Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bondig - (afdoende, beknopt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bondig bn. ‘afdoende, beknopt’
Vnnl. bondich, bundich ‘bindend, geldig’ [1557; WNT], bondig ‘kort, beknopt’ [1699; Jaques/Hannot]; nnl. bondig ‘krachtig, kernachtig’, bijv. in een bondige reden ‘een krachtige reden’ [1701; Marin].
Afleiding van het zn.bond ‘verband, verbindende kracht’, zie → binden.

EWN: bondig bn. 'afdoende, beknopt'; de betekenis 'beknopt' (1699)
ANTEDATERING: kortst en bondighst [1630; iWNT kort I]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bondig* [deugdelijk] {bondich [bindend, geldig in rechte] 1567} middelhoogduits bundec [verbonden]; afgeleid van bond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bondig bnw., mnl. bondich, bundich ‘bindend, rechtsgeldig’, mhd. bündec ‘verbonden’ (nhd. bündig) ‘bindend, overtuigend’. — Afgeleid van bond.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bondig bnw., afl. v. bond, mnl. bondich, bundich “bindend, geldig in rechte” (in noordndl. rechtsbronnen), bij Kil. = “firmus, ligatus. Et ratus”. = mhd. bündec “verbündet” (nhd. bündig “bindend, overtuigend, kort en krachtig”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bondig bijv., Mnl. bondich + Hgd. bündig, van denz. stam als bond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bondig ‘kernachtig’ -> Fries bondich ‘kernachtig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bondig* kernachtig 1642 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1250. Kort en bondig,

vroeger ook kort maar bondig, d.i. kort en krachtig (Cluysw. 177: Kort en besnoeyt), doch de beteekenis van bondig is thans zoo overschaduwd door die van kort, dat wij nu in deze uitdrukking een tautologie zien in den zin van beknopt, kort, hoewel meestal met het bijdenkbeeld flink, krachtig. Vgl. Nyrop, 188; no. 882; kort en goed (= kort; Spieghel, 278); het vroegere waken en braken, waarin de oorspr. bet. van het laatste woord, nl. die van nachtbraken, gewijzigd werd onder invloed van het eerste; het mnl. cost ende pine, cost ende arbeit, waarin de bet. cost op den achtergrond treedt; lesen ende spellen (= lesen); singen ende lesen (òf zingen òf zeggen); tale ende antwoort (= antwoord); het 17de-eeuwsche gnap en gnut, en ons nuttig en noodig, mnl. nut ende noot, waarbij het laatste woord de bet. van het eerste heeft aangenomen. In de 17de eeuw komt de uitdr. o.a. voor in de Gew. Weeuw. I, 33; III, 67; Bank. II (tot de Lezers). Zie verder het Ndl. Wdb. III, 351; Mnl. Wdb. IV, 2508 en vgl. hd. kurz und bündig; eng. short and pithy.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut