Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boodschap - (opdracht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boodschap zn. ‘opdracht’
Mnl. bodescap ‘zending, opdracht’ [1200; CG II, Servas], ‘het gezondene, bericht, tijding’ [1220-40; CG II, Aiol]. Al vanaf het Middelnederlands vaak in combinatie met doen. De vaste verbinding boodschappen doen in de huidige specifieke betekenis ‘inkopen doen’ eerst in: De ziekte geeft mij veel werk: er moeten boodschappen gedaan worden [1867-79; WNT].
Samenstelling uit → bode ‘gezant’ en → -schap.
Os. bodskepi; ohd. botascaf(t) ‘mededeling’ (mhd. bot(e)schaft ‘mededeling’, ook ‘gezant’ > ‘groep van gezanten’ > nhd. Botschaft ‘ambassade’); ofri. bod(i)skip (nfri. boadskip); oe. bodscipe; on. boðskapr.

EWN: boodschap zn. 'opdracht' (1200)
ANTEDATERING: onl. bodaskap 'opdracht, boodschap' in: the bodescaf brehte ere gabriel 'die boodschap bracht haar Gabriel' [1151-1200; ONW]
Later: ik ga mijn boodschappen af doen 'ik ga verder met mijn boodschappen' [1682; Asselijn, 28]; dat gy voor iemand Boodschappen ging doen [1709; Burmannus, 23] (EWN: 1867-79)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boodschap* [gekocht artikel, bericht] {bootscap [opdracht, bericht] 1201-1250; als ‘gekocht artikel’ 1866} van bode + achtervoegsel -schap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boodschap znw. v., mnl. bōdescap, boodscap, bōdescepe, os. bodskepi (m. o.?), ohd. botascaf, botoscaft v., oe. bodscipe m., on. boðskapr. Met het achtervoegsel -schap gevormd van bod en bode.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bode znw., mnl. bōde m. = onfr. bodo, ohd. boto (nhd. bote), os. bodo, ofri. ags. boda, on. boði m. “bode”. Germ. * ƀuðan- >*boðan-, bij bieden. - Vgl. beul en boodschap, mnl. boodscap, bōdescap, -scēpe v. “zending, boodschap, tijding” = ohd. botascaf, botoscaft v. (nhd. botschaft), os. bodskepi (m. o.?), ofri. bodiskip o., ags. bodscipe m., on. boðskapr m. “id.”. Deels sluiten deze vormen zich bij bod, deels bij bode aan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boodschap v., Mnl. bodescap, Os. bodscepi + Ohd. botoscaft (Nhd. botschaft), Ofri. bodiskip, Ags. bodscipe, On. bodskapr; blijkens de oudere vormen loopen twee afleid. dooreen, een van bod, en een van bode.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

boodskap s.nw.
1. Opdrag om mondelinge of skriftelike berigte oor te dra of sending waarby dit geskied. 2. Berigte wat met 'n boodskap (boodskap 1) oorgedra word. 3. (gewoonlik met 'n hoofletter Boodskap) Die Christelike Evangelie.
Uit Ndl. boodschap (al Mnl.), 'n afleiding met -schap van bode. Die agterv. -schap beteken 'dit wat tot die taak van 'n bepaalde persoon behoort'. Ndl. boodschap beteken dus lett. 'dit wat deur 'n bode gedoen moet word'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die bet. 'berig'.
D. Botschaft.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De blijde boodschap (ook met een of twee hoofdletters geschreven), het evangelie; bij uitbreiding, soms in ironie, ook gezegd van ander goed nieuws.

Blijde boodschap is de letterlijke vertaling, via Latijn euangelium, van het Grieks euagellion, dat wij ook rechtstreeks als evangelie overgenomen hebben en dat verwijst naar het nieuws van de komst van Christus (zie ook Evangelie). Pas in jongere bijbelvertalingen (maar niet in de NBV) komt de verbinding voor in deze betekenis, maar zij wordt in de zeventiende eeuw al in andere stichtelijke literatuur aangetroffen. In de Statenvertaling (1637) vinden we goede of blijde boodschap ook een enkele maal, bijvoorbeeld in Jesaja 61:1, maar dan in de algemene betekenis van 'goed nieuws'. Voor het goede nieuws van Christus' komst is evangelie er het gewone woord. Tegenwoordig komt men groot nieuws of de goede boodschap tegen in namen voor moderne bijbel- of evangelievertalingen.

Leidse vertaling (1899-1912), 1 Tessalonicenzen 2:3-4. Want onze verkondiging had niets te doen met bedriegerij, oneerlijkheid of list. Neen, wij geven de Blijde boodschap juist zóo weer als God, die ons deze taak waardig keurde, haar ons heeft toevertrouwd.
Hoek was verrast en ontroerd bij het vernemen van de blijde boodschap en liet zich graag de eremedaille opspelden. (Meppeler Courant, jan. 1993)
Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen / Die blijde boodschap hoort men allerwegen. (Weelde en feestgedruis. De beste gedichten van drs. P, 1986 (Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen, 1980), p. 151)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boodschap, oorspr. het bodeschap, d.i. het ambt van bode. Zoo leest men o.a.: „een trompetter werd in boodschap gezonden”. Hieruit ontwikkelde zich de bet. van: opdracht, bericht, bestelling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boodschap ‘bericht’ -> Negerhollands boodskap, boskap ‘bericht’; Sranantongo boskopu ‘bericht’; Aucaans bosikopoe ‘bericht’; Arowaks boskopo ‘bericht’ ; Surinaams-Javaans boskap ‘bericht’.

boodschap ‘gekocht artikel’ -> Sranantongo boskopu ‘gekocht artikel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boodschap* bericht 1240 [Bern.]

boodschap* behoefte (grote of kleine boodschap) 1804 [WNT]

boodschap* gekocht artikel 1866 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

boodschap, reclameboodschap op radio of televisie.

Ischa Meijer voor, tijdens en na zijn talkshow I.S.C.H.A.: ‘Mijn programma voor u.’ ‘Wilt u kijken, alstublieft?’ ‘Na de broodnodige boodschappen ben ik weer terug.’ (HP/De Tijd, 26/11/93)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

294. Eene groote (kleine) boodschap doen.

Deze uitdrukking, die in kindertaal wil zeggen zijn gevoeg doen, zijn water loozen, beteekent eigenlijk heengaan om eene boodschap te verrichten; vervolgens gebruikt men haar als voorwendsel om zich voor het zooeven genoemde doel te kunnen verwijderen. Een dergelijk schertsend euphemisme vinden wij ook in het middeleeuwsche bloemen lesen, en het 17de-eeuwsche bloemen (cacare), waarmede kan worden vergeleken het eng. to pluck a rose, wateren (Prick, 18); eene groote (of kleine) commissie doen; dit ook in 't Antw. Idiot. 322; Waasch Idiot. 156; Rutten, 45. Zie verder Speenhoff V, 20: En hij zou voor geen millioenen ooit een kleine boodschap doen; Ndl. Wdb. III, 381 en vgl. fr. faire sa grande commission; le grand, le petit tour; fair le gros; hd. das grosze Geschäft verrichten, -abmachen..

295. Geen boodschap aan iemand (of iets) hebben,

d.w.z. iemand niets te zeggen hebben, niets met iemand of iets te maken hebben; in de 17de eeuw voorkomende in P.C. Hooft's Brieven. Zie het Ndl. Wdb. III, 383 en vgl. Landl. 16: 'k Zeg daar hè we ommers toch geen booscap van, wat jij daar nou vraagt; Handelsblad, 17 Maart 1922 (O) p. 2 k. 2: Goed beschouwd hebben wij toch aan Jacob Maris meer boodschap dan aan Pieter Maritz, hoeveel wij ook gevoelen voor de nagedachtenis van dezen Zuid-Afrikaanschen voortrekker; Molema, 52 b: 'k Heb doar gijn boschop, daar heb ik niets te maken, daar ben ik liefst niet; daar valt niets voor mij te verdienen; fri. dou hest hjir gjin boadskip, jij hebt hier niets te maken. Vgl. ook onze zegswijze: oppassen is de boodschap (de zaak, waar het op aankomt; o.a. Kalv., I, 139), in welken zin ‘boodschap’ reeds voorkomt bij Hooft Ged. II, 426; ook in het Oostfri. (Taalgids V, 162). In Zuid-Nederland is blijkens Waasch Idiot, 133; Teirl. 196 en De Bo, 165 a deze laatste zegswijze ook bekend.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal