; overwelfd riool’; Dhivehi booku ‘gebogen constructie, poort’; Negerhollands boog ‘gebogen constructie’; Papiaments bog (ouder: boog) ‘gebogen constructie; schiettuig voor pijlen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boog* schiettuig voor pijlen 0901-1000 [WPs]

boog* gebogen constructie 1350-1384 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

296. De boog kan niet altijd gespannen zijn,

d.w.z. men kan niet altijd met ingespannen arbeid bezig zijn, inspannende arbeid moet door ontspanning afgewisseld worden, anders is overspanning of verslapping het gevolg. Eene ook bij de Grieken en Romeinen voorkomende gedachte, o.a. bij Herodotus 2, 173 en Phaedrus III, 14, 10: Cito rumpes arcum, semper si tensum habueris. In de oudste spreekwoordenverzamelingen komt zij bij ons voor; zie Goedthals, 66: Als men den boge te wyt spant, so berst hi geerne, l'arc tousiours tendu, se gast; den boghe en mach niet altyts staen gespannen, daer is eene vre van etene inden dach, au travailler est deu repos (zoo ook in de Prov. Comm. 201); bij Campen, 31: Wanneer die boeghe toe hart gespannen is, soe breckt sie geern; Idinau, 8:

 Den boghe en magh niet altijdt ghespannen staen:
 Want soo soude hy sijn kracht verliesen.
 Soo moet alle dinghen met maete gaen,
 Want heete wateren lichst vervriesen.
 Wijs, die maetigheydt in als kan kiesen.

Ook in de litteratuur komt de zegswijze al zeer vroeg voor; o.a. bij Spieghel, 274; Anna Bijns, Nieuwe Refereinen, 2, 16: Den boghe en mach altijt niet gespannen staen. Zie verder Harrebomée I, 76 b; Vad. Mus. V, 375; Bebel no. 222; Tijdschrift XXI, 203; Coster, 172, vs. 665; Winschooten, 186; Van Moerk. 174; het Ndl. Wdb. III, 387; Wander I, 424; Büchmann, 193 en vgl. fr. l'arc, toujours tendu, se gâte; l'arc ne peut pas toujours être tendu; hd. der Bogen will nicht immerzu gespannt stehen; eng. a bow long bent at last waxeth weak; the string always strained snaps at last.

297. Verschillende pijlen op zijn boog hebben,

d.w.z. verschillende middelen hebben om zijn doel te ‘beschieten’ en daardoor in zijne macht te krijgen, zijn doel te bereiken; gewoonlijk om iemand te overreden of te overtuigen. Vroeger zeide men ook twee pesen op eenen boghe hebben (Idinau, 222; Harreb. I, 76 b) of twee (vele) snaren op (tot) sinen boogh hebben; dial. meer dan een koord op zijn boog hebben. In Hooft's Brieven, 135 treffen wij aan: Ik heb noch eenen anderen pijl op mijnen boog; bl. 444: In allen gevalle waar 't goedt, verscheide pijlen tot zijn' boog te hebben (zoo ook bij Vondel, Bat. Gebr. 678); Smetius, 68: Hij leyt op twee anckers, hij heeft twee pijlen op sijnen boge; Pers, 608 a; 665 b; Paffenr. 126; Van Effen, Spectator VI, 242 schrijft: Hij moet nog veel pylen op zyn koker hebben. In het Vlaamsch zegt men thans nog Verscheidene pezen aan zijn boog hebben, maar ook veel (of nog andere) pijlen in zijn koker hebben (Joos, 94 en 82; Waasch Idiot. 361 a). Eindelijk kan nog vergeleken worden de synonieme 17de-eeuwsche uitdr. Hij heeft twee messen op zijn' schee (Huygens VI, 36). Zie verder Ndl. Wdb. III, 387; Wander I, 424; IV, 514 en vgl. fr. avoir plusieurs cordes à son arc; avoir plus d'une flêche dans son carquois; hd. mehrere Sehnen an seinem Bogen haben; eng. to have several (or two) strings to one's bow; fri. hy het wol pilen op 'e koker, hij is kundig en wel bespraakt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut