Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bonnet - (muts)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bonnet [muts] {bonet 1477} < oudfrans bonnet(te) < middeleeuws latijn abonnis, obonnis; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bonnet znw. v. ‘muts; (scheepsterm) verlenging van het gaffelzeil’, mnd. bonnet, bonnit ‘bonnet’ < fra. bonnet ‘muts’ en bonnette ‘lijzeil’. In de 12de eeuw betekent bonnet ‘een soort stof, waaruit hoeden gemaakt werden’, dan sedert de 15de eeuw ‘muts’; het gaat terug op mlat. abonnis (7de eeuw) en dit wordt weer uit een frankisch *obbunni ‘iets met banden of linten gemaakt’ verklaard (Gamillscheg 121; weinig bevredigend).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bonnet 1 v. (muts), uit Fr. bonnet, van Germ. bund = kapsel, mijter, van binden (cf. Hgd. kopfbund).

bonnet 2 v. (zeil), uit Fr. bonnette, afgel. van bonnet 1 (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bonnet ‘muts’ -> Deens dialect bonnet, bonet ‘stuk doek voor het verlengen van een zeil; stuk hout om slee mee te verlengen’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments bonèchi (ouder: bonnetsje) ‘muts, kap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bonnet muts 1477 [Teuth.] <Frans

Hosted by Meertens Instituut