Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bonk - (groot stuk; bot, been)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bonk zn. ‘groot stuk; bot, been’
Mnl. buncken (mv.) ‘uitstekende botten onder de ogen’ [1477; Teuth.], bonc ‘been, bot’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. bonck ‘bot, knook’ [1573; Thes.].
De herkomst is niet duidelijk. Het woord wordt wel verbonden met een groep woorden van nagenoeg dezelfde structuur als on. bunki ‘scheepslading’ zoals mnl. bonic ‘lading’ [MNHW], wrsch. via de Hanze ontleend aan mnd. bonik, bonk ‘scheepslading, ruim’; de semantische samenhang ontbreekt echter. Bonk heeft vele betekenissen die vrijwel allemaal met een zekere grofheid te maken hebben: een ruwe bonk ‘een grofgebouwde, lompe man’ (zie → bink), een bonk klei ‘een groot stuk klei’. Een bonk is tevens een zeer grote stuiter of knikker en de bovenste, voor de turfwinning ongeschikte laag van het veen (waarbij → bonken 2 ‘in het veen werken’ hoort). Vanaf 1912 (FvW) geven Nederlandse etymologische woordenboeken ook het Engelse zn. bunch ‘bundel, zwelling’ als taalverwante parallel. Klankwettig is dit goed mogelijk. Dit woord wordt door Engelse etymologen echter gezien als een woord van onbekende herkomst (ODEE) of als een ontlening aan Oudfrans bonge ‘bundel’ < Zuid-Nederlands bondje, bontje ‘bundeltje’ (BDE).
Mnd. bunke ‘bot’; ofri. bunke ‘deel van een bot’ (nfri. bonk, bonke ‘bot, klomp, groot stuk’); misschien ook verwant met on. bunga ‘klomp, brok’ (nijsl. buna ‘bot van een os’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bonk* [klomp, bot] {buncken [uitstekende botten onder de ogen of bij de kin] 1477} middelnederduits bunk [bot (uitstekend bot van de heup)], oudfries bunke [botstuk]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bonk znw. m., mnl. bonke, bonc (zelden) ‘been, kakebeen’, Kiliaen ‘been’ (saksisch-fries), mnd. bunk ‘bot, vooral de uitstekende botten aan heup en poten van grote dieren’, ofri. bunke v. ‘botstuk’, ne. bunch ‘bundel, bult’, daarnaast on. bunki ‘scheepslading’ (> mnd. bonik, bonk ‘lading, laadruimte’, Hesselman, NTU 7, 1935, 26).

Daarnaast staat on. bunga ‘klomp’; in beide gevallen wel gutturaalafleiding van een germ. *buna, waarvoor verg. nijsl. buna ‘bot van een os’ (AEW 64). Dat voert tot de groep van beun en bun. — IEW 127 neemt een idg. wt. *bhenĝh aan, met de betekenis van ‘dik, vet’, vgl. oi. bahú- ‘dicht, rijkelijk, veel’, gr. pachús ‘dik, vet’. — Het is aan te nemen dat een sterke tendentie van affectieve klankvariatie heeft meegewerkt; woorden als bank en bink zijn zeker in het taalbewustzijn hiermee verbonden, al behoeven zij niet onmiddellijk verwant te zijn. — Zie ook: bonken. — Voor de talrijke skand. verwanten vgl. nog E. Abrahamson MASO 7, 1947, 76-80.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bonk znw., mnl. bonke, bonc m. (zeldzaam) “been, kakebeen”, volgens Kil. “Sax. Fri.” met de bet. “been”. = mnd. bunk m. “bot, vooral úitstekende botten aan heup en pooten van groote dieren”, ofri. bunke v. “stuk van een bot”, eng. bunch “bundel, bult”; met afwijkende bet. on. bunki m. “scheepslading”, (mnd. bonik, bonk m. “id., scheepsruim” is wsch. ontleend), noorw. dial. bunka (bunga) “hoop, ronde verhevenheid, buil”. Of van den bij bank I besproken wortel bheŋg- òf oorspr. = “verhevenheid, zwelling” en verwant met lit. bingstù, bíngti “vet, vermetel worden”, prabangà “overvloed, bangà “golf” (zie echter bij bank I), lett. bůgs, bůga “dichte menigte”. Voor de bet. vgl. Zaansch bonk “groote roggebroodspepernoot, bult, gezwel, dichte menigte”. Vgl. nog bonken en met ablaut bink. Misschien hooren hoogerop al deze woorden bij den wortel bheŋg-“breken” (zie bank I).

[Aanvullingen en Verbeteringen] bonk. Het voorkomen van vormen met g (behalve noorw. dial. bunga o.a. mhd. bunge m. “knol”, on. bingr m. “afgedeelde ruimte”, zw. dial. binge “hoop koren, stroo of hooi”: wel met gr. pakhús “dik”, oi. bahú- “sterk, veel, rijkelijk” gecombineerd) maakt de onderlinge betrekkingen nog minder klaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bonk. In pl.v. mnd. bunk ‘bot, enz.’ lees: bunke m.
Het is moeilijk de onderlinge verhouding van de in het art. en de Aanv. genoemde germ. woorden met k en g vast te stellen. Onzeker en subjectief blijft daarom ook de combinatie met idg. wortels, waaromtrent zie b.v. WP. II, 149—151.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bonk v. en m., behoort bij bonken, Ndd. bunken, Eng. to bunch = slaan, intens. met ablaut en verscherping der g van to bang, waarvan ook bengel en bink (z.d.w., zoowel voor de bet. als voor den vorm).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bonk. De verwensing je kan van mij in bonken vallen, je kunt mij in bonken vallen ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ versluiert niets, maar getuigt van grote minachting van de spreker en drukt woede, irritatie en frustratie uit. De oorspronkelijke betekenis van bonk ‘groot stuk’ is geheel naar de achtergrond verdrongen. → barsten, vallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bonk ‘lomp persoon’ -> Duits Bunke ‘lomp persoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bonk* klomp, bot 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

723. Van de graat vallen,

d.w.z. sterk vermageren, in zwijm vallen, van honger omkomen; ook van de bonken vallen (Molema, 506); fri fen 'e bonken (of 'e great) falle; in het Nederduitsch: hê will von de groad'n (of gra'en) fall'n; op Goeree en Overflakkee: hij druipt van de graten af, hij is zeer mager. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor; zie Winschooten, 165: Vix ossibus haeret: of (om goed duits te spreeken) hij valt van de graat. Ook zeide men ‘van de graat raken’, o.a. Biegt der Getr. 21: O vrient, speenje van de Vrouw en de Toebak, en begeefje tot de Chiocolade en Kalfschinckels, of je raakt heel van de graat; en van de been vallen, dat voorkomt bij van Moerk. 120: Ick worde hiel mager, kviel schier vanden bien. Vgl. nog Huygens VII, 79; Sewel, 293: Hy valt schier van de graat, he is as lean as a rake, or he pines away; Tuinman I, 313: Hy valt van de graat, dit zegt men van een zeer mager mensch, als of het vleesch van zyn uitstekenden ruggegraat en beenderen afviel, zo dat'er slechts vel over de bonken is; II, 228; M.z.A. 179: Daarna gebruik je niets vóór half zes. Allemachtig! dan val ik van de graat, meneer!; Nkr. 30 Aug. 1913, p. 3: Ik was bij zoo'n kostje al lang van m'n graat gevallen; Ndl. Wdb. V, 525.

1226. Een kokker(d),

Hiermede duidt men iets aan, dat groot in zijn soort is; bijv. een kokkerd van een neusOok een janus of een kanus geheeten. Vgl. Nkr. VIII, 28 Maart, p. 5: Wat een Janus, wat een Kanus, wat een reuzenneus is dat!, van een appel, enz.; fri. in kokkert fen in bern (kind), in apel (appel), wat men in de Zaanstreek een bommerd noemt (Boekenoogen, 90) en ook wel een bakbeest (zie no. 136) heet, bij Sewel een klouwer en in Antwerpen een bommel, bonker, klepper, sjeur genoemd wordt (Antw. Idiot. 270). Elders, ook in West-Vlaanderen, gebruikt men hiervoor een bonke, een ponke (van een pompoen, een peer). Dat we hier, zooals in Tijdschrift IX, 155 vermoed wordt, met een der vele verbasteringen van krokodil te doen hebben, is niet waarschijnlijk. Eerder zullen we met Dr. A. Kluyver (Tijdschrift XI, 24) moeten denken aan een verkorting van kokkernoot, kokosnoot, zuidndl. kokernoot (dit ook bij Halma en Sewel); vgl. eng. coker, cokernut; hd. kockernusz. Vgl. Gunnink, 153; Köster Henke, 35: kokkerd, een groote. Een groote neus bijv.: Falkl. V, 76: De neus van dien man..... een kokkert; ook blz. 77; Falkl. VII, 224: Zoo'n kokker van een kotelet; Diamst. 218: 'n Kokkert van 'n teen; Ppl. 53: Dat's ook geen kleintje - nee zeg ik 't is een kokkert; Het Volk, 2 Jan. 1914, p. 3 k. 2:

Dorus was voor z'n pensioentje
Naar het Postkantoor gegaan.
Met 'n droppel an z'n kokkert
Pakte-nie de centen aan.

Menschenw. 14: D'r hang 'n droppel an je kokkert! In West-Vlaanderen wordt kokkertje als vleinaam tegen kinderen gebruikt (Onze Volkstaal III, 17).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut