Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bonnefooi - (goed geluk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bonnefooi zn. ‘goed geluk’
Nnl. bonnefooi ‘goede trouw’ [1872; Dale], op de bonnefooi ‘in goed vertrouwen, op goed geluk’ [1902; WNT].
Een vernederlandsing van de Franse uitdrukking de bonne foi ‘te goeder trouw’, met foi ‘geloof, vertrouwen’ uit Latijn fidēs, en dus equivalent aan → bonafide. Ook mogelijk is dat het afkomstig is uit Frans (la) bonne voie ‘(de) goede weg’, dus ‘(de) goede manier om iets te bereiken’ (met voie < Latijn via, zie → via).

EWN: bonnefooi zn. 'goed geluk' (1872)
ANTEDATERING: op "de bonne foi" af 'bijna op goed geluk (?)' [1850; AHB 11/9]
Later: Hij doet het op de bonne fooi [1858; Harrebomée 1, 194] (EWN: 1872)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bonnefooi in de uitdrukking op de bonnefooi [op goed geluk] {1863} < frans à la bonne foi [in goed vertrouwen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

op de bonnefooi

Iets op de bonnefooi kopen, ergens op de bonnefooi naar toegaan en dergelijke zegswijzen die alle betekenen: iets ondernemen op goed geluk, in de hoop te zullen slagen, vinden natuurlijk hun oorsprong in het Frans: à la bonne foi. Op zijn beurt ontleende het Frans de uitdrukking aan het Latijn. Bona fide betekent: in goed vertrouwen. Dat is allemaal heel eenvoudig.

Het aardige is dat wij met zekerheid kunnen vaststellen hier met een overneming uit het Frans te doen te hebben die al heel oud is. Ze moet immers zijn geschied in een tijd waarin het Franse woord foi nog niet als fwa werd uitgesproken. Anders zou immers de Nederlandse uitspraak luiden: op de bonnefwa. Nu heeft de overgang van de uitspraak fooi tot de uitspraak fwa zich voltrokken in de 16e eeuw, niet van de ene dag op de andere natuurlijk, maar in de loop van jaren en jaren. Voorde 16e eeuw is dus de Nederlandse zegswijze ontstaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bonnefooi ziet er uit als een laatnnl. schertsende overname uit fra. à la bonne foi.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bonnefooi (op de bonnefooi). Wsch. een eerst laat-nnl., oorspr. schertsende uitdrukking, naar fr. à la bonne foi, niet à la bonne voie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bonnefooi , op de bonnefooi, naar Fr. à la bonne foi.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

avooi, zn. m., uitdr. op den (bon) avooi (Breskens, Kadzand): op goed geluk, op de bonnefooi. Uit Fr. à la bonne foi 'in goed vertrouwen'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bonafooi: – bonnefooi – , “op goeie geloof”; Ndl. bonnefooi (blb. vroeg ontln., maar geen datg. nie) uit Fr. (à la) bonne foi, “(op) goeie geloof”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bonnefooi (op de --) (Frans à la bonne foi)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bonnefooi goed geluk 1863 [KKU] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

290. Op de bonnefooi,

d.w.z. in goed vertrouwen (lat. bona fide), op goed geluk; ontleend aan het fr. à la bonne foi. Bij Servilius, 165 vinden wij opgeteekend al boone fooi te werke gaen, rectam ingredi viam, waar dus niet aan foi (lat. fidem), maar aan voie (weg) gedacht wordtZie Suringar, Erasmus, bl. 425. Voor de schrijfwijze met een f vgl. het Mnl. Wdb. i.v. foye en ons fooi, eig. weg, reis, afscheidsmaal, en daarna: geschenken geven bij gelegenheid van vertrek; zie De Cock1, 128-129.. Onze uitdr. trof ik het eerst aan bij Winschooten, 59: ik doe dat op de bonne fooi, dat is, op goed geloof of vertrouwen; Harrebomée I, 198 b; Ppl. 215: Op de bonne fooi af; Landl. 10: Op 'e bollevooi.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal