Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bomschuit - (vissersvaartuig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bom3* [vissersvaartuig] {1871} is een samentrekking van het vroegere bodemschuit, waarbij misschien bom in de betekenis ‘trommel’ invloed heeft gehad.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bom 3 znw. v. ‘vissersschuit’, verkort uit bomschuit. — Mogelijk > ne. bumboat ‘boot om voorraden naar schepen op de rede te brengen’ (sedert 1671, vgl. Bense 28).

Het woord wordt verschillend verklaard. — 1. < bodemschuit (in 1685 is bodemschuitje overgeleverd, zie van Lessen Ts. 62, 1943, 106-126). Voor een dergelijke verkorting vgl. bombrood < boombrood < bodenbrood, vgl. K. Heeroma Ts. 61, 1942, 45-77). — 2. Men kan ook uitgaan van of althans invloed aannemen van het woord bom ‘trommel’, vroeger ook ‘doos, fuik, groot glas’, vgl. mnl. bommeken ‘vaatje’; de vorm van de schuit zou daartoe aanleiding gegeven kunnen hebben (W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 1). — 3. Zeer onwaarschijnlijk is klanknabootsende oorsprong (vgl. Heeroma in het bij bolk genoemde artikel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bom III, bomschuit (visschersschuit), eerst nnl. Wsch. het overdrachtelijk gebruikte bom “trommel”, dat nu in de algemeene taal niet meer voorkomt. Dit woord wordt oudnnl. en dial. ook voor andere voorwerpen gebruikt: “doos, vischfuik, groot glas” enz. Men heeft ook bomschuit als “bodemschuit” verklaard; inderdaad komt bom als dial. vorm van bodem voor. Bom “trommel” is onder invloed van de interjectie bom en ʼt daarvan afgeleide ww. bommen uit mnl. bonghe v. “id.” ontstaan, = mhd. (nhd.) mnd. bunge v. “id.”, verwant met on. banga “slaan”, eng. to bang “id.”. Zie verder bengel. Mnl. komt reeds bommer, bommenaer, bomspeelre m. “trommelslager” voor. NB. Mnd. bomschip o. “soort van visschersschuit” zal wel bômschip “schip uit een boomstam gemaakt” zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bom III (vissersschuit). Het woord bom ‘trommel’ wellicht reeds mnl.: bommeken o. ‘vaatje’ (W. de Vries Tschr. 34, 1).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bom 4 v. (schuit), + Eng. bumboat, met bom 3. wegens den vorm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bom(schuit) ‘vissersschuit’ -> Engels bumboat ‘vuilnisboot; parlevinker’; Schots bum ‘soort Nederlandse vissersboot’; Duits Bumboot ‘vissersschuit’; Deens bumbåd .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bom* vissersvaartuig 1871 [WNT]

Hosted by Meertens Instituut