Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bont - (bn. en zn.)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Kleurenwaaier van emoties

Waarom, zo vroeg een lezer van deze rubriek, ergeren we ons ‘groen en geel’, terwijl groen en geel toch heel vrolijke kleuren zijn? Voor het antwoord op deze leuke vraag moeten we terug naar de zeventiende eeuw. Sinds die tijd komt de uitdrukking ‘Mijn ogen zien (alles) groen’ of ‘Ik zie groen’ voor, in de betekenis ‘Het duizelt me, ik kan door duizeligheid geen voorwerpen en kleuren meer onderscheiden.’ De beroemde dichter en toneelschrijver Bredero noteerde in 1612: “Hoe swindelt [duizelt] my myn hooft? Myn ooghen sien al groen.”

Afgunst
Vanaf ongeveer 1700 werd in deze uitdrukking geel toegevoegd aan groen, ongetwijfeld vanwege het allitererende effect: ‘Het wordt me groen en geel voor de ogen’ (of ‘voor het gezicht’) betekende ‘Alles draait voor mijn ogen.’ Vervolgens ging men dit ook gebruiken als aanduiding van een emotionele toestand. Zo schreef H.J. Schimmel in 1870: “Overal hoorde hij den schaterenden lach (…). Het werd meester groen en geel voor de oogen.”
De kleuren groen en geel werden van oudsher in verband gebracht met de emoties afgunst, jaloezie en woede. Shakespeare beschreef in 1603 in het treurspel Othello de jaloezie bijvoorbeeld als een monster met groene ogen. Maar ook zwart werd gebruikt om afgunst mee aan te duiden. De Dordtse arts Johan van Beverwijck sprak in 1636 van de “swarte Nijt” (‘afgunst’). De jaloezie werd door geneeskundigen toegeschreven aan een teveel aan gal, die zwart of geelgroen van kleur kon zijn; hierop gaan ook zwartgallig en gal spuwen (van woede) terug.
Pas rond 1900 vinden we groen en geel ook terug in zich groen en geel ergeren, voor ‘zich enorm ergeren’. Deze latere uitdrukking is ontstaan in het voetspoor van groen en geel voor de ogen en groen en geel van nijd. Er zijn ook andere talen waarin ergernis wordt uitgedrukt met kleurnamen. Zo kent het Duits sich gelb und grün ärgern of sich grün und blau ärgern, en het Fries it waard him grien en blau foar de eagen.

Donkerbruin
Bruin is een andere kleur waarmee gevoelens worden aangeduid. Donkerbruin komt voor in een donkerbruin vermoeden hebben, dat nog maar bestaat sinds 1971. Er wordt vaak beweerd dat donkerbruin hier verwijst naar ‘het goed doorbakken zijn van broodjes e.d.’, waarmee dan figuurlijk bedoeld zou zijn dat het vermoeden ‘klaar’ is, oftewel een vaste vorm heeft. Maar omdat de uitdrukking altijd betrekking heeft op ongunstige feiten, lijkt het waarschijnlijker dat het een speelse variant is van de oudere zegswijze een duister vermoeden hebben, waarin duister eveneens een figuurlijke negatieve betekenis heeft.
Maar bruin in ‘Hij bakt ze bruin’ (‘Hij overdrijft erg, hij maakt het te gek’) verwijst wel degelijk naar het bruinbakken van broodjes. De uitdrukking komt voor het eerst voor in een kort verhaal in de Peel- en Kempenbode van 12 november 1904, waarin een pasgehuwde vrouw tijdens de wittebroodsweken tot de ontdekking komt dat haar man vroeger als clown in het circus heeft gewerkt: “ʻJe bakt ze bruin, Willem’, zei ze, ‘ik weet niet wat ik ervan denken moet. Maak je altijd zulke – fratsen?’”

Bont
Veel ouder is het te bont maken: in 1573 waarschuwde men al “Maket niet te bont.” Bont wordt hier niet letterlijk gebruikt voor ‘veelkleurig’, maar figuurlijk voor ‘opvallend, zich onderscheidend’ en ‘losbandig, onbehouwen’: bont spreken betekende ‘trots spreken’ en bont slaan ‘in het wilde weg erop los slaan’. Een eigen draai aan de verklaring gaf de bekende spreekwoordenverzamelaar Carolus Tuinman in 1727; volgens hem sloeg bont op kleding: iemand die ‘het te bont maakte’, was te fleurig gekleed, was boven zijn stand gekleed. Maar in geen van de vele oude contexten waarin bont in de betekenis ‘baldadig’ voorkomt, is een verwijzing te vinden naar bonte kleding. Vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt bont ook vervangen door grijs: het te grijs maken. Deze kleur zal gekozen zijn omdat grijs staat voor ‘oud’ en ‘ellendig’, waarbij te grijs een variant is van de oudere uitdrukking te groen, die onder meer in het Gronings is overgeleverd: da’s te gruin (‘te erg, te grof’).
In al deze gevallen hebben kleurnamen een overdrachtelijke, emotionele betekenis gekregen. Uitdrukkingen als blauw liggen van het lachen of een rood waas voor de ogen krijgen verwijzen letterlijk naar lichamelijke gewaarwordingen, maar ze hebben zich losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis. Dat blijkt ook uit deze mop uit de oude doos, in 1911 in een krant verteld: “Schoenmaker: ‘Nu, zóó erg zullen u die schoenen toch wel niet knellen?’ Heer: ‘En ik zeg u, zóó erg, dat ’t me groen en geel voor mijn eksteroogen wordt.’”
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Kleurenwaaier van emoties’, in: Onze Taal 1.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bont 1 bn. ‘veelkleurig’
Mnl. als bijnaam: willem de bonte [1281 (aanhangsel bij een tekst uit 1272); CG I, 237], bont, bunt ‘veelkleurig’, meestal ter aanduiding van dieren: valu ende bont ‘vaal en meerkleurig’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Ontleend aan Latijn punctus ‘met puntjes, gestippeld’, verl.deelw. van pungere ‘steken, prikken’, verwant met → punt ‘prik, steek’.
Mnd. bunt ‘gevlekt, gestreept’ (mhd., nhd. bunt), met daarnaast het zn. mhd. bunt ‘tweekleurig pelswerk’, zie → bont 2; nfri. bûnt (bijv. in rea(d)bûnt, swartbûnt fee ‘roodbont, zwartbont vee’).
Het woord heeft zijn betekenis in oorsprong gekregen door de zwarte stiksels op witte kerkelijke gewaden. Aanvankelijk betekende het ‘zwart en wit gespikkeld, gevlekt of gestreept’. Vervolgens werd het gebruikt voor pelswerk dat niet vaal was en dat leidde tot de betekenis ‘veelkleurig’. Voor de uitdrukking bont en blauw zie → blond.

bont 2 zn. ‘pelswerk’
Mnl. in de samenstelling bont werc [1276-1300; CG II, Perch.], een caproen mit bonten ghevoedert ‘een kapmantel met bont gevoerd’ [1403; MNW].
Afgeleid van → bont 1 ‘veelkleurig’. Oorspr. werd bont gebruikt voor gemêleerde, bonte huiden, wat ook gebeurde bij Middelhoogduits bunt ‘tweekleurig pelswerk’. Mogelijk is het Nederlandse woord in de pelsbetekenis aan het Middelhoogduits ontleend, hoewel Middelnederlandse woorden voor ‘pels’ wel vaker van niet-Germaanse oorsprong zijn, bijv: mnl. pels [1240; Bern.] < Latijn pellicium; mnl. cursene ‘vel, pels’ [1240; Bern.] < Slavisch *kŭrzĭno ‘bont, pelswerk’ (zie → keurs).

EWN: bont 1 bn. 'veelkleurig' (1281)
ANTEDATERING: onl. als toenaam in Francone Bunte 'Frank (de) Bonte' [1196; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: bont 2 zn. 'pelswerk' (1276-1300)
ANTEDATERING: bont 'bont, pels' [1287; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bont [veelkleurig] {bont [veelkleurig, van bont gemaakt] 1272, vgl. bont werc 1276-1300} < latijn punctus, eig. het verl. deelw. van pungere [steken, prikken], gebruikt voor het veelkleurige stiksel op gewaden; het zn. bont werd oorspr. gebruikt voor gemêleerde huiden. In de uitdrukking het al te bont maken heeft bont nog de middelnl. betekenis ‘inconsequent’, vgl. ene redene bont [een vreemde zaak, een tegenstrijdigheid], bont geven [verwondering of verontwaardiging opwekken]. De uitdrukking bont en blauw [tengevolge van kou of slagen] luidde oorspr. blond en blauw, 16e-eeuws van ymande blont ofte blaudich te slaen. In het middelnl. betekende blont ook ‘grijsachtig, peper-en-zoutkleurig, vaal’, zodat het woord een ruimere betekenis had dan thans.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bont bnw. znw., mnl. bont ‘veelkleurig; van bont gemaakt’, mhd. bunt ‘zwart en wit gespikkeld, gevlekt of gestreept’. < lat. punctus ‘met punten’, in de ME een kloosterwoord, waarmee men het veelkleurige stiksel op stoffen aanduidde. In de betekenis van ‘pelswerk’ reeds mnl., vgl. ook mnd. mhd. bunt, wordt het gebruikt in tegenstelling tot het mnl., mhd. grā, mnd. grāwerk voor het grijze bont.

A. Schultz, Das höfische Leben 1, 272 herinnert er aan, dat de witte buikvellen van de eekhoorn met grijze rand in samengesnoerde pakken in de handel gebracht werden en daarom bunt d.i. ‘bundel’ heetten. — In de uitdrukking bont en blauw is bont in de plaats gekomen van blond, maar ook de uitdr. blond en blauw kwam eerst in de 17de eeuw op voor een oudere rechtsterm blōt unde blā of blōdich unde blā (nnd. fri. ne.), dus aanduiding van de aard der ontvangen lichamelijke beschadiging (R. v. d. Meulen Ts. 45, 1926, 60-69).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bont bnw., mnl. bont “veelkleurig” (en overdrachtelijk; ook: “van bont gemaakt”). = mhd. bunt(t) “zwart en wit gespikkeld, gevlekt of gestreept” (nhd. bunt). De aannemelijkste etymologie gaat van mlat. punctus (deelw. van pungere “steken”) “gestoken, gespikkeld” uit. Voor den anlaut vgl. bom I. Het onz. mnl. bont (nnl. bont o.), mhd. bunt, mnd. bunt (buntwërk) beteekent reeds “pelswerk”, speciaal “meerkleurig pelswerk” in tegenstelling tot mnl. mhd. grâ, mnd. grâwërk o. “grijs pelswerk”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bont. Ook mnd. bunt bnw. ‘veelkleurig; van brokaat’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bont 1 bijv.(veelkleurig), Mnl. bont, uit Hgd. bunt, van Mlat. punctum(-us)= gestoken, gespikkeld (z. punt).

bont 2 o. (pelswerk), is hetz. als bont 1. Cf. Ofra. vair = 1. varié. 2. fourrure.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bont b.nw.
1. Veelkleurig. 2. Gemeng, deurmekaar. 3. Onsamehangend.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. bont (al Mnl. in bet. 1, 1874 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 3 by Pannevis (1880).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bont (Latijn punctus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bont (Hgd. bunt) is ontleend aan ’t Lat. punctus = met punten voorzien, gespikkeld. Ook bont (pelswerk) wijst op dat gespikkeld zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bont ‘veelkleurig’ -> Duits bunt ‘twee- of meerkleurig’; Esperanto bunta ‘veelkleurig’ ; Zuid-Afrikaans-Engels bont ‘veelkleurig’.

bont ‘pelswerk’ -> Sranantongo bont ‘pelswerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bont veelkleurig 1272 [CG I1, 237] <Latijn

bont pelswerk 1300 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

292. Het te bont maken,

d.i. ‘dartel, wild, baldadig te werk gaan, te keer gaan, het te erg maken, te ver gaan, zich te veel veroorloven, hetzij in woorden of daden’; dial. syn. het van eieren maken (zie o.a. De Vries, 70); het te vol gieten. In het Mnl. beteekent bont o.a. tegenstrijdig, onbegrijpelijk, eene beteekenis die voortvloeit uit die van dooreenwarrelend; vandaar de uitdr. het gevet mi bont ‘ik verwonder mij er over, ik begrijp er niets van’ (hd. das ist mir zu bunt, dat versta of begrijp ik niet). Ook kende men in de 16de eeuw eene uitdr. hem (zich) bont maken, zich aanstellen, trotsch, voornaam, boud handelen of spreken, eigenlijk in het oog vallende, zich onderscheidende. Als bijwoord van wijze kon bont in de 17de eeuw gebruikt worden in den zin van ‘op ruwe, onbehouwen wijze’, ‘in 't wilde er op los’; vgl. nog De Bo, 164: bonte Pier, een kwaadaardige ruwe vent; in 't bonte slaan (smijten), losbandig worden, uit den band springen, in 't wilde slaan, en hiermede moet in nauw verband staan onze uitdr. het (te) bont maken, die voorkomt bij Plantijn: Maket niet te bont, ne faictes point trop de mines, ou de plait, ne multa fastuose agas. In de litteratuur wordt de uitdr. in de 16de eeuw aangetroffen, o.a. bij den Zuidnederl. schrijver Van Ghistele, en verder bij Marnix, Byen-korf 141 r; 149 r; Van Vloten, Geschiedzangen 1, 295 (vgl. Van Lummel, 14 en 368); Huygens VII, 15; Tuinman II, 90; Harreb. III, 46 b, enz. Synonieme uitdrukkingen zijn het grof, gortig, grauw, breed, gruin (groen, bij Molema, 138), bordig (De Vries, 66) maken. Zie verder het Ndl. Wdb, III, 369-370; Mnl. Wdb. I, 1361 en verbeteringen; vgl. het hd. es zu bunt machen; fri. it bont meitsje naast it bot meitsje; oostfri. hê mâkd 't al to but.

293. Iemand bont en blauw slaan,

d.w.z. iemand zoo slaan, dat hij gele en blauwe plekken krijgt (vgl. fr. un bleu, een blauwe plek). Syn. van iemand de Rotterdamsche fooi geven (zie Winsch. 59; Sewel, 223; Halma, 145). Oorspronkelijk luidde deze uitdr. iemand blond en blauw slaan, waarin blond de beteekenis had van (geelachtig) blauw, in welken zin het nog in de Graafschap voorkomt (Draaijer, 5), waar men o.a. zegt: hij ziet blond van de kou. Omgekeerd werd in de middeleeuwen blond haar gelu haer genoemd. Vgl. in de 16de eeuw Stadr. v. Steenwijk, 307: Van ymande blont ofte blaudich te slaen. De uitdrukking blond en blauw (dialectisch nog bekend) dateert uit de 17de eeuw, o.a. bij Vondel, Klinckert voorafgaande aan den Palamedes:

 'T en leed geen seven jaer, of Palamedes schaeu
 By nacht, de tenten ging der Rechteren doorwaeren:
 Die resen op verbaest met opgeresene hayren,
 En sagen daer een' schim, mishandelt blond en blaeu.

Zie ook Anna Roemers II, 136; Coster, 193, vs. 1314; Westerbaen II, 731 en Kluchtspel III, 43. In de 18de eeuw treft men haar in dezen vorm aan, o.a. in Van Effen's Spectator I, 180, en bij Halma, 81 (op 77: blaauw en blond), doch ook reeds in de 17de eeuw komt ‘bont en blauw’ voor, o.a. bij Tengnagel, Amsterd. Linde-Bladen (anno 1654), bl. 26:

 't Is nu omtrent een weeck geleen,
 Toen wierdje bond en blaeuw getreen,

zoodat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de laatste zegswijze niet uit maar naast de andere is ontstaan; vgl. Ndl. Wdb. III, 367; II2, 2915.

Te vergelijken is de 17de-eeuwsche uitdr. iemand grauw en blauw slaan, dat volgens De Bo, 386; Waasch Idiot. 265 en Antw. Idiot. 506 nog in Zuid-Nederland gezegd wordt voor blond en blauw slaan; iemand blauw en blot slaan (De Bo, 154); iem. zwart en blauw slaan (Teirl. 180); paars en pimpel (Frequ. I, 448); paars en blauw; het eng. to beat one black and blue; hd. jemanden braun und blau schlagen; dial. nd. einen mit Cölnischer Münte betalen; ook kölsch und blau schlagen (denk aan 't Keulsch blauw aardewerk.Korrespbl. XXVII, 60. In Groningen: Sangenbloubont mos ie joen jong troefelen (Groningen IV, 191).

717. Het gortig (ook te of al te gortig) maken,

d.w.z. het te bont maken, al te grof maken (18de eeuw), het leelyk door de gort roerenN. Taalgids XIII, 132.. Eigenlijk beteekent gortig, garstig, ongansch, vinnig, en wordt het van varkens gezegd, die aan het gort (d.i. gerst- en gortachtige korrels in 't vleesch hebben) lijden: later bij uitbreiding vuil, smerig, onzuiver, niet netjes; vgl. Kil.: Koren op de tonghe j. gorte, grando; gortigheyd, het gort, grando, lepra qua porci infestantur; Goedthals, 33: Ein coirne op de tonghe hebben, il a poil sur la langue, d.w.z. hij heeft iets op zijn geweten, is niet geheel zuiver; vgl. Tuinman I, 16; 314: Hij heeft geen gortje op de tong; Harreb. II, 338; Ndl. Wdb. V, 451; Molema, 130; fri. it goartich meitsje; vgl. 16de eeuw: wat of veel (quaet) graens op sine tonghe hebben, iets op zijn geweten hebben, niet zuiver zijn.

920. Bekend (of gezien) als de bonte hond,

d.w.z. algemeen bekend; ook: ongunstig bekend. Wellicht is bonte hond een der vele benamingen voor den duivel; zie Niermeyer, 60Vgl. Kiliaen, 917: Bonte hond, schimmel, stricte: quasi maculosa et punctis interstincta’. Hier is waarschijnlijk een appelschimmel bedoeld, en onmogelijk is het geenszins, dat we aan dit dier, het vale paard van Wodan (Sewel, 705 verklaart schimmel door vaal paard) moeten denken; vgl. de mnl. uitdr. met valen mennen. Dat de duivel ook de gedaante van een hond aannam, bewijst de Grieksche Cerberus, de helhond, die ook bij de Germanen bekend was. Zie V.d. Vet, Het Biënboec van Thomas van Cantimpré, 141. en let op het lidw. van bepaaldheid. In de 16de eeuw staat deze zegswijze opgeteekend bij Campen, 103: Hy is bekent als een bont Hont; verder bij Spaan, 24; 186. Later is zij verlengd met het toevoegsel: met den blauwenDonkerblauw is onheilspellend, soms om van te schrikken (Leuv. Bijdr. X, 81). staart; en zoo vinden we haar in Brederoo's berijming van den Schijnheilig (vgl. ook Hooft's Brieven III, 401):

Hij is soo bekent en vermaart
Gelijck de bonte hond is met de blauwe staart.

Een variant van dezen bonten hond is de blauwe hond, dien we aantreffen in De Brune's Emblemata, 269 (en die aldaar gelijk gesteld wordt met een witte kraai, dus iets heel ongewoons), en de blauwe duivel bij Rusting, 235. Misschien mag hier het Vlaamsche blauwhonds, iets dat allerzeldzaamst is, mede vergeleken worden (Schuerm. Bijv. 39), en het eng. to blush like a black (or blue) dog, niet blozen, onbeschaamd zijn. In het hd. is bekannt wie ein bunter (scheckiger) Hund (oder Pudel) zeer gewoon; vgl. voor het nd. Taalgids IV, 249; het fri.: hy is bikind as de bûnte houn; in het fr. être connu comme le loup gris (- blanc); de. saa bekjendt, som en broget Hund. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen: gekend als de slechte stuivers, de kwade penningen, kwade munt, de blinde oordjes (Joos, 17; Rutten, 126 a; De Cock1, 296; Antw. Idiot. 202) en het Gron. bekend als de kwade dubbeltjes (Taalgids VII, 211; eng. to be as well known as a bad shilling). Vgl. ook Halma, 85: Hij is bekend als de bonte hond of als de bonte os, il est connu par-tout; 177: Hij is een gespikkelde vogel, of een mensch die bij elk bekend is; Sewel, 131; Harreb. I, 319; Nest, 81; Jong. 33; Noord en Zuid XIX, 23-24; Rutten, 126 a: Gezien worden gelijk een kwade hond (evenzoo bij Tuerlinckx, 352).

1210. Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan,

d.w.z. voor een algemeen (slecht) gerucht omtrent iemand bestaat altijd wel eenige grond; immers er is geen rook zonder vuurFr. il n'y a point de fumée sans feu; hd. wo Rauch ist, da ist auch Feuer; eng. there is no smoke without some fire. of er luidt nooit een klok of er is een klippel (Waasch Idiot. 359). In de eerste spreekwoordenverzamelingen luidt deze spreekwijze: men heet gheen koe colle si en heeft wat wits voer haren bolle (Prov. Comm. 500); in de Prov. Comm. 449: men en heet gheen koe blare si en heeft een wit hooft; bij Campen, 7: men heet ghien koe blare, off sie hebbe al wat bonts; 52: men hietet selden een Koe blare, sie hebbe dan eenen bonten vlecke, dat aldaar gelijk gesteld wordt aan een ghemeen gheruchte is selden gheloeghen, dat ook voorkomt bij Servilius, 231* en Sart. I, 6, 88: dat alleman seydt is geern waer, ter vertaling van non omnino temere est, quod vulgo dictitant, dat gelijk staat met Sart. IV, 40: rumor publicus non omnino temere est: men schelt geen koe blaer, of hy heeft wat wits. Hieruit blijkt dat deze zegswijze geene verbastering is van eene andere, die ook bij Campen, 7 voorkomt en luidt: men hiet wel een Koe blare, die nochtans niets wits en heft, men geeft wel eens iemand een naam, dien hij niet verdient. Zie Archief II, 246-249; Mnl. Wdb. I, 1282; Tijdschr. XX, 20; Harreb. III, 398; Schuermans, 269 en voor het Nederduitsch Taalgids V, 153; Eckart, 296; Dirksen I, 51. In het Friesch luidt de spreekw.: der wirdt gjin kou bont neamd of der is in wyt hier (een wit haartje) oan; hd. es heisst keine Kuh Blümlein, sie habe denn ein Blässlein (Wander II, 1672; 1676).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut